‘Schrijven is mijn leeflijn zeg ik altijd maar.’
door Alja Spaan
Jacobus Bos (1943) debuteerde in 1969 met de verhalenbundel Ik ga voor niemand uit de weg en publiceerde vervolgens diverse verhalen. Zijn werk verscheen in diverse tijdschriften. In 1974 ontving hij de Anna Blaman-prijs..
In 1987 debuteerde hij als dichter met Mijn blauwe evenbeeld. Deze bundel werd genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Sinds Wie vliegt die vliegt (2002) publiceerde hij acht dichtbundels bij Wereldbibliotheek. Vervolgens verschenen de bundels Een omgekeerde wereld (2025) en Als de nacht de zee wordt (2026) in eigen beheer. Momenteel werkt hij aan zijn dertiende bundel Ver verwijderd van dichtbij.
Je debuteerde als dichter in 1987. Dat betekent in 2027 een 40-jarig jubileum plus feest, of?
Voor mijn gevoel debuteerde ik in 1978, toen ik werd uitgenodigd om op Poetry (Inter)National te lezen. Ik werkte destijds bij de Rotterdamse Kunststichting en had mijn allereerste gedichten daar laten lezen. Bij toeval(?) kreeg Remco Campert ze te zien. Hij had verhalen van mij in de laatste nummers van het legendarisch tijdschrift Podium geplaatst en naar de Bezige Bij gehaald voor mijn verhalenbundel. Dus stond ik daar tussen alle Groten der Poëzie. In mijn hemd, zoals ook in een krant stond. Blijkbaar onvergetelijk zo, want jaren later herinnerde Hans Faverey mij op die manier. Ik had een hemd aan van mijn vrouw onder een keurig colbert. Maar omdat het zo heet was in de Doelen, had ik dat uitgedaan. Toen ik werd opgeroepen, was ik zo confuus dat ik zo naar het podium rende. En daar stond ik dan. In mijn hemd.
De jaren ’80 waren ’n beetje mijn gloriejaren. De tijd van de hermetische dichters. Volgers van Faverey, waar ik er een van was. Ieder jaar werk in De Gids en De Revisor.
In die sfeer had ik Mijn blauwe evenbeeld herschreven. Het was mijn tweede bundel. Ik heb het geweten! In een recensie in de Elsevier stond 7 maal de naam Faverey en niet één keer de mijne. Terwijl alleen de stijl op hem leek. Inhoudelijk hadden we niks met elkaar. Twee jaar later verscheen De zon verbergt de oceaan niet. Die regel kwam uit Moby Dick in de vertaling van Werumeus Buning, de aloude dichter.
Mijn blauwe evenbeeld werd meteen genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Wat had dat voor gevolgen voor je dichterschap?
Ja, dat had overeenkomst met waar ik werkte, want die prijs kwam daar vandaan. Kees was er een graag geziene gast. Vandaar die naam voor die prijs na zijn dood. Mijn bundel deed er de ronde en van het een kwam het ander. Volgens mij zijn alle andere gegadigden ook nog steeds bezig, na al die jaren. En wat had het voor poëtische gevolgen? Niks. Mijn bundels waren bij Veen uitgevers verschenen op voorwaarde dat er proza zou komen. Jaren heb ik aan twee romans gezwoegd, die allebei werden afgewezen. Ik bleek geen romanschrijver te zijn! Uiteindelijk kwam mij ter ore dat Wereldbibliotheek een poëziefonds ging opzetten. Geïnspireerd door de helaas jong overleden dichter en literator Hans Groenewegen. Ik stuurde mijn echte eerste bundel in en die verscheen toen als Wie vliegt die vliegt. En daar ben ik twintig jaar gebleven, met acht bundels.
Onlangs bracht je een nieuwe bundel uit, Als de nacht de zee wordt. In februari besprak Paul Roelofsen op Meander de bundel Een omgekeerde wereld van november 2025. Wat geweldig dat je nog zo productief bent, hoe doe je dat?
