LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Sarah de Koning

16 jul 2026

‘Het reddende element van schrijven en vertellen draagt ook een zekere wanhoop in zich: zonder verhaal valt er niet te leven’

door Annet Zaagsma

 

Sarah de Koning (1992) is dichter. Ze woont en werkt in Gent. Haar poëzie verscheen o.a. in Het Liegend Konijn, nY, De Revisor, Tirade en op DIG. In het najaar van 2025 verscheen haar debuutbundel Tekstielen bij Uitgeverij Querido. De bundel werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs 2026, de C. Buddingh’s Poëzieprijs 2026 en haalde de longlist van De Grote Poëzieprijs 2026. De Koning won met Tekstielen tevens de Johan Polak Poëzieprijs 2026, uitgereikt aan de auteur van de beste Nederlandstalige dichtbundel van de drie voorafgaande jaren.

foto © Marianne Hommersom

 

Sarah, allereerst van harte gefeliciteerd met de Johan Polak poëzieprijs voor je eerste dichtbundel Tekstielen! In het juryrapport lezen we: ‘De bundel opent zich niet zomaar, maar voelt evenmin als een puzzel die gekraakt moet worden. Dat komt door de muzikale toon, het gulle vocabulaire en de stuwende compositie die vaart en spanning geeft.’ Je beschrijft de bundel zelf als: ‘Een verzameling miniaturen en observaties waarin allerlei vrouwenstemmen op verhaal proberen te komen, in de vorm van dagboeken, brieven, kattebelletjes, telefoongesprekken. Eigenlijk onafgewerkte open vormen.’ Kun je iets vertellen over hoe je bundel tot stand is gekomen?
De vorm en de opzet van Tekstielen is al schrijvende ontstaan; er was geen duidelijk, afgelijnd conceptueel plan, niet op voorhand. De bundel heeft zich gekristalliseerd in een soort taalspel van de liefde en begeerte. Ik merkte dat ik een vorm zocht die het open, onzekere karakter van deze passies in zich droeg, een vorm die toont hoe verlangen zichzelf naar buiten werpt, gulzig en gevend, hoe het sprekend ik zichzelf hierin verliest, hoe klanken kunnen transformeren naar liefde en geweld en weer terug. Zo kwam ik uit bij dergelijke onbeantwoorde, hoogst subjectieve schrifturen. Denk aan telefoongesprekken, onbeantwoorde brieven, dagboekaantekeningen. Het begon met Praagse brieven, een afdeling in dialoog met de dichter Marina Tsvetajeva. Uiteindelijk ontstond de vorm van de prozagedichten, de titel haakte hierop in, al schrijvende kwamen de motieven en de taal. Zo kreeg ik steeds meer zicht op waar ik heen wilde, wat ik wilde doen, maar de dichtbundel zelf heeft veel gedicteerd. De invloed van affect, lichamelijkheid en emotie op het ritme, en het taalspel dat daaruit voortvloeit, gaf een spanning aan het werk. Er ontstond een soort centrum dat alle gedichten naar zich toetrok.

Ook de gedichten zelf hebben voor mij een inherente, vormelijke logica: ritme en betekenis hangen samen. Bij ritme denk ik dan vooral aan een affectief, gesproken ritme: hoe klinkt een jachtige stem op papier? Wat is de toon van roddel, van afgunst? Woorden konden verhaspeld worden, syntaxis mocht op haar kop gezet worden, àls dit mijn ritme deed kloppen, als het met andere woorden voldeed aan die interne logica. Dit inherente ritme dat ik zocht creëert het taalspel, de textuur van de tekst.

Een soort beeldende én tekstuele machine werd op gang getrokken. Het was alsof ik de idee van de bundel achterna moest: ik wist wanneer het klopte, maar tot die tijd was het puzzelen, herschrijven, wilden de teksten maar niet gaan liggen. En wanneer het klikte, kon ik er eigenlijk niets meer aan veranderen. Het voelde als een soort strenge, maar gevoelsmatige grammatica. In haar vorm stelden de gedichten me in staat geen rekening te moeten houden met typische poëtische betekenisgevers zoals witregels, titels, enjambementen. Dat geeft een andere spanning aan een gedicht: een zekere gebaldheid en ademloosheid. Elk gedicht was daarom ook een oefening in het uitdagen van het fragment. Hoe open kun je een tekst houden, zonder dat ze ontrafelt? Elke tekst diende haar spanning en centrum te behouden. Anderzijds, hoe gebald kun je zo’n fragment houden zonder dat ze haar open, vragende karakter verliest? Elke tekst moest een hand uitsteken naar de volgende.

