Stilstaand water
door Peter Vermaat
In haar derde bundel Duizend versies klaar water kijkt – volgens de uitgever – Dorien de Vylder ‘de grote thema’s recht in de ogen. De soms surreële wendingen houden deze urgente gedichten verbijsterend fris.’ [achterzijde]. Deze bewering leidt tot een aantal vragen, waaronder wat zijn de grote thema’s, zijn deze gedichten urgent en waarom moet fris ook verbijsterend zijn? Als ‘grote’ thema’s zou je (nieuw) leven en dood kunnen beschouwen – met diverse gedichten over zwangerschap en babyleven is het eerste onderwerp ruim vertegenwoordigd, het tweede wat minder. Oorlog – weer zo’n groot thema – is afwezig, ziekte – sporen van de coronapandemie – wordt aangestipt. Ook voor het dichten over het dichten is plaats ingeruimd.
Wat maakt de dag tot gedicht? De essentie van een ready made is de kanteling van het perspectief, die iets ogenschijnlijk gewoons kan belichten als iets bijzonders. De Vylder lijkt haar dagdagelijkse overwegingen te noteren en ze te presenteren als gedicht, misschien in de hoop dat de lezer zijn eigen clair-obscur zal inzetten om tot verbijzondering te komen:
–
Wat ik niet goed zie, zie ik beter
met mijn ogen dicht
en dan weer open
–
Wat ik zie, zie ik nooit weer, telkens
is het veranderd, altijd blijft het anders
dan de vorige keer
–
Nooit meer jij, altijd jij
–
[p. 34]
Inhoudelijk wordt hier een waarheid als een koe beschreven: geen enkele waarneming is voor 100% hetzelfde en er zal een lange optocht filosofen van stal te halen zijn die in hun eigen – net niet uitwisselbare – terminologie de houdbaarheid van die bewering aannemelijk kunnen maken. Maar wordt deze reeks taaltekens daarmee poëzie? Moet een lezer alle teksten die als gedicht gepresenteerd worden daarom ook tegemoet treden als gedicht? Ik ga daar niet voetstoots in mee. Niet alles wat je inlijst of aan de muur hangt wordt daarmee tot kunstwerk, evenmin als alles wat je met bewegende delen in staal in elkaar schroeft daarmee een machine geworden is. En ja, dat is een subjectieve opstelling, die daarmee tegelijkertijd discutabel en ondiscutabel wordt: bespreekbaar als element in de kunstrichtingkritiek, maar mij als persoon niet te ontzeggen. Het is aan de tekst om mij als lezer omver te blazen. In het hierboven geciteerde geval zal eerder het omgekeerde aan de orde zijn. Helaas kom ik dergelijke teksten in deze bundel vaker tegen.
Qua stijl wisselt De Vylder kleine talige krijtschetsen af met bijna-associatieve woordkoorden, zoals deze:
–
drie millimeter cognac verhakselde hazelnoten gesmolten pure chocolade smeuïge
boter hagelwitte stoffen mondmaskers hibiscusrood ontsmettingsalcohol van zeven-
tig graden eau de cologne op een zonwarme huid in de avond mandarijnnaaldjes
bieslookpaars rookzwart lycheeroze walking cocktails lockdownlove
–
[p. 13]
Met ‘mandarijnnaaldjes’ worden vermoedelijk de witte draadjes bedoeld tussen de schil en het vruchtvlees van de mandarijn. Wat er van de overige ingrediënten gemaakt kan worden blijft onuitgesproken. De mondmaskers en ontsmettingsalcohol leveren de couleur locale van een leven tijdens de pandemie, maar meer dan een referentie voor hen die dit ook hebben meegemaakt is het niet. Ook qua vorm komt er niet echt een slotsom: wat lijkt te beginnen als een recept voor een cocktail, verzandt via een cliché (‘zonwarme huid in de avond’) in wat gewilde kleurencombinaties.
