door Hans Franse
Een van mijn oudste vriendinnen schonk mij voor mijn verjaardag een gedichtenbundel van de elegische dichter Tibullus, die leefde van ca. 54 -19 voor Christus. De vertaling en samenstelling is van de hand van Mieke de Vos. Het is een plezierige bundel, die een beeld geeft van een dichter die het geluk van het platteland proefde, naar Rome trok en zich als een uitbundig dichter gedroeg. Mieke de Vos noemt dit gedrag het ‘persona’ van de dichter, het masker waarachter hij zich verborg en dat weergaf wat hij wilde zijn. Maar we weten zo weinig van Tibullus af dat men geneigd is zijn levendige poëzie op te vatten als biografisch, wat naar mijn gevoel gevaarlijk is om te doen, juist vanwege dat opzettelijk gecreëerde masker.
Zeker als we ook nog weten dat Julius Caesar land afnam van zijn familie om te verdelen onder zijn soldaten in de burgeroorlog, dus die uitbundigheid klopt misschien ook niet. Zijn poëzie sprak mij aan vanwege een modern gevoel van onthechting, ambiëntalisme en pacifisme. Ook dit is gevaarlijk, maar elke lezer mag in poëzie lezen wat hij wil. Bij elegische dichters, dus ook bij Tibullus, vinden we veel liefdespoëzie vol verdriet zowel over jongens als meisjes.
‘Slavernij en een vastberaden meesteres zie ik voor me,
vrijheid, erfgoed van mijn voorgeslacht, vaarwel!
Een triest bestaan als slaaf ligt voor me, vastgeketend,
Amor maakt de boeien van mijn ongeluk niet los.
Of ik het verdien of onschuldig ben: hij zet me in brand,
ik sta in brand, wrede vrouw, doe die fakkel weg…..
of dit pacifistische gedicht, dat misschien met die ingreep van Julius Caesar te maken kan hebben:
Welke man ontdekte als eerste het wrede zwaard?
Een wilde, echt een man van staal.
Op dat moment zijn oorlog en strijd geboren,
vond de weldadige dood de kortste weg…..’.
Wat verder zoekend naar elegische dichters vond ik naast Ovidius ook Sextius Propertius (ca. 50 v. Chr. -15 na Chr.), een dichter die vlakbij mijn Italiaanse woon-/werkplek leefde. Onder de mooie kerk van Santa Maria Maggiore in het wat lagere deel van Assisi ligt ‘het huis van de dichter’ waarvan men aanneemt dat het de woning van Sestio Properzio (Propertius)is. Deze dichter uit een aristocratische familie trok op zijn 20e jaar naar Rome nadat zijn vader vermoord was in de zogenaamde oorlog van Perugia tussen de partijen van Octavianus en Marcus Antonius. Hij kwam terecht in de kring van Mecenas. Daar ontmoette hij Vergilius en Ovidius maar vooral Hostia, een rijke Romeinse matrone, op wie hij verliefd werd: in zijn poëzie heet ze Cinzia. Dankzij zijn poëzie weten we ook hoe Assisum eruitzag en kon de Archeologische Academie van de Subasio, -Assisi ligt op de helling van deze berg-, dit huis opgraven.
Uiteraard wilde ik ernaartoe. Het werd mij afgeraden: in de basiliek van San Francesco waren zijn botten, het skelet was zo goed als mogelijk gereconstrueerd, tentoongesteld en 200.000 tot 300.000 mensen bezochten de basiliek, allemaal natuurlijk met de auto. Het schijnt vreselijk te zijn geweest in dat mooie oude stadje met die smalle straten en hellingen.
–
Toen de tentoonstelling voorbij was ben ik naar mijn geliefde Assisi gegaan, dat nog steeds geweldig druk was: honderden pelgrims, keurig en gedwee achter de gids aan, passeerden elkaar op het mooie plein en in de smalle steile straat naar de basiliek. Ik hoopte dat het bij die andere kerk op een lommerrijk plein wat rustiger zou zijn. Maar ook hier was het druk. Hier ligt namelijk het lichaam opgebaard van de heilige Carlo Acutis, de tot patroon van het internet gemaakte jongen van 15 jaar die aan leukemie overleed in 2006 en onlangs door deze paus, na een onverklaarbaar wonder, heilig werd verklaard. Zijn ietwat knullige bidplaatje vertoont een jonge knaap met een aureool van goud, een kelk en een laptop in zijn hand.
–

–
Ik hoorde snikken in de kerk, hardop bidden. Ik ben langs de kist gelopen en zag een jongen die er meer uitzag als een beeld uit Madame Tussaud, wat wel klopte, want het lichaam moest opgegraven worden en gereconstrueerd. Ik had een gevoel van voyeurisme. Gelukkig was er een fotografie-/video-/telefoonverbod wat nog iets rust gaf. Ik ben naar de nieuw ingerichte boekhandel gegaan en heb gevraagd waar de ingang van het Domus Sesto Properzio was. De verkoopster moest even denken en raadde mij aan naar de VVV te gaan; die scheen excursies te organiseren. Verder raadde ze de tuin aan waar een beeld van Santo Carlo stond met en bij Jezus. Ik ben er niet heen gegaan. Toen ik buiten kwam zag ik een hond uit de fontein drinken: water en leven horen bij elkaar.
–
Umbria, het gewest waarin dit alles zich afspeelt, is een prachtig groen, zacht land met een bijna spirituele sfeer; veel van mijn bezoekers schrijven dan ook in mijn gastenboek ‘…et in Arcadia ego..’ waarmee ze willen aangeven dat mijn berg bijna een paradijs is: het betekent dat ze ook in dit Arcadië waren en dat het geweldig was: het leven is er goed. Arcadia was eigenlijk een stukje van de Peloponnesos, dat bij Vergilius een land van vrede werd, pastoraal geluk, een land van melk en honing. Goethe gebruikt die uitdrukking als motto voor zijn ‘Italienische Reise’
Eigenlijk is die betekenis onjuist. Misschien ligt Carlo Acuto juist daarom in Assisi. De uitdrukking verwijst naar de dood, die je ook in het mooie, vreedzame Arcadië kunt treffen. Je vindt het veel op grafstenen’…et in Arcadia ego’. Dat had men misschien ook op de kist van Carlo Acuto moeten schrijven: hij wilde zelf in Assisi begraven worden. Hij rust nu in zijn Arcadië.
foto’s © Hans Franse
–



