LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Jet Sterkman

7 jul 2026

 

Jet Sterkman (2001) is campusdichter van de Radboud Universiteit. Haar poëzie gaat onder andere over engelen, autisme, dode vogeltjes, gender, sinaasappeldraadjes, oneerlijkheid, vel, bestaansrecht, namen, hyperactiviteit, verwarring, zinloosheid en het belang van het allerkleinste. Met haar in taal gevatte wereldervaring wil ze normen laten wankelen en de wereld inclusiever maken. Ze publiceerde een drieluik in De Gids en is regelmatig te vinden op podia in Nijmegen of Groningen (haar hometown).

foto © Arjen de Boer

 

 

Hortus

Hoe vang je een bloem in eenduidige woorden
als bloemen op oneindig veel manieren te begrijpen zijn?

Met een zachte witte ronde hortensia in mijn handen
begrijp ik hoe heteromannen zich over borsten voelen

Ik begrijp waarom ik voor mijn vader rupsen tekende
en vlinders voor mama
Terwijl hij bergen bouwde werden onze vijvers dieper

Hoe meer stilstand, hoe meer groei

Wespen weten hoe de woningmarkt werkt
dus doen-ze-het-zelf
Hun huis heeft duizend kamers
Volgens AI omdat het dient als ‘opslagplaats voor de koningin en werksters gedurende
de lente en zomer’
Maar eigenlijk zodat de aanhangers van het patriarchaat verdwalen
Anders was het verstoppen van koninginnen onnodig

Kom naar buiten, koningin!
U moet zich verschrikkelijk vervelen
Er mogen hier geen hondjes spelen
Schone bomen lopen op blote voeten een bos bij elkaar
Ze dragen oorbellen en kunnen tegen kietelen
maar niet tegen eenzaam zonnebaden

Kom naar buiten, koningin
De roos weigert op haar stoel te zitten
en bloeit niet omdat ze nooit het allerroodst zal zijn
Het gras is in paniek
Wat ruikt het toch fijn als het slechter gaat met een ander

Kom naar buiten koningin
Geheimen eten alle dille op
Er kruipt hier kennis rond die in een pop onder de grond de winter overleeft
en in zomer geoogst wordt voor privégebruik

Kom naar buiten koningin
Zoem hun oren vol
tot ze hun huis horen verwelken
het sterven niet vrezen maar omslaan als deken
de stenen niet onthemen om hun liefde te bewijzen
de bomen niet kappen om hun waarheid op te schrijven
bloei niet beantwoorden met één vinger op ‘S’ en de ander op ‘Ctrl’

Zoem, zoem, zoem tot ze niet meer kunnen luisteren
omdat ze alles zien
Bevalling

Er hangt een koude morgen in mijn haar
Ze klampt zich vast aan mijn nog warme droom
(we slapen zonder schuldgevoel door maandag heen)
Bevlogen vogels zingen een ode aan het prille licht
Ik hoop dat je spijt hebt van je slaap
De zon en ik begonnen vandaag zonder jou

Ik (raamstaarder, wonderzoeker) vraag me af of je dingen weleens mooi vindt
Zoals: dorpsranden,
de schaduw van grassprietjes,
flanerende wolken boven gehaaste fabrieksrook.
Ik denk het wel: je zei laatst dat windmolenwieken soms boomtakken zijn
Hoorde je mijn adem toen veranderen in vogelzang?

Ik baar namelijk wel wonderen maar
1) uit mijn hoofd
2) met keizersnede
3) altijd op het verkeerde moment

Ik doorzoek de taal als een kringloopwinkel
Tussen tweedehands woorden ontelbare schatten,
maar geen passende sokjes voor mijn wonderkind
Alleen stoffige bollen wol

Wat ik kan zeggen als hen niest:
Ik hoop dat je gevonden wordt
Ik hoop dat je nooit last hebt van zwaartekracht,
lichaamsdelen
of het internet
Ik hoop dat je elke avond droomt van elders
met mij