Ach, wat moet een mens anders met zijn bestaan? Er is weinig dat mij interesseert en als oude man heb ik de tijd. Nog wel althans. Schrijven is voor mij, denk ik, een vorm van leven geworden. Leven in mijn eigen wereld. Een wereld die ik zelf maak. Kom daar maar eens om in het echte leven, in de echte wereld. Wat en waar dat ook moge zijn. In veel van mijn werk wordt gereisd. Dus reis ik. Een reis die ik maak en die vooral zichzelf maakt. Al reizende gebeurt er van alles waar ik de hand niet in heb. Het woord is altijd aan het gedicht. Wat dat wil. Wat dat doet. De gedichten die ‘uit het niets’ komen, zijn vrijwel altijd de mooiste. De origineelste. Zelf probeer ik ook geregeld van alles te maken. Vanuit een inval. Of puur omdat ik op dat moment een gedicht wil schrijven. En als dat niet gaat zoals ik zou willen dat het gaat, dan kan ik blijven doorgaan. Ploeteren, verbeteren, zwoegen. Tot ik doorhad dat het vanaf het begin helemaal niks was. En dan gaat het eindelijk weg. Opluchting. En maar al te vaak een nieuw gedicht cadeau, dat zomaar wel goed is. Knutselgedichten noem ik de mislukkingen, die ook nog tevoorschijn kunnen komen, als ik in de volgende fase alles uitzoek en corrigeer. Kortom, verbeten en soms tegen wil en dank doorgaan. We moeten de leegte kleur geven, heeft Camus ons geleerd.
Paul Roelofsen meent dat de titel van je bundels verwijzen naar je dichterlijke vrijheid. Zit daar ook een behoefte in het ‘anders te doen dan een ander?’
Ja, als je een kind van de jaren 60/70 bent, dan ben je anders, denk ik. Uit die benauwende 50er jaren was de tijd van de hippies een verademing. Al was veel overdreven vond ik. En helaas was alles van korte duur. Drugs en de commercie brachten alles om zeep. Maar het is en blijft een onvergetelijke tijd. Voor mij betekende het vooral de Verbeelding aan de Macht. Je kon en mocht werkelijk alles doen. Hoe gekker hoe beter. Ook een reactie op het benepen verleden natuurlijk. Je kon jezelf ontwikkelen zoals je wilde. En dat heeft mij nooit verlaten. Die ruimte voor je geest. In vroege recensies van mijn werk kwam dat woord tevoorschijn. Verbeelding! Schrijven kon ik. Maar wat ik maakte, bleef in eenzelfde soort raadselen gehuld als mijn huidige werk.
Zelf sta ik er soms ook van te kijken, wat er allemaal op papier komt. En zo ben ik mij blijkbaar verder gaan ontwikkelen in de richting waarin het ging. En nog gaat!
een rivier en verlevendigd
–
met de val van Icarus.
Het absolute vallen van een zoon
van een steen die men streelt
–
een steen uit heldere hemel.
Een steen die de zee niet breekt.
–
Wie vliegt die vliegt
die kan en zal niet wederkeren.
Wie vliegt die vliegt
–
even onbeweeglijk en eeuwig als
een steen in de zon onder water.
–
–
uit Wie vliegt die vliegt
Wat betekent dichten voor je? Kun je vertellen hoe je ertoe kwam? Voordat je als dichter doorbrak, schreef je verhalen die ook beloond werden, je kreeg in 1974 de Anna Blamanprijs. Verhalen maakte je vanaf 1969. Kun je in poëzie meer jezelf kwijt?
Het klinkt misschien niet erg netjes, maar ik ben poëzie gaan schrijven van ellende. Ik had niks meer in die tijd. Deed niks meer. Behalve dat ik in 1978 naar Meursault ging om te bewijzen dat die naam uit De vreemdeling van Camus voortkwam uit de gelijknamige wijn. Vanaf mijn zestiende ben ik begeesterd geweest door Albert Camus. Toevallig gebeurde dat vlak voordat hij verongelukte. Ik herinner me nog dat ik het in de krant las en hoe geschokt ik was. Net de man ontdekt en nu was-ie dood. Maar goed, hij intrigeerde mij en uiteindelijk zag ik ergens dat hij de naam Meursault gebruikte toen hij bij vrienden wijn kreeg uit die gemeente. Voor die tijd noemde hij zijn hoofdpersoon Mersault, wat een combinatie was vanmère en mer en/of sol en soleil. Ik fotografeerde daar alles waar de naam Meursault op stond en maakte er met wat toepasselijke teksten en een toelichting en behulpzame vrienden een boekje van en stuurde dat in het rond. Het meest trots ben ik nog altijd op een brief die ik van Geert Lubberhuizen (ooit mijn uitgever) kreeg, die om nog een exemplaar vroeg, omdat hij het zijne in Parijs aan W.F. Hermans had gegeven. Later dook de wijn op als bewijs in een artikel van Hermans, ik meen in de NRC. In datzelfde jaar heb ik dus de poëzie omarmd en de liefde blijkt nog steeds wederzijds.