Hoe heb je in deze ‘verzameling onafgewerkte open vormen’ structuur en samenhang aangebracht?
Daarin lag uiteindelijk de grootste uitdaging. Enerzijds was er, voor mij, een enorme narratieve lijn in de bundel; ik dacht echt in scènes. Wie zijn, binnen één afdeling, de personages, waar bevinden deze zich, hoe verweef ik de leidmotieven zonder dat ze betekenis verliezen, wat is de emotionele staat van het lyrisch ik en hoe heeft dit invloed op het ritme? Deze narratieve, haast filmische lading die gepaard ging met het schrijven, dicteerde ook de vorm: ik hoopte elke afdeling een andere toon mee te geven, bijna als een genre-oefening in klank en beeld: noir, romance, maar ook kinderrijm, bijvoorbeeld. Daarnaast was het een echt weefwerkje: herhaling, motief, versplintering, reflectie. Dit mocht nooit vrijblijvend zijn. De ‘setting’ moest kloppen in elk gedicht, in de samenhang van de gedichten in de afdelingen, en tot slot hoe de afdeling zich verhouden tot elkaar. Die spanning, die balling waarover ik hierboven sprak, moest op elk niveau kloppen. Eén gedicht veranderen betekende vaak meerdere gedichten herschrijven, herwerken, verplaatsen.

Ik heb daarnaast ooit, initieel, gezocht naar de vorm van een bijenraat, de idee van de gedichten die om een kern draaien, ik hield van de structuur van zo’n kristallijnen, bijna wiskundige samenhang. De opzet werd me echter te beknellend en conceptueel, maar uit de prachtige bespreking van Gerbrandy blijkt dat het er toch in is geslopen – dat is dan eerder instinctief gebeurd, vrees ik. Maar het is mooi te zien hoe alle etappes tijdens het schrijven, alle twijfels en beslissingen, ook degene die ik geschrapt heb, toch hun plek hebben gevonden.

 

Omdat de langende avond de hete tuinen dichter tegen het raam trekt en de zon in de
contouren, lijzig als ijs, alsof die nacht nagenoeg een ingang was, een oorzaak om stenen in te
keilen; een schot een sentiment, een asem een trillende naald, tong in ondiepe konijnenkolen
of nertsen als tabakswolken. En dat het daar begon, evengoed: met een geur als gelaat en
meer dijbeen dan buik, waarop een schamele ziel geschoten werd en iemand die geest onder
de kraan spoelt tot het water verdunt; hoe kan ze zeggen dat haar mond in haar gezicht zo
zonk als een steen en geen spuug nog had om te kussen.


Tekstielen
bevat twee motto’s: ‘Voor een vrouw is het, begrijp dat dan, altijd Scheherazade’ (Renata Adler – Pikdonker). En: ‘Dit is alleen een stijloefening, ik vind je uit op papier’ (Patricia de Martelaere). Kun je deze twee motto’s toelichten?
Pikdonker van Adler is een prachtige roman over de nasleep van een liefdesrelatie. De aangehaalde zin uit het boek, die overigens vaak herhaald wordt in het werk, getuigt van de verschillende effecten van taal, zoals ik deze hoopte weer te geven. Scheherazade overleeft door te vertellen, dus het is een redding, maar ook een noodzaak. Het toont ook de noodzaak van vorm: hoe komen we op verhaal, en al helemaal na een cesuur? Hoe geven we structuur aan het vormeloze, het onbevattelijke? Het reddende element van schrijven en vertellen draagt ook een zekere wanhoop in zich: zonder verhaal valt er niet te leven. Dat een vrouw in een relatie echter steeds veroordeeld wordt tot deze Scheherazade te spelen – een ander sentiment dat doorschemert in deze zin – wijst op een bepaald inherent geweld waaronder de ervaren liefde gebukt gaat. Tot slot heeft het een bepaalde verleidelijke lading: hoe te verleiden met taal, met vertelling?

Ook Het onbeantwoorde antwoord van De Martelaere is een lievelingsboek. In deze uitspraak zit een interessante, ambigue spanning, die haar weerslag vindt in Tekstielen. De zin wijst op het onpersoonlijke karakter van hetgeen geschreven wordt, dat het geenszins een weergave is van een echte liefde, en dat er dus niet gezocht moet worden naar de schrijver en de persoonlijke hartstochten. Er zit een uitdagende, bijna pesterige klank in, een soort speelsheid. Anderzijds, in de manier waarop de geliefde hier aangesproken wordt, voel je ook een soort leugenachtigheid. Hier schemert wel degelijk gevoel door.

