‘In het schrijven zoek ik naar een antwoord op, of contact met een nogal overweldigende wereld.’
door Monique Wilmer-Leegwater
foto © Gaël Ndombele | Yengivision
Jolanda Kooijmans is dichter en beeldend kunstenaar. In 2025 verscheen Addertje, een bundel met vier sprankelende, verhalende gedichten over de duivel. Addertje kreeg vele lyrische recensies en is bekroond met de Amarte Literatuurprijs. Ook werd de bundel genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de Grote Poëzieprijs. Ze publiceerde gedichten in onder anderen De Volkskrant, Revisor, Ooteoote en Het Liegend Konijn en stond op podia als Paviljoen Ongehoorde Muziek, Perdu, Dichters in de Prinsentuin en Woordnacht. In 2020 verscheen haar debuutbundel Twee ton.
Haar werkterrein is de gevoelige laag onder onze alledaagse ervaringen, onze omgevingen en onze taal. Verborgen drijfveren, pijnpunten en angsten delft ze op in glanzende klompjes. Geschiedenis is daarbij belangrijk, oude verhalen, archetypen, oude overtuigingen. Wat kunnen we nog gebruiken en wat heeft zijn werkzaamheid verloren? Wat komt ervoor in de plaats? De natuur (landschap) is belangrijk, het proces van bloei en verval, kwetsbaarheid, transformatie.
Over Addertje:
In Addertje ontmoeten we het demonische wezen Addertje dat haar moeder zoekt. Het bange meisje Zuuz dat de stem van de duivel heeft gehoord. Haar oudoom Drie die eindeloos op sterven ligt. De kinderen misbruikende priester Bubblebeez die de hel onder zijn toog meedraagt. De eeuwig klagende treinreiziger Constant die belaagd wordt door een zeldzame watersatan, aan de andere kant van het gangpad.
Addertje is een wonderlijk lichte, fijnzinnige en diepzinnige dichtbundel over de duivel. De vier verhalende gedichten gaan over het kwaad, over vervreemding, verdraaiing, angst, het verloren lopen in de wereld, het passeren van een kritische grens. Het archetype van de duivel wordt opnieuw geboren in een veelheid van vormen en gedaanten en hij is verrassend anders dan je denkt.
Allereerst gefeliciteerd met het succes van Addertje ! De bundel werd onder andere genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, stond op de longlist van de Grote Poëzieprijs en werd bekroond met de Amarte Literatuurprijs 2026.
Wat betekent deze erkenning voor jou als dichter?
Die erkenning geeft een enorme blijdschap. De vele reacties en besprekingen waarbij elke keer weer op een andere manier naar de bundel wordt gekeken, het geeft me vleugels. Ik heb door Addertje veel nieuwe mensen ontmoet, dichters en lezers, dat doet me goed na jaren van relatieve afzondering tijdens het schrijfproces.
Kun je na zo’n succesvol ontvangen bundel nog even onbevangen schrijven als daarvoor?
Ja, tot nu toe wel. Mijn nieuwe bundel is een avontuur dat net zo spannend is om mee te maken als Addertje was. Het eerste deel ervan had ik overigens al geschreven in het maakproces van Addertje, dus ik was al een eindje op weg. Dat maakte de overgang naar de volgende bundel eigenlijk tamelijk soepel.
Als je je eerste bundel Twee ton en Addertje naast elkaar legt, hoe verhouden deze twee bundels zich dan tot elkaar?
Twee Ton is ontstaan in een periode van zes jaar, de gedichten zijn mijn eerste experimenten met vormen en betekenissen. Hier en daar sluimert al het verlangen om een personage te creëren en een scène of situatie. Onlangs heb ik nog eens in de computerbestanden van die tijd gesnuffeld, en toen viel me op hoe voorzichtig en streng ik was. Ik heb zo veel geschrapt! Niet toegelaten, omdat ik het nog niet vertrouwde of begreep misschien? Er waren toen al rudimentaire gedichten waar het woord addertje in voorkwam, later als naam: Addertje. Maar ik wist toen nog niet wie of wat het was.
