Transformeren zonder regenboogvlag
door Jac Jansen
–

–
Een fris geluid komt van de dichter Bo Vanluchene, die toch al aardig wat sporen lijkt te hebben verdiend: nominaties voor de Zeef Poëzieprijs en De Gedichtenwedstrijd en bekroning door (onder meer) Doe Maar Dicht Maar. Dat schept verwachtingen. Of deze verwachtingen worden waargemaakt met de bundel De Transformatiemachine? Dat is persoonlijk. Om een tipje van de sluier te lichten: mijn leeservaring was er een van overwegend positieve indrukken. Deze varieerden van ‘beetje gemakzuchtig’ tot ‘ronduit briljant’.
De bundel vormt een overwegend samenhangend, toon- en stijlvast geheel, over opbouw en structuur is goed nagedacht. De Inhoudsopgave is vervangen door een ‘gebruiksaanwijzing’, verdeeld in vijf ‘stappen’. De stappen zijn genummerd en dragen ook titels: ‘WEES JEZELF’, ‘VERANDER’, ‘ERROR’, ‘STOP’ en ‘OPNIEUW’. Stap 4: ‘STOP’ is overigens leeg. In deze ‘gebruiksaanwijzing’ zie ik aardig wat reeksen van twee of drie verzen met dezelfde titel. Dat verstevigt de indruk van coherentie.
Uiteraard is de inhoud net iets belangrijker dan de vorm (als we de oude discussie ‘vorm of vent’ even buiten beschouwing laten); al speelt de vorm toch ook een prominente, ondersteunende rol in deze verzameling gedichten. Zoals: veel afwisseling tussen lange en korte versregels en strofen, sporadisch doch effectief gebruik van rijm en klankherhalingen binnen een gedicht. De bundel zelf heeft een mooi groot formaat dat ruimte geeft aan de teksten. En deze inhoud is niet zomaar een inhoud, het is tevens een boodschap (en een ‘gebruiksaanwijzing’). Die begint, wellicht wat overduidelijk, op het omslag met de afbeelding van een ongeslachtelijk menselijk wezen in een cabine, omarmd door octopusachtige tentakels; ernaast een soort rooster waarop de symbolen van mannelijk en vrouwelijk met elkaar zijn samengesmolten. De tekst op de binnenflap begint zo:
Zij/haar/, hij/hem, die/hen?
De Transformatiemachine is de resultaten nog aan het verwerken.
Om vervolgens al deze voornaamwoorden door elkaar te gebruiken in de beschrijving van dichter en gedichten. Die flaptekst is meteen een proeve van de originaliteit, lenigheid en geestigheid waarmee Bo Vanluchene te werk gaat. Hier is geen amateur aan het woord maar iemand die weet wat je met taal kan bewerkstelligen. Het ligt er wel dik bovenop en dat kan enige afstand scheppen. Maar die overduidelijke boodschap schept ook eenheid en samenhang. De lezer wordt niet aan zijn lot overgelaten maar krijgt onder de neus gewreven: dít is waar deze bundel ‘over gaat’, take it or leave it.
Het openingsgedicht is getiteld ‘haar handen, haar handen’. Het is, onder meer, een liefdevolle ode aan de moeder die zonder omwegen leidt tot reflectie op het eigen, fluïde zijn. Ik citeer de tweede van vier strofen:
toen ik in haar handen lag als warme was
waarom kreeg ik zo anders vorm
waarom ontstond zo’n zonderlinge schepping
uit haar aard, uit haar gaven
waarom zijn mijn handen zo verzwaard
dat ik wel moet graven
waarom sinds zij mij losliet
zoek & zoek ik haar vingerafdruk
om mij te ontgrendelen
waarom vind ik haar niet
Dit is, zoveel mag duidelijk zijn, het begin van een queeste. Over wat het betekent om niet te passen in het lichaam waarin je geboren bent. Over al die tussenstaten tussen de polen m/v. Over wat je teweegbrengt wanneer je de oversteek waagt te maken naar een andere sekse. Bo’s gedichten zijn doorleefd zonder zwaar te worden, diepgravend zonder speelsheid te schuwen. Denk je dat een gedicht over een onderwerp gaat, dan blijkt er vaak ook nog een ander thema te worden aangesneden. Het is een reis die overigens niet alleen fixeert op de ‘transformatie’ uit de titel, en die je als lezer misschien iets te snel geneigd bent te versmallen tot de geslachtsverandering. Het is veel breder dan dat. De tocht leidt ons van moederhanden naar het kind dat onder de tafel zat bij zijn grootouders, de telg die zijn al dan niet dementerende moeder bezoekt in het verpleeghuis, die zich voorbereidt op het feit dat haar afscheid nabij is. Ik citeer het hele gedicht op pagina 14:
–
de oermoeder die je ooit was
hangt als een te los vastgemaakte
vracht appels om je bekken
–
vluchtend voor de verpleegster
rollen tikkende klokhuizen
uit je rokken
–
je jaagt op, vraagt naar
het eeuwige leven
–
het is je niet gegeven
–
je bidt met handenvol rot
voor welke god
moet jij blijven hangen?