Hun eerste les: Het is cruciaal dat buschauffeurs naar elkaar zwaaien
Anders weigeren bussen hun wielen te draaien
Stopt het rond en rond
Donderen vogels naar beneden met dichtgeknepen kelen
Worden boomtakken windmolenwieken
Bestaat oorlog niet meer alleen voor legopoppetjes op schermen

Maar mama, wat als buschauffeurs naar iets anders zwaaien?
Dan, wolkje, rijden bussen zichzelf
Worden vogels zonnen
Komt de oorlog niet uit zijn woorden

Is dat dan een wonder?
Zomerconcert
(dit gedicht gaat over de Arnhemse kat van zandsteen in de Stevenskerk te Nijmegen)

Achterin: de koelbox, de vos en ik
Voorin: een alt en een sopraan

De alt vraagt waar we langsgaan
De sopraan antwoordt dat we in een supercomputer zitten
Die weet alles
dus hoeven we ons geen zorgen te maken

Ik aai de vos, omdat hij niet voelt
Als we draaien drukt hij zijn neus in de stoel
Hij wordt misselijk van supercomputers die de hoek omgaan

De sopraan houdt van schapen
Ze wil zelf wol spinnen
De alt raadt afvalvacht aan
We moeten zuinig zijn met de natuur

De airco raast
De koelbox, de vos en ik krijgen het koud

De alt en de sopraan praten over draailieren
De vos heeft een dode spin op zijn kont
Ik vraag me af of je spinnen ook kan opzetten
Of dat ze dat tijdens het sterven zelf al doen
En waarom altijd met gekromde pootjes
En hoeveel spinnen samen draailier kunnen spelen

De sopraan zegt dat je maar beter niet naar het nieuws kan kijken
De oorlog ligt toch buiten je eigen invloedssfeer
Ze raadt me een boek aan over het bombardement van Nijmegen

De vos begint te huilen
Hij kan niet schrijven en alles ligt buiten zijn invloedssfeer
Ik aai hem maar hij voelt het niet

De sopraan vertelt een levensverhaal in vier zinnen
Alleen een ander kan je leven zo samenvatten
Iemand die je niet te goed kent
Zoals God
Maar die heeft het daar te druk voor
Vanwege de omvang van zijn invloedssfeer

We komen aan bij de kerk
De supercomputer zal buiten wachten
De vos stapt uit
Ik vraag waar hij vandaan komt
De sopraan zegt: een dorpje in Groningen
De vos zegt niet: het bos

Hij is samengevat
en verzet zich daar niet tegen

De alt slaat met aluminiumfolie op mijn hoofd
Maar ik ga een gedicht schrijven
Op mijn bankje hebben veel mensen gezeten
om tegen de doden te praten
en verloren zoetjes te verzamelen

Ik vraag God wat hij ervan vindt dat we zijn schepselen samenvatten en conserveren
maar niet consumeren
zodat ze op buffetten kunnen prijken
God geeft geen antwoord
Dus vraag ik het de supercomputer
maar die praat alleen tegen mensen als ze anders verdwalen

Binnen kruipen klanken in de vacht van de vos
Een koor in het rood
Ik maak een bordje voor de vos:
Verboden te aaien
Anders raakt hij zijn stemmen kwijt

Er kraait ook een haan
Maar de doden om mij heen blijven liggen

Ik vraag ze waar het leven eindigt
Ze zwijgen
Ik vraag het de vos
maar hij weet niet wat leven is
Ik vraag het God
maar die bestaat vandaag niet
(het is te warm)
Ik vraag het de supercomputer
Die lacht: dat zal jij wel merken

En dan begint het concert

 

     Andere berichten

Elbert Gonggrijp

Elbert Gonggrijp: 'Ik beschouw mijzelf als een natuurdichter die ook een uitstap naar de liefde en zijn eigen filosofieën niet schuwt....

Boris Wanders / Judith Lechner

In mei 2025 verbleef Boris Wanders met fotograaf Judith Lechner in Landes. Een groen gebied aan de Golf van Biskaje, dat ze niet kenden....

Silvester Klaasman

Silvester Klaasman (1989) schrijft poëzie over menselijke relaties in de laatkapitalistische atmosfeer van vervreemding. Zijn werk...