Het boek Addertje is veel gastvrijer dan Twee Ton. Het gaat uit van rijkdom, de rijkdom van het leven en de taal. Alle impulsen waren welkom, ideeën, emoties, intenties, vertelvormen, taaluitingen, taalregisters. Dat bracht een flinke chaos in het begin van het scheppingsproces, maar dat was precies mijn ‘state of mind’ op dat moment. Ik kon de chaos vertrouwen dankzij de duivel. Het woord duivel komt namelijk van ‘diabolo’, wat ‘verwarringschepper’ betekent, ‘doorelkaargooier’. Dat was precies wat ik aan het doen was, de chaos klopte. De chaos klopte ook perfect met de buitenwereld, de actualiteit met zijn nepnieuws en zijn valse profeten.
In Twee Ton overheerst de verwondering en dat was (is) een oprechte emotie. Addertje is gemaakt uit angst, wanhoop, verontwaardiging, machteloosheid, walging… een donkerder, maar ook rijker palet.
Naast je werk als dichter ben je ook beeldend kunstenaar. Dat roept meteen de vraag op hoe die twee praktijken zich tot elkaar verhouden. Hoe beïnvloeden ze elkaar in jouw werk?
Op beide terreinen bestaat het scheppingsproces uit duizend-en-één kleine uitprobeersels en experimenten, mixen en mengen, dingen uitvergroten of juist verkleinen, aan elkaar plakken of uit elkaar trekken. Dat gebeurt intuïtief, in grote concentratie. ‘Zwarte madammenmagie’ noemde Robbert-Jan Henkes het in zijn recensie. En ja daar lijkt het soms wel een beetje op.
De twee werkterreinen zijn complementair: schilderen is fysiek en zintuigelijk, je moet je voegen naar de praktische eigenschappen van het materiaal. Ik werk met materiaal dat een herkenbare geschiedenis heeft (afvalhout, oude kleding, verpakkingsmateriaal) en een bijzondere stoffelijkheid: transparantie, slijtage, verkleuring… Taal komt er nauwelijks aan te pas, alleen als titel. Soms achteraf (soms pas jaren later!) soms al tijdens het scheppingsproces – als ik opeens zie waar het werk naartoe wil.
Schrijven is puur een mentaal proces, te meer omdat ik op de computer werk. Dat gebeurt vanuit een bepaalde gemoedstoestand. In het schrijven zoek ik naar een antwoord op, of contact met een nogal overweldigende wereld.
Dus het creatief proces tussen schilderen en schrijven is ongeveer hetzelfde, maar de behoefte/intentie achter het werk verschilt. Schilderen is ontspannend en contemplatief, het lijkt op tuinieren. Schrijven gebeurt veel koortsachtiger.
Kun je die bepaalde gemoedstoestand oproepen, of dient die zich vooral onverwacht aan, en wat doe je om zulke momenten vast te houden?
Ik voel een permanente verontrusting over de actualiteit: de lelijkheid, wreedheid en onredelijkheid. Toen Trump werd verkozen in 2016 werd ik compleet van m’n sokken geblazen, het was onverteerbaar. Inmiddels zijn we heel wat angstaanjagende ontwikkelingen verder en heb ik, zoals iedereen, al eelt op mijn ziel gekregen. Ook dat vind ik verontrustend. De onrust en machteloosheid bestaan overigens naast vertedering, grappigheid, schoonheid – ook positieve impulsen zijn er volop. In ieder geval: tijdens het creatieve proces luister ik er heel goed naar want daar zit de soul, de bezieling.
Zijn er dingen die je alleen in poëzie kunt onderzoeken en niet in beeldende kunst, of juist andersom?
Ik ben niet zo’n onderzoeker hoor. Bij het gedicht Addertje heb ik ergens genoteerd: ‘Addertje is in de wereld. Ik loop maar gewoon met haar mee’. Ik volg de impulsen die de tekst geven. Eerst was er dus lange tijd een toestand van chaos, in mijn hoofd, in mijn hart en in mijn poëzie. Tot vanzelf de noodzaak kwam om de boel wat te organiseren, een moment dat ik eindeloos uitstelde. Maar toen ik er eenmaal aan begon, het opruimen en ordenen, inrichten, was het juist een fijn proces. Betekenissen en intenties van het werk kwamen aan de oppervlakte. Toen brak er weer een periode van chaos uit, maar al meer ‘to the point’. Die dynamiek – verwarring, organisatie, verwarring, organisatie – herhaalde zich tot de chaos was gaan liggen.