Paul Roelofsen zegt in zijn recensie dat je ‘niet alleen met tijd en vertes speelt en solt maar ook met de werkelijkheid’. Geldt dat voor alles om je heen? Maak je het liever mooier? Beter?
De werkelijkheid, ja. Wat dat ook moge zijn. Als je met je snuit op de grond valt, dat is de werkelijkheid. En ik doe dat liever niet. Maak liever mijn eigen wereld. Woorden en vooral ook beelden. Liefst groots. Zee, woestijn, hemel, zon. Grote woorden, alsof de aarde in mijn binnenzak past. Ik hou van ruimte in de gedichten, hoe strak ze ook op papier staan. Wie leest die reist bij mij. Zoals ik zelf al schrijvende reis. In mijn eigen wereld. Hoewel de buitenwereld wel degelijk invloed heeft. Op mijzelf. En op mijn werk.
Ook zijn slotregel is wellicht een trefzekere conclusie van je poëzie, ‘voor wie zich kan ontdoen van het dwangidee dat poëzie zich dient te conformeren aan ‘hoe het hoort’ kan het lezen van deze bundel een boeiende ervaring zijn.’ Wat levert die ‘boeiende ervaring’ jou op?
Wat is boeiend. Ik vind het prachtig om een mooie analyse van mijn werk te lezen. Schrijven is vooral werk. Bloed, zweet en tranen. Of zoiets. Maar vaak gaat het zo soepel, dat het is of het zichzelf heeft geschreven. En dan begint het echte werk. Opdat het anderen kan boeien. Dat boeit mij vooral! Dat mensen en liefst mensen met kennis, mijn werk lezen en zich daar zo in verdiepen dat ze de bron lijken te zien die ik zelf niet eens ken. Ja, dat maakt het dus boeiend.
In de recensie op Tzum (Dietske Geerlings) over deze bundel stelt zij dat ‘een van de grootste angsten van de mens is: stilstaan, omdat je weet dat je dan gaat voelen dat je nauwelijks te stoppen bent.’ Is poëzie schrijven precies dat?
Dat is poëzie zeker voor mij. Mijn vrouw kent me niet anders dan met papier en pen of achter de laptop. Schrijven is mijn leeflijn zeg ik altijd maar. Zonder schrijflust/schrijfdrang weet ik niet wat er van mij geworden zou zijn. Sinds ik op jonge leeftijd Van Gogh ontdekte, wilde ik kunstenaar worden. Ben naar de academie geweest. Moest je elke dag gipskoppen natekenen. Stoffige koppen uit de oudheid. Ik werd daar bevriend met Jacob Zekveld. Hem werd aangeraden om de academie te verlaten, omdat ze zijn talent niet wilden verpesten. En dat was zo, want in korte tijd had hij zichzelf ontwikkeld tot een toonaangevend kunstenaar. Vooral door hem ben ik gaan schrijven. En ook omdat het goedkoop was vergeleken met alle verf en canvas dat je moet aanschaffen. En nu schrijf ik dus al zo’n zestig jaar. Vrijwel elke dag. Vaak komen de gedichten vanzelf en dan moet je wel. Opschrijven en er dikwijls nog wat aan knutselen. En de tijd zal zeggen of het goed is.
In een oude recensie op Meander schrijft Aede de Jong dat de diepte van je poëzie zich pas na vele lezingen blootgeeft. Schrijf je met de lezer in gedachten? Of schrijf je voornamelijk voor jezelf?
