Doordacht en weloverwogen
door Hettie Marzak
–

–
Piet Gerbrandy is een veelzijdig auteur: hij heeft niet alleen essays geschreven, maar ook schoolboeken, libretto’s, vertalingen en vooral gedichten. Daarnaast is hij docent latijn en Grieks, eerst op de middelbare school en later aan de universiteit van Amsterdam.
Zijn nieuwste dichtbundel is Ontzettingen, een titel die door zijn ambiguïteit al meteen stof tot nadenken biedt, geheel in de lijn van zijn bundel uit 2021, Ontbinding. De vijf afdelingen van de bundel dragen soortgelijke titels: ‘Ontmoetingen’, ‘Ontwijdingen’, ‘Ontzeggingen’, ‘Ontbrekingen’ en ‘Ontaardingen’. Deze titels laten al zien dat voor Gerbrandy het spelen met taal en betekenis een belangrijke rol heeft in zijn werkwijze. De eerste twee afdelingen en de vierde bevatten allemaal gedichten waarvan de titel slechts uit één eenlettergrepig woord bestaat; de derde afdeling bestaat uit gedichten waarin een hommage wordt gebracht aan andere dichters en in de laatste afdeling zijn de gedichten aan een geografische plaats gewijd. Hoewel een aantal van de gedichten eerder werd gepubliceerd in verschillende literaire tijdschriften, zijn ze in deze bundel volkomen op hun plaats, alsof ze er speciaal voor geschreven waren. Ze vormen een geheel dat nergens samengeraapt aandoet.
De tekeningen bij de gedichten zijn van Anne van Herreweghen, die met slechts enkele geraffineerde, goed geplaatste pennenstreken een wereld weet op te roepen waarin de gedichten van Gerbrandy doorklinken.
De taal die Gerbrandy in zijn gedichten laat horen is zinnelijk, zintuigelijk en melodieus. Verhevenheid wordt afgewisseld met platvloersheid – ‘Biddend hakten slagers de kroppen van dichters / granieten idolen / en schoolgaande sletjes van vruchtvlees’- , het hemelse met het aardse, het lijfelijke met het geestelijke en deceptie met verrukking. Het volgende gedicht is er ontegenzeggelijk een uit een pessimistische categorie:
–
Over drukke ecoducten trekken gisteren van hun habitat
—- – verdrevenen zich terug.
–
In honderden mijlen riool mengen ruimhartig zich buiten
—– met microbe exoten.
–
Sinds biggenschaarste toesloeg hangen ontvrouwde
— —boeren in schuren zich op.
–
De puisterige manen van exoplaneten verbergen hun tanige
—– circusgezichten.
–
In vlekkerige spiegels tekenen zich blikken van zich
—- –dood hongerende meisjes af.
–
Reeds jong gescheiden biologen storten zich op onderzoek
— —naar extremofielen.
–
In nepparlementen wordt permanent gebakkeleid
— —over streven naar geluk.
–
Vanaf excessieve lantaarns aanschouwen zich drogende
– —-aalscholvers treurige files.
–
Boekhandels intussen vergeven zich met onverstouwbaar
– —-ecokritiche zelfhulpgidsen.
Gerbrandy speelt in dit ironische gedicht een spel met ritme, alliteratie, assonantie en dubbele betekenissen. Ook aan de vorm is aandacht besteed. Het gedicht is wat negativiteit betreft een uitzondering; de meeste gedichten bieden een voorzichtige hoop voor de wereld en de mensen die haar bewonen, zoals in het volgende gedicht waarin de natuur als overwinnende kracht wordt voorgesteld:
–
Ze hebben de linden gekapt het plateau geplaveid
—– de dalen gezuiverd de hommels verjaagd
—– de poelen gedempt en het meeste
—– geteisem gedomesticeerd.
–
Op straat in de trein in de klas weet jij je gedurig
—– omringd van gewijde vulva’s geborgen
—- –in diepe bosschages van mirre en muskus
–
die jij stil en schuchter moet aanbidden
—– maar hoe in de naam van wie ook?
–
Keer terug naar dat park waar je onder de val
—– van helder maar ondoorzien water
—– kruiden rookte die godinnen kusten.
–
Ja hoog op haar heuvel troont nog steeds puur
de klatergouden vorstin in haar zaal van stil
—– levende bloemen windeieren gure citroenen
–
die al haar vijvers vult met glibbe karpers.
De dichter en de classicus zijn bij Gerbrandy moeilijk van elkaar te scheiden. De bundel begint met een citaat uit het Hooglied, waarin de schoonheid van de vrouw wordt geprezen door haar te vergelijken met de zoetheid van de natuur. Ook het gedicht ‘Brug’ lijkt te zijn geïnspireerd door de Griekse mythologie: het lijkt een vraag- en- antwoordspel met Charon, de veerman die de doden overzet naar de onderwereld. En natuurlijk zijn er ook de sterfelijke vrouwen met lichamen als godinnen, die bezongen worden.
Hoewel de gedichten doordacht en doorwrocht zijn, zijn ze tegelijkertijd bij zorgvuldige lezing toegankelijker dan aanvankelijk gedacht, al blijf je als lezer op afstand. Enige kennis van de wereld en algemene ontwikkeling zijn wel een hulpmiddel, maar die zijn niet toereikend om de betekenis van de gedichten te ontsluieren. Zoals we ook in het gedicht ‘In Gerbrandy’ de dichter wel leren kennen, maar nooit helemaal: ‘Hij is er niet. // Kijk maar daar zit hij met een vage glimlach.’
Zich te laten kennen is ook nooit het doel van de dichter geweest, evenmin als de ontrafeling van de gedichten op zoek naar betekenis. De gedichten getuigen in de eerste plaats van klank en ritme, muzikaliteit en taalbeheersing, wat vooral opvalt bij hardop lezen van het gedicht ‘Blad’: ‘Nemen wij plaats op dit hoge terras vol aanstonds / zieltogenden die goedmoedige moedervarkens // verorberen daar de mooie revolutie steken bleef / halverwege een golf van hitte en rijkdom.’ Het ritme doet onmiddellijk herkenbaar denken aan de hexameters waarin Homeros zijn Ilias en Odyssee schreef, maar Gerbrandy neemt daar een loopje mee door ervan af te wijken.
Gerbrandy neemt een geheel eigen plaats in binnen de moderne poëzie, zijn gedichten zijn met geen andere te vergelijken.
____
Piet Gerbrandy (2026). Ontzettingen. Uitgeverij P, 56 blz. € 19,50. ISBN 9789077757826