Een groot deel van de reacties op Addertje gaat over de verbeeldingskracht van de bundel. Waar komen die wonderlijke figuren vandaan? Ontstaan ze bewust, of dienen ze zich eerder onverwacht aan tijdens het schrijven?
Ze dienen zich aan. Ze ontstaan denk ik uit allerlei observaties die zich ergens in mijn geheugen ophouden, observaties van mensen (dieren, landschappen…), ook uit films en series, literatuur, mythologie, poëzie, kunstwerken. Sommige observaties zijn al heel oud. De figuren dienen zich aan als naam: Addertje, Bubblebeez, Constant de Klos. Vanuit hun naam ontstaat een karakter. Namen zijn zo’n krachtige woorden, altijd fascinerend vind ik hoe iemand heet, waar de naam vandaan komt, doopnamen, bijnamen, koosnamen, er zit zo veel informatie aan vast. De namen in mijn werk zijn vaak cartoonesk, theatraal, het zijn uitvergrotingen.
In Addertje verschijnt het kwaad in allerlei gedaanten. Is er één figuur die voor jou het dichtst bij de kern van het kwaad komt, en waarom?
Ik denk dat heerneef Bubblebeez, de kinderen misbruikende priester, het kwaadaardigst is omdat hij de meeste macht heeft. Over zijn parochianen en over zijn slachtoffers. Van alle duivelsfiguren in de bundel is hij het meest gebaseerd op historische werkelijkheid.
van de Kraaijevangers en de Lathouwers
de Olieslagers en de Bellemakers
de Paardekoopers en de Van de Zandes
en alles daartussen
tot diep in het hiernamaals
–
met zijn wakkere fluisterstem bespeelt hij de gevoelige snaar
onder de rogge en de gerst
–
met de spanwijdte van zijn armen
tart hij de zwaartekracht
–
–
fragment uit Bubblebeez Verhalala
In de bundel wordt het archetype van de duivel telkens opnieuw geboren in een andere vorm. Wat maakt archetypen voor jou zo interessant als schrijver?
Mijn volgende bundel gaat ook over het kwaad, maar niet over de duivel. En ik mis hem! Dit archetype mag dan ‘de verwarringschepper’ zijn, als personage schept hij juist orde en overzicht. Hij neemt de lelijkheid en de slechtheid op zijn schouders – heel praktisch. In mijn nieuwe bundel zien we ook een paar slechteriken in actie, maar dit keer zijn het menselijke wezens, waardoor de neiging ontstaat om ze te corrigeren of te straffen voor hun slechtheid. Bij een archetype hoeft dat niet, die accepteer je als datgene wat hij/zij vertegenwoordigt, dat is meteen helder.
Wat helemaal niet wil zeggen dat archetypen in beton gegoten zijn. De duivelsfiguur met de horens en de bokkenpoten ontstond in de late middeleeuwen en was gebaseerd op Pan, de Romeinse bosgod (‘paniek’!). Een meer menselijke gedaante (zoals Mephisto) ontstond veel later vanuit de gedachte: het kwaad zit in de mens zelf. Dus ook archetypes kunnen worden veranderd, hernomen. Wie weet groeit de watersatan uit het gedicht Constant uit tot nieuw archetype, dat zou leuk zijn. Het kwaad van de klimaatverandering.
Zijn er daarnaast oude verhalen, mythen of volksvertellingen die je hebben beïnvloed bij het schrijven van deze bundel?
Ik kreeg als twaalfjarige een dik boek met mythologische verhalen en afbeeldingen uit de hele wereld. Daar zat ik vaak in te lezen met een gewichtig gevoel. Later kreeg ik De tienduizend dingen (Maria Dermoût), dat ik heb verslonden, het was zo prachtig en geheimzinnig en exotisch, ik heb het eindeloos herlezen. Toevallig werd het opnieuw gepubliceerd in de periode dat ik Addertje aan het schrijven was. Verder heb ik op de middelbare school o.a. Ovidius en Vergilius moeten vertalen, wat ik erg leuk vond: de Metamorfosen en de Aeneas – verhalende poëzie!
