LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Annemie Deckmyn

2 jul 2026

‘Standhouden in de mallemolen’

door Wim Vandeleene

 

 

foto © Damon De Backer

 

Over moederschap, woorden die verzorgen en de vakantie van de filosofie.

Sommige stemmen bloeien laat. Dat bewijst dichter en voormalig leerkracht Annemie Deckmyn. Na een bewuste focus op haar gezin met vijf kinderen en een loopbaan in het onderwijs, verraste ze in 2018 met haar debuut Alles gebeurt onderweg. Ook met haar tweede bundel, Storm na storm, bewees Annemie dat ze de kunst van het weglaten beheerst. Haar poëzie is klassiek, kernachtig en ontwapenend toegankelijk.  Met weinig woorden weet ze de breekbare mens te raken. Vandaag schuift ze bij ons aan voor een openhartig gesprek, onder meer over haar nieuwste telg Mal.

 

foto

Welkom, Annemie. Wat houdt jou zoal bezig als de pen rust?
Meestal ben ik vroeg tot zeer vroeg uit de veren. Ik verveel me nooit. ‘En houd uw huis in stand gelijk altijd’ is een vers dat me onmiddellijk te binnen schiet uit een gedicht van Ida Gerhardt Kwade dagen, een overigens pijnlijk-mooi ietwat misantroop gedicht. Het is me vaak nuttig geweest in mijn eigen kwade dagen. De dagelijkse gewone dingen omvormen in betekenisvolle dingen. Het leven omarmen in wat op je pad komt. Het is goed een bepaald ritme aan te houden in het volbrengen van allerlei zaken, de dagelijkse routines, het watergeven aan de planten, onderhoud, boodschappen, het eten bereiden. Ik waardeer zeer zeker het gewone. Wat velen zouden omschrijven als saai. Voor mij is dit een evenwicht zoeken in de complexiteit van de dingen. Je hebt minder te sturen in het leven dan je denkt als je jong bent. Wanneer ik niet bezig ben dan lees ik, ga wekelijks zwemmen, wandelen en een namiddag naar de Spaanse les. Ik geniet van ontmoetingen met kinderen, schoonkinderen, kleinkinderen, vrienden, buren…
En als het meezit plan ik ook schrijven in.

Betekenis vinden in de dagelijkse routine. Ik ga vanavond met een heel andere blik naar de berg afwas kijken. Waar blijf je jouw energie halen?
Ik krijg de meeste energie van woorden. Een goed boek, artikel, gesprek, quote, vers… Ik krijg daar vleugels van. Dat wil ik bewaren, koesteren. Dat inspireert, stimuleert, troost, opent mijn blik.
Ik erger me dan ook als er iets hapert in de taal, communicatie, woorden die te hard binnenkomen of vertrekken uit mijn mond. Ik zit niet om woorden verlegen maar ben niet bedachtzaam genoeg bij het uiten ervan.

Herkenbaar. Hoe taal vleugels geeft maar ook een bron van ergernis kan worden wanneer het hapert. Wat betekent schrijven voor jou?
Wanneer ik schrijf geniet ik van de totale focus, heb geen notie meer van tijd, een soort van zaligheid. Ik denk dat men dat omschrijft als ‘flow’.
Ik ben schrijvend (en lezend) het dichtst bij mezelf. Voel me thuis in de taal. Omring me letterlijk met boeken. Ik hou van bibliotheken. Boeken mogen rondslingeren of geordend zijn op kleur. Ze mogen alles van me.
Zodra ik kon lezen en schrijven is het zo geweest. De rand van de krant waarop ik als vijfjarige de letters overschreef: ik denk dat het daar begon…
Ik schreef briefjes naar mijn vader als ik naar bed moest voor hij thuiskwam. Ik schreef naar vriendinnen. Ik had ‘pennenvrienden’. Later, in de puberjaren hield ik een dagboek bij, schreef naar anderen, wachtte op brieven. Liefdesbrieven ook. Bladzijden en bladzijden per post verstuurd.
En ik las veel, zeker vanaf de puberteit: tijdens saaie lessen, in bed, in de kerk, op reis.