–
zonde,
vanaf de start al bitterzoet
–
& ik, vermomde bezoeker,
arriveer als een vorige versie van
mezelf, eva
–
& adam sluiten een
praktisch duivelspact:
–
jij doet alsof je mij nog herkent
& ik ook
–
ik loop door het rustoord,
doodlopende vertakking
uit jouw gaard
–
& terwijl de slang
door je aders glijdt
ben je zo ellendig blij
–
dat ik niet durf te zeggen
dat je morgen
dat je liefst altijd
–
weer wakker wordt
Vrijwel alles wat deze bundel te bieden heeft, zie ik terug in dit knappe gedicht. De speelse paradox, de meerduidige vondsten (‘tikkende klokhuizen’), verruiming van betekenis door isolatie (‘zonde, / vanaf de start al bitterzoet’), het prominent gebruik van het &-teken, de ellips, de onverbloemde emotie, de ik in relatie tot de ander. Humor, drama, spel, relativering, ernst – die je ook aantreft in de veelzeggende titels van cycli ‘transgender zwemuurtje’ en ‘in mijn broek’.
In stap 3: ‘ERROR’ gaat het over het grotere maatschappelijke thema’s, wereldpolitiek, God, oorlog en corona (maar ook aliens). Deze afdeling vind ik het minst overtuigen. Goed dat deze onderwerpen aandacht krijgen. Belangrijk, maar hoe schrijf je daarover zo dat het beklijft? Soms is het allemaal wat obligaat of gemakkelijk. Neem de eerste van strofen van ‘not a survivor’s guilt’ op pagina 41: ‘ik doneer vanuit de zetel / asociaal vangnet / in namaakleer’. En de laatste regels: ‘misschien is dan juist mijn grote geluk / het schuldgevoel van een luilekkerende ander’.
Alle speelsheid kan het overbrengen van de urgente boodschap in de weg zitten. Bij mij werkt bijvoorbeeld het veelvuldige gebruik van ‘&’ en oprispingen van virtuositeit soms ergernis op. En dat mag, zolang ik maar niet word afgeleid van wat deze verzen willen zeggen. Dat is namelijk een belangrijke, gelaagde boodschap van verdraagzaamheid, een ode aan de speelsheid en flexibiliteit, ruimdenkendheid en nog zowat deugden die we node tekortkomen in deze barre jaren. Dat Vanluchene dit met zoveel schijnbaar gemak (en vrijwel zonder belerend of drammerig te worden) kan verwoorden, dwingt mijn bewondering af.
Deze dichter komt naar mijn smaak het sterkste uit de hoek wanneer zij/hem/hen dicht bij zichzelf blijft. Neem dit subtiele pareltje:
–
Ik ben een nautilus, eeuwig weekdier
levend in de laatste living van mijn
schelp, schitterend spiraal
van kleinere & kleinere
kamers rond mijn as
waarin
ik
niet meer pas
maar nog steeds
sleep ik ze mee, licht
liggend in het koraalrif
van een zee met ruimte
voor groei in overvloed
Conclusie. Deze bundel is noodzakelijk, vermakelijk, ontroerend, actueel, urgent, soms wat gemakzuchtig en springerig, maar met meer dan genoeg fraaie versregels en vondsten die beklijven. Het overstijgt het individuele en brengt de worsteling van een hele bevolkingsgroep voor het voetlicht. Ontkracht daarbij het zwart-witte beeld dat helaas weer opgeld doet onder hen die zich ‘anti-woke’ noemen. Transformatie beperkt zich niet tot een wisseling of nuancering van geslachten, en zeker niet tot de LGBTQ+- doelgroep. Er hoeft dus geen regenboogvlag op dit omslag. Het leven van elk van ons transformeert constant, verandering is een essentieel kenmerk ervan. Mede daarom, maar vooral om het pure plezier van de hier getoonde lyriek, gun ik deze bundel vele lezers, hoe klein het bereik van de poëzie ook is. Om te eindigen met nog een citaat uit de flaptekst-intro: ‘Bewegen we naar verbetering.’
____
Bo VanLuchene (2026). De transformatiemachine. Uitgeverij P, 72 blz. € 19,50. ISBN 9789464757989