Dat was een mooi en leerzaam verhaal. Net als dat van Paul Roelofsen trouwens. Indrukwekkend dat mensen zoveel tijd en energie in je steken om al die gedichten te doorgronden. Plus alle drijfveren des dichters. Zelfs voor mij was het verhelderend, omdat ik, zoals ik al eerder benadrukte, veel van die gedichten krijg toegediend en het voor mij ook dikwijls een verrassing is dat zoiets uit mijn pen/toetsen kwam. Het echte zware werk is, zoals ik ook al opmerkte, om het tot een goed einde te brengen. Dus ja, het is en blijft mijn eigen arbeidstherapie. En daarna ligt het woord bij de lezer. Hopelijk.
–
Toen onze hartstocht nog in leven was en wij
elke dag opnieuw de oerknal lieten galmen
in het heelal waar wij twee planeten waren
die in elkaar opgingen als een zon en een maan
of een schip en een zee waar het schip op deinde
–
en we slaolie in elkaars haren wreven en over
ons lichaam tot we gladder waren dan slangen
die zich in en om elkaar wrongen en wikkelden
en zelfs de tijd geen grip op ons kon krijgen
–
zodat alles wat we deden een eeuwigheid duurde
en we telkens een beetje onsterfelijker werden
als een berg te midden van hemel en sneeuw
met een rotsvast vertrouwen in zichzelf
–
en in ons die zijn stenen bondgenoten waren
en vurig als lava de lucht in werden geslingerd
en het water van de zee lieten stomen en sissen
tot de aarde zich sidderend voor ons opende
en wij de kern waren waar elk leven om draaide.
–
–
uit Als de nacht de zee wordt
Wat maakt een gedicht goed?
Dat bepaalt het gedicht uiteindelijk zelf. Voor mij is de dichter het medium tussen gedicht en gedachte. Als het op papier staat, moet het zichzelf nog bewijzen. Van Hans Faverey weet ik dat hij het hardop voorlas met gekke stemmetjes. Zelf probeer ik het gedicht, in geval van twijfel, waar ik erg goed in ben (Hans Groenewegen blijkt ooit gezegd te hebben: als er iemand is die aan Jacobus Bos twijfelt, is het Jacobus Bos), om zowel vorm als inhoud te veranderen tot de originele tekst de enige goede blijkt te zijn. Bewijs uit het ongerijmde, zoals ik ooit in mijn HBS-tijd heb geleerd.
In het stadsarchief Rotterdam vond ik een foto van een jonge dichter op het Boekenfeest, 17 maart 1990, bij de overhandiging van het eerste exemplaar van Rotterdam Gehakt Uit Marmer. Wat betekent Rotterdam voor je?
Geboren en getogen in Rotterdam, ja. Rotterdamse dichter geweest, lang geleden. Ik kom er alleen nog als ik naar de tandarts moet. Wat het dubbel akelig maakt. De stad betekent voor mij vooral mijn jeugd. Gek op de haven. Diergaarde Blijdorp. Verder betekent die stad niets meer voor mij. Nostalgie, dat wel. En herinneringen en ervaringen die in mijn werk opduiken. Heb in de havens gewerkt. Kort. Ben zeeman geweest. Eén enkele reis. Al die dieren in mijn gedichten leren kennen in Blijdorp. Woonde er dichtbij. Voor mij werd elk dier gewoon, als een hond of kat. Dat tekent kennelijk het gemak waarmee ze in mijn werk aanwezig zijn. Rotterdam betekende beroemd willen worden en dronken in De Fles of bij meneer Pardoel.
–
Zo kijkt hij soms naar zijn vader.
Man die aan elkaar werd gelijmd en zo
de tijd heeft weten te doorstaan
–
in weer en wind hardleers gebakken
tot weerbarstig aardewerk vol barsten.
–
Een pad vol karrensporen in de zon
waar mannen in kurassen marcheerden.
Gevolgd door honden met snuiten vol bloed.
–
Zijn vader die zijn eigen talisman is.
Van de ene wereld naar de andere
op voeten die de aarde amper raken.
–
Verhalen jagen elkaar na in zijn hoofd
alsof zijn vader ze uit de verte vertelt.
–
Een man met een zeis slaat een zijstraat in
Het gras geurt hartverscheurend.
Water glanst als een vacht in de nacht.
–
–
uit Wie de geest krijgt