De tastbare liefde voor het geschreven woord zit dus diepgeworteld, van de eerste letters in de rand van de krant tot liefdesbrieven. In de taal kom je thuis. Het fundament was al vroeg gelegd. Wie of wat heeft jou aangezet tot schrijven? 
Mijn moeder las me voor bij het naar bed gaan en stuurde me ook naar de bibliotheek.
Verhalen van mensen maakten al vlug indruk op me. Ik volgde jaren dictie en voordracht aan de academie.
Bovendien dan wekelijks en tot vervelens toe de bijbelverhalen aanhoren in de vieringen in de kerk, de eindeloze herhaling ervan, jaar na jaar, nog eens op school. Ook hier: absoluut saai. Soms intrigerend, in een plechtige taal. Met metaforen nog voor ik het woord kende: vurige tongen die nederdaalden, brood en wijn als lichaam en bloed, over water wandelen, splijtende zeeën waar een leger doorheen trok. Het maakte indruk.
De stimulans tot schrijven kreeg ik ongetwijfeld op school. Opstellen schrijven in de lagere jaren, verhandelingen later en ook in het Frans. Ik had gedreven taalleerkrachten en ben hen uitermate dankbaar. We hadden een bibliotheek op school en ik ging in de vrije tijd naar de Parochiale Bibliotheek.

Boeiend hoe juist die herhaling van bijbelverhalen en de dankbaarheid voor bezielde leerkrachten de bodem hebben gevormd. Die vroege liefde voor verhalen doet vermoeden dat er ook een verteller in jou schuilt. Schrijf je ook proza?
Twee jaar geleden deed ik mee aan een wedstrijd van het Internationaal Literatuurfestival  Utrecht (Ilfu) Ik stuurde twee ultrakorte verhalen in, zogenaamde ikjes. Beide werden geselecteerd en gepubliceerd. Dat is mijn enige bijdrage tot het proza. Hoewel nu in mijn derde bundel ook prozagedichten zijn opgenomen.

De ene dichter wacht tot de muze aanbelt met een postpakket. Gratis geleverd, een geschenk uit de hemel. De ander volgt een strak plan. Of iets daartussen. Hoe verloopt het proces bij jou?
Opwellingen en emoties helpen me niet. Ik moet eerst tot rust kunnen komen, een zekere orde scheppen in mijn hoofd en op de schrijftafel. De potloden scherpen. Dan wat lezen. Gedichten, een boek dat ligt te wachten…Ik moet mezelf een deadline geven of een deadline krijgen van buitenaf om echt productief te worden. Ik schrijf meestal op papier in de eerste fase. Later op de laptop.
Kleinkinderen, schoonkinderen en kinderen krijgen een kwatrijn op hun verjaardagskaart: een dwingende deadline vele malen per jaar. Met mijn man erbij zijn dat er een kleine twintig. Dat zijn dan zogenaamde gelegenheidsverzen.

Potloden scherpen en de behoefte aan orde. Dat brengt ons bij de kern van het ambacht. Wat is voor jou het ideale recept voor een gedicht of een boek?
Een gedicht mag voor mij niet te gezocht zijn qua vorm en inhoud.
Dus eenvoud en verstaanbaarheid als belangrijke ingrediënten. Ik ben niet graag een soort archeoloog in de verzen van een ander. Liefst raakt het me bij een eerste lezing zodat ik het wil herlezen, iets aanstippen. Ja, ik vind toegankelijkheid wel belangrijk.
Als het niet meteen duidelijk is doe ik wel een inspanning hoor.
Herkenbare, urgente, universeel-menselijke zaken hebben echter mijn voorkeur. Ik heb graag dat een sfeer wordt oproepen met enkele originele beelden. En de muziek van de taal, het ritme…ook niet onbelangrijk.

Niet spitten als archeoloog, maar geraakt worden door taal.
Voor een roman vind ik een sterk verhaal belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat de werkelijkheid de verbeelding overtreft. Wat in de realiteit gebeurt is vaak duizelingwekkend. Literatuur helpt mij de zeer complexe wereld en de mensen te begrijpen. Voor mij werkt het helend, therapeutisch ook. Woorden verzorgen mij, houden mij bij de tijd, bij de schoonheid en de waarheid.
Poëzie en proza helpen mij elke dag met leven. Mag ik de dichter Jan Hanlo citeren: Poëzie is de vakantie van de filosofie’.

Dan rest nog de vraag wanneer de dichters verlof nemen.