 

Ik moet zijn ogen nog leren drijven want hij heeft op grote schaal een bek die hij binnenbreekt
als water, spattend met adem en tand, en een knappe blik als een glimmende spijker die een
gezicht ophoudt; hij wist in holle bomen te graaien tot de elleboog en buiten en druipend met
wespen, of mooie vormen aan te nemen omdat ik vul en uitzet. Want wat leg je in zo’n dubbele
hand, die slordig is met gunst en gulzig schenkt aan een tafel waarop roze waterringen het
hout huwen, als je weet wat gegeven is kwijt is; waar het leven me uitbeet liep hij als zweet,
waar ik week duwde hij zodat ik gloeide met stolling en stilstond, en waar ik stilstond ging
uiteindelijk ik liggen.

 

Hoe kwam je aan de titel van je bundel?
Het woord ‘tekstielen’ las ik voor de eerste kee in het werk van Vlaams auteur C.C. Krijgelmans, het leek mij zijn manier om over talige, speelse teksten te spreken, teksten met textuur, met klankplezier. De term viel me te binnen toen ik uiting wilde geven aan mijn gevoel over Anne Carsons vertaling van Sappho (If not, winter). Sappho’s werk is onvolledig overgeleverd, vaak fragmentarisch. Carson maakt deze afstand zichtbaar door een gebruik van vierkante haken, ze duwt met haar interpunctie de afwezigheid naar de voorgrond en toont het geweld dat een tekst ondergaat, de littekens als het ware. De term bleef hangen en keerde terug tijdens het schrijven, het gaf vorm aan wat ik hoopte te doen met deze bundel, namelijk een gespleten affectieve ervaring zoals liefde dat is, de fysieke en emotionele omwenteling die dit teweeg brengt, weer te geven in taal. Hoe klinkt verlangen, wat is het effect van emotioneel exces op een gecontroleerde taal, in welke vorm kan ik dat gevoel van kwetsbare projectie, van willen, van gespletenheid, het beste weergeven? Het heeft ook een zekere vrouwelijke lading die ik fijn vind: ambacht, weefsel, vertelling.

Welke thema’s zijn volgens jou bij uitstek geschikt om poëzie over te schrijven en hoe zien we dat terug in je bundel?
Ik zou zeggen, geen thema’s, wel misschien de ervaringen die we niet kunnen weergeven in ons dagdagelijkse, wetmatige en narratieve taalgebruik: de ervaringen die zich, dus, verzetten tegen elke vorm van narrativiteit en rechtlijnigheid. Geweld, liefde, trauma, geloof, dood, verliefdheid, verzet, spiritualiteit, oorlog, noem het maar. De thema’s die bijna niet in taal passen, waar het lichaam, het leven, de ervaring in overlopen, de thema’s van exces, zij het prachtig exces of afschuw. Dat is hoe ik het ervaar, waarin ik de kracht van poëzie zie. Maar het is sowieso een beperkt antwoord.

De recensent van je bundel in NRC schrijft: ‘Een grote kracht van De Koning schuilt in hoe overtuigend ze beelden tevoorschijn haalt voor het oog van de lezer.’ Daarnaast beschrijft ze ‘de klankrijke beeldtaal, met archaïsche en beeldschone frasen.’ De recensie in Tzum benoemt o.a. het ‘vervreemdende woordgebruik in je bundel. Zijn deze omschrijvingen typerend voor jouw schrijfstijl?
Het zijn in elk geval blijkbaar manieren waarop lezers het werk ervaren, dus het is sowieso legitiem! Ik houd inderdaad van taalplezier, van klankspel en taalvermenging, dus het is fijn dat dit zo overkomt. Dat dit soms vervreemdend of archaïsch overkomt, vind ik absoluut niet erg. Deze taal is aangedikt door vroegere dichters, en oudere taal. Het is een resultaat van mijn schrijven, lezen, schrappen, leven, de voorgenoemde littekens en gelaagdheid van mijn taal, of tenminste, de taal zoals ik ze voor deze bundel nodig vond. Sommige delen van deze schrijfstijl zijn misschien heel eigen aan Tekstielen, ik weet nog niet in hoeverre de stijl zich zal herhalen in komende bundels. Maar klankrijke beeldtaal, daar kan ik moeilijk onderuit, instinctief keer ik daar steeds naar terug.