Vaak koerst De Vylder in deze bundel niet af op het suggereren van het onzegbare, maar eerder op het zeggen van wat gezegd moet worden, als bijna-aforisme:
–
Bij grote gebeurtenissen
klinken onze woorden vaak amorf
zo lijken we te zwijgen
–
Maar in de eerstvolgende beweging
voorbij het stamelen
ontstaan ze ongerept
–
[p. 22]
Het aforisme is het tegeltje aan de wand, waarvan je glimlacht als je het de eerste keer leest, maar de volgende keren waarschijnlijk niet langer opmerkend aan voorbij loopt. Het water is zo helder dat je er dwars doorheen kijkt, als onmerkbare drager – maar niet weerkaatser – van het licht. De poëzie die ik lezen wil moet anders zijn: bloed dat je proeft zonder dat je wist dorst te hebben, striemende regen in je gezicht, de menswarme trage draaikolk die je onvermijdelijk naar het onderwereldse trekt en in het uiterste geval de gelogen waarheid die niet staat voor wat er staat.
De Vylder fluistert zonder dat het niet meekrijgen van dat geheim je je leven gaat kosten, de gedichten neuriën, maar komen nergens tot zingen.
Veel gedichten in deze bundel gaan over de zwangerschap, de geboorte en het leven met een nieuw kind. Dit levert schetsen op, herkenbare overwegingen, maar lang niet altijd poëzie. Maar het levert eveneens dit, ogenschijnlijk eenvoudige, gedicht op dat in deze bundel mijn meeste sympathie heeft:
–
De moeder waakt
over dit lijfje, dit erzijntje
Ze waakt de hele nacht
–
De baby mag niet huilen
of de peuter zal huilen
– ze moet het huilen voor zijn –
–
huilen omdat hij niet begrijpt
dat er nu nog een kindje is
dat er nooit eerder was
–
Elke keer weer is er dat kindje
Tot hij niet meer
zonder hem kan
–
[p. 52]
Dat heeft minder te maken met de taal dan met het beeld in de twee laatste strofen, waarin de ambivalentie van de verhouding tussen een al aanwezig kind en een pasgeborene – en hoe die zich ontwikkelt – treffend is weergegeven. Toch blijf ik me afvragen of er niet meer van gemaakt had kunnen worden. Als lezer, die het vaderschap heeft doorleefd en het moederschap uitsluitend van dichtbij heeft waargenomen, ben ik in het nadeel ten opzichte van de ‘lotgenoten’ voor het uitspreken van het onuitspreekbare geen noodzaak is, sterker nog, waarvan de rust in nabijheid juist wordt gekocht door het niet te hoeven proberen om het uit te leggen. Zo kan ook in dit gedicht ieder woord een sjibboleth zijn, dat in zijn ongezegde context de lotgenoten scheidt van de niet-lotgenoten. Blijkbaar is het mijn lot om aan de andere zijde van de rivier te moeten blijven.
Veel van de gedichten in deze bundel laten zich lezen als helder water, waarbij echter de bodem nooit in zicht komt. Dat leidt tot schijnbaar bijna oneindige, maar tegelijk zeer beperkte diepgang. Ik vermoed dat dit voor een groot deel ligt in het alomtegenwoordige parlando, dat aan de gedichten het ritme en de klankkracht ontneemt die ze tot stortende bergbeken of era’s meanderende stromen hadden kunnen maken, in plaats van kabbelende vijvers waarin niemand ooit een steen werpt.
Poëzie kan zoveel meer zijn: gesteente vergruizelende grondmonsters of ijlkreten uitslaande doorzichtige vogels, toverspreuken mompelende nachtdieren in voorwereldlijke spraakverwarringen of – Jaap Fischer indachtig – prinsessen die houden van kip met appelmoes en Esmeralda heten, maar ook luisteren naar Liesje. In Duizend versies klaar water geeft de geolocator vrijwel steeds dezelfde coördinaten aan en lijkt de plaats die vanwege een pandemie noodgedwongen tot voortdurende verblijfplek werd, ook lang na het opklaren van de lucht en het weer bereikbaar worden van de horizon, ondanks de open deuren en ramen niet verlaten te willen worden.
Dat blijft stilstaand water.
____
Dorien De Vylder (2026). Duizend versies klaar water. Uitgeverij Pelckmans, 80 blz. € 22,00. ISBN 9789462349629