And now something completely different. Veel schrijvers (dichters) hebben geestelijke vaders en moeders waar ze heel erg naar opkijkt. Heb jij dat ook?
Er zijn veel schrijvers of dichters waar ik naar opkijk. Wanneer ik echter een geestelijke vader of moeder moet uitkiezen vind ik dat moeilijk. Het voelt aan alsof je aan de moeder of vader zou vragen: van wie van hun kinderen ze het meeste houden.
Soms staat het ene kind wat dichter bij je ouderhart dan het andere, afhankelijk van hun levenspad. Bij het kiezen van een geestelijke vader of moeder is dat voor mij hetzelfde. Favoriete tekst of schrijver kunnen wisselen. Ik probeer wat namen te noemen die af en toe op de voorgrond komen.
Voor Nederland is dat Maria Vasalis (De afsluitdijk, De idioot in het bad, … ) Ze heeft een klein oeuvre nagelaten maar ze is top. Verder Ida Gerhardt , Judith Herzberg, Ester Naomi Perquin, Ingmar Heytze…
Voor Vlaanderen probeer ik ook de jongere dichters te lezen. Ik grasduin graag in het werk van Sofie Verdoodt, Mahlu Mertens, Tania Verhelst…en vele anderen.
En de groten: Claus, Elsschot, Timmermans, Minne.
Bij ons was de laatste dichtbundel van Charles Ducal Tijd voor vrede (Atlas-Contact) genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2026. Het voorlaatste gedicht uit de bundel raakt me erg. Zo veel zeggen met weinig eenvoudige woorden. Zo universeel.

Een raam

Zij knipt een landschap uit een damesblad,
ik ben nog niet geboren, en hangt het
in een kader achter glas waar ik het zie,
pas zie, als ik haar ben verloren.

Het is een meer, een ceder en een berg,
het hing links van de klok, en ik weet zeker
dat mijn blik er duizend keer en meer
over moet zijn gegleden, en ik niets zag,

omdat ik niet begreep dat zij in ons gesloten huis
een raam geknipt had voor zichzelf alleen.
Een meer, een ceder en een berg,
vanwaar ze naar me kijkt terwijl ik werk.

© Charles Ducal

We vroegen je ook naar een favoriet citaat.
Ik kies voor een citaat van de dichter Levi Weemoedt omdat ik het tragikomisch vind.

‘Elk gezin is een pleeggezin. Wat er gepleegd wordt daar verschillen ze in.’

Telkens als ik het in mijn persoonlijk citatenboekje tegenkom lucht het me op. Het doet het relatieve en meteen onvolmaakte inzien van onze goede bedoelingen.
Een gezin is een fragiele samenlevingsvorm en we zijn allemaal bepaald door het gezin van oorsprong en het genetisch materiaal dat we meekrijgen. De woorden ‘pleeggezin’ en ‘plegen’ krijgen een kwinkslag. Ze worden weggehaald uit hun oorspronkelijke zwaardere context en overgebracht naar ‘elk gezin’. Voor mijn geestesoog zie ik de gezinnen die ik ken, zie ik de verschillende contexten en perspectieven van oud en jong. Humor helpt.

‘Humor is een vorm van verzet tegen het absurde bestaan.’ schreef Albert Camus.


Uit jouw derde bundel koos je drie gedichten die je met ons wil delen.
De eerste drie gedichten uit de bundel beginnen met de moeder, de vader, de baby.
De relatie met de baby is van kapitaal belang en tegelijk is moederschap niet altijd een paradijselijke toestand. De baby ligt daar in de wieg en veroorzaakt allerlei in het leven van de moeder. Eist aandacht en liefde op, doet appèl. De moeder zal daaraan tegemoet komen op haar eigen manier. In dit gedicht spreekt de baby bij wie de relatie eerder complex is.

 

1

de baby

glimlachen is iets wat andere baby’s doen in andere armen.
moeder, ik kan niet geloven dat ik jou een glimlach gaf
en rozig, breed mocht verzinken in jouw oogopslag.
dat ik bij jou iets anders dan een melkspoor achterliet,
iets beters dan zure vlekken op je schoot of schouder.

in mijn wieg bespeurde je de zoete nestgeur na het drinken,
mijn toekomst die er onbevangen, uitgestrekt lag. de jouwe
hield ik in mijn knuistjes stevig vast. ik kaapte jouw dagen.
jij verteerde deze wending niet, bevocht de last van mijn gewicht.
ik zou nog lang jouw aandacht vragen, ontvangen kon ik niet.

wij, levenslang gegijzeld in elkanders blik.