 

En toen het houden van, kogelstoten, loeiend en hete bal; het zilveren kruit was er als ik mijn
hart opentrok, het lekkend zwerk, suizend: mijn mond of taaie lach die zich als rubber over de
gasten in de kamer en fier met jouw blinkend zeepgezicht liep je de muur af, euforisch omdat
ik glibberig dronken de stoep op, weids van drank en de geslagen blos van de herfst, of krater
waar de rook uit kringt. Ten slotte spraken we elkaar door het blinde raam, toen aarzelend
door de deur, uiteindelijk ruggelings in het sjilpende kruid, de babbelende schaduw van een
boom overheen, waar de tamme konijnen holden als water, en veraf trok een loopse hond aan
haar ketting; ik rook haar, vastberaden wij beiden en richting jouw hand.


Op wat voor manier heb je als dichter je eigen stijl ontwikkeld, had je die al snel te pakken of is dat proces langzamer of experimenteler gegaan?
Ik vind het, zoals gezegd, erg moeilijk om al te spreken van ‘mijn eigen stijl’: deze bundel heeft haar stijl immers mee gedicteerd, al zal het ongetwijfeld enorme invloed uitoefenen op mijn verdere schrijven.  Maar de stijl van Tekstielen is het gevolg van een lang proces, meerdere jaren veel schrijven, veel schrappen, veel proberen; het is allerminst snel tot stand gekomen. Op een gegeven moment ging de taal zichzelf echter aanzwengelen, toen voelde ik dat de bundel vorm begon te krijgen. Opzet, stijl, affect en inhoud liepen samen met elkaar op, er was wederzijdse beïnvloeding.

Wat zijn je grootste inspiratiebronnen?
Andere boeken, in de eerste plaats, poëzie en proza vooral. Ik houd van Anneke Brassinga, Anne Sexton, Charlotte Mutsaers, Sylvia Plath, Ingeborg Bachmann, Astrid Roemer, Anne Carson, Patricia De Martelaere, zoveel auteurs. Daarnaast haal ik mijn beeldenhonger op bij films, Chantal Akerman vind ik geweldig, Krzysztof Kieślowski ook.

Wat voor rol speelt intertekstualiteit in jouw poëzie?
Schrijven ontstaat uit schrijven. J.F. Vogelaar noemde het ‘terugschrijven; dit ontdekte ik dankzij dichter Veva Leye, die er ook door beïnvloed is. Ik vind het mooi dat de erfenis van mijn eigen leeservaringen zich weergeeft in mijn teksten. Er zit in Tekstielen vaak een directe dialoog met andere auteurs, met de brieven van Marina Tsvetajeva en de dagboeken van Sylvia Plath onder andere. Het is een taalbesmetting die ik erg mooi vind. Het geeft een meerstemmigheid aan het werk, het maakt er expliciet deel van uit. Ik verplaats me ook graag in fictieve personages, in taal zoals die beleefd is door anderen, ik breng er graag een eigen voering in aan, een nieuwe laag. Intertekstualiteit heeft invloed op mijn thema’s, mijn beelden en taal; eerder gevoelsmatig, talig en narratief dan intellectueel. Ik vind het mooi dat een tekst haar handen uitstrekt naar andere, vorige en volgende teksten. Daar zit schoonheid in.

Wat betekent het winnen van deze prijs voor jou, denk je dat er daardoor iets wezenlijks gaat veranderen in je dichterschap?
Ik ben ongelooflijk dankbaar en ontroerd, dat is het overheersende gevoel. Behalve een enorme bekroning voor het werk en de ambitie die in Tekstielen is gekropen, is het een prachtige aanmoediging voor mijn dichterschap, één die ik nooit had gedroomd. Of het iets wezenlijks gaat veranderen, dat denk ik niet, dat hoop ik ergens ook niet. Ik hol nu hopelijk achter de volgende bundel aan, en ga het gevecht aan met haar vorm, haar taal. Ik hoop dat elke bundel die ik zal schrijven het beste is wat ik op dat moment kan schrijven, dat beoog ik. Hard werken, blijven schrijven, kritisch, dankbaar en met overtuiging publiceren.

     Andere berichten

Interview Annemie Deckmyn

'Standhouden in de mallemolen' door Wim Vandeleene     foto © Damon De Backer   Over moederschap, woorden die verzorgen en...

Interview Harrie Lemmens

'over Pessoa's Faust: een drama in dichtvorm' door Sander de Vaan   Fernando Pessoa (1888–1935) geldt als een van de grootste...

Interview Miel Vanstreels

‘Schrijven is voor mij altijd al een manier geweest om alles wat er in mezelf en om me heen gebeurt voor mezelf helder te krijgen.’ door...