2

dat er altijd iemand samen met jou
een pad maait doorheen het hoge gras
van het huis naar de beek waar je speelde.

dat je later, op de gevaarlijke wegen
het kind blijft dat wacht wanneer iemand valt,
dan een steun bent en toeverlaat.

dat je zoekt naar een veilige oversteekplek,
de barsten in het wegdek vermijdt,
tijdig elk stoplicht ziet, halt houdt en luistert.

dat je dan de oude combo mag horen.
het deuntje dat het blaaskwartet aanvat
en weet in dat trefzeker moment:

nu ben ik aan zet, aan mij om te spelen.

Een gelegenheidsgedicht zonder titel. Ik schreef dit gedicht drie jaar geleden ter gelegenheid van het lentefeest van een kleinzoon. Hij heeft twee jongere zussen, fietst dagelijks naar school, speelt trompet. De gevaren van het verkeer dienen als metafoor voor de problemen die hij zal ondervinden op de levensweg. Het belang van een humane, altruïstische houding wilde ik benadrukken (wachten wanneer iemand valt, steun zijn) en ook tegelijk de eigen plek vinden, gehoord worden.
Het lentefeest op de leeftijd van 12 jaar is zo ongeveer een overgangsritueel bij het langzaam verdwijnen van het kind in de persoon die groter wordt. Het is de periode waar het kind wegsijpelt uit de persoon. Erg melancholisch vind ik dat. Het verlies van onschuld.

Maar het gedicht blijft niet in de weemoed hangen. De climax is juist heel hoopvol. Het kind is klaar om zijn eigen partituur te spelen.

En dan het slotgedicht van de bundel. De levensloop van de mens als het ware, gedetermineerd door de plaats waar je geboren wordt, uit wie je voortkomt (de mal), de mensen die je ontmoet dan standhouden in de mallemolen van het leven, de overmoed van het volle leven, de eventuele strijd die je moet leveren om je weg te vinden, en tegelijk het relatieve belang van zogenaamde keuzes die je denkt weloverwogen te nemen. Ook hier lees je het kind dat verdwijnt en volwassen moet zijn in een complexe en competitieve samenleving. Het belang van opnemen van verantwoordelijkheden, het maken van nieuwe keuzes en het in vraag stellen met wie je omgaat.

 

3

je kan de wand van de mal betasten waarin je zit.
jezelf toestaan je er uit los te weken, neer te ploffen
in het zand. daar je kleutervoeten zien verzinken,
je afvragen wanneer je mag vertrekken
waarheen en met wie. niemand kent elk gevaar.

het soort kind willen zijn dat altijd goed terechtkomt,
in de speeltuin de draaiton doet denderen,
er uitspringt en duizelig ronddartelt in de zomerzon.

later de jongere die op een landkaart de stad omcirkelt
voor de droomreis en precies weet hoe je er komt.
de opties herbekijkt en als het tegenzit groeit,
krijst als een krolse zwerfkat, smeekt om een aai.

vooral niet als een hamster door het gangetje gestuurd
anderen laten wedden dat je als eerste aankomt.
liever degene die wegzinkt in de schaduw op een eiland,
zichzelf net op tijd bij de haren uit het moeras trekt,
op het droge bekomt van het gevecht met de vloed.

ooit leek het alles. de heldenstatus verwerven.
toch herschreef je je eigen verhaal,
een nieuwe plot met andere spelers.

ooit leek het alles en eigenlijk is het niets.

 

Wat ligt er nog voor de boeg?
Verder zorgen voor een evenwicht in het dagelijkse, zowel fysiek en mentaal gezond proberen te blijven. Omarmen wat op mijn pad komt en me laten inspireren.
Nu kijk vooral uit naar een week aan zee met mijn man in juni, een week met de kleinkinderen eind augustus.

Als je vandaag een brief zou moeten schrijven aan de persoon die je over twintig jaar bent, wat zou dan de openingszin zijn?
Ga vandaag vooraf aan je schrijftafel zitten en stel dat niet te vaak uit.

     Andere berichten

Interview Miel Vanstreels

‘Schrijven is voor mij altijd al een manier geweest om alles wat er in mezelf en om me heen gebeurt voor mezelf helder te krijgen.’ door...

Interview Katelijne Brouwer

‘Taal geven aan onmogelijke verlangens, grote dromen, aan het verdriet van een steen.’ door Petra Talsma   Dichter Katelijne Brouwer...

Interview Johan Clarysse

‘Tussen penseelstreek en pennentrek' over de magie van het canvas, akkerpaardenstaarten en Randschade   door Wim Vandeleene  ...