Een ander opvallend element in Addertje is de taal zelf: ieder verhaal heeft een eigen register, van de z-klanken van Zuuz tot het dialect van Bubblebeez en de sprookjesachtige toon van Addertje. Hoe vond je voor ieder personage zijn eigen stem?
Soms is de stem er het eerst en ontstaat het gedicht vanuit de stem. Soms is de stem wat meer geconstrueerd. De vertelstem van het titelgedicht Addertje is een echo van de stem in De tienduizend dingen: een dartele, lichte, nieuwsgierige stem die zich van meet af aan manifesteerde. Bij Zuuz heb ik wat langer moeten zoeken, uiteindelijk is de verteller een kleine huisgeest geworden, een ‘softe kracht in optrekkend vocht’, die haar eigen krachten niet kent. Ze zoemt een beetje.
de winter iz hem te rustig
hij wordt er nerveuz van
–
hij iz hol van binnen weet je
zijn holte moet gevuld met ophef en gedoe
–
ik ken hem goed, de duivel, hij iz familie namelijk
oké schoonfamilie
de duivel iz mijn zwager
–
ik ben zijn schoonzuz
–
oké
schoonzuz iz een groot woord
de duivel heeft er immerz duizenden
maar toch
–
oké
ik iz een groot woord
–
–
fragment uit Zuuz
De taal in Bubblebeez Verhalala is een mix van vooroorlogs en hedendaags Nederlands, Bijbeltaal, Guido Gezelle, spreekwoorden en streekgerechten.
Het gedicht Constant heeft een cynische vertelstem, die de naam Constant de Klos met zich meebracht.
het is Constant
–
de baarlijke pruiloor is Constant de Klos
–
wandelend in de bergen
struikelt hij over een zonnestraal
–
voor de zekerheid
zuigt hij de ziel uit je verjaardagsfeest
–
met een miskoop
blijft hij zitten hyperventileren als een lekke trekzak
–
geen ruggengraat maar wel een hernia!
–
in de cementkuip met ‘m
stort hem in een kolom van een viaduct in de Alpen!
–
–
fragment van Constant
Een aspect dat in meerdere recensies terugkomt, is de combinatie van donkerte en humor. Een van de opvallendste opmerkingen is dat humor voortdurend tegenwicht biedt aan het kwaad. Ondanks de zware thema’s is Addertje vaak geestig en speels. Hoe vind je die balans tijdens het schrijven?
In die periode van existentiële chaos waarmee het schrijfproces begon was ik oprecht bang van de duivel. Het was verwarrend omdat ik niet gelovig ben en ook niet uit een gelovig gezin kom. Wat had ik met deze oudbakken figuur te maken? Puur als dichter lukte het uiteindelijk om ‘het beest in de bek te kijken’, met lichtheid, vanuit de taal zelf. Zo kon ik de angst transformeren.
Bijvoorbeeld door de naam Beëlzebub (doodeng!) om te draaien tot Bubblebeez kon ik loskomen van de clichématige duivelsfiguur. Het werd een nieuwe, een beetje kauwgum-achtige naam waarmee ik nog alle kanten op kon.
Je zegt dat je niet gelovig bent en ook niet uit een gelovig gezin komt. Hoe verklaar je dat juist de figuur van de duivel jou zo’n angst aanjoeg?
Als je opgroeit in de katholieke wereld van Noord-Brabant, dan kom je de duivel vroeg of laat vanzelf tegen, in al zijn gruwelijkheid. Juist omdat ik niet uit een gelovig gezin kwam, ging het beest een eigen leven leiden. Het raakte verknoopt met angst voor de dood en angst voor het leven. In het fictiegedicht Zuuz heb ik geprobeerd om terug te keren naar die verlorenheid en verwarring, die ik opnieuw voelde. Overigens zonder die te willen oplossen of verklaren, want verwarring is een heel vitale kracht. Niet voor rede vatbaar, net als humor en poëzie.
Waar ben je nu mee bezig, en waar kijk je het meest naar uit de komende tijd?
Ik werk aan een gedicht in opdracht van de kunstenaar Erik van Lieshout. Hij is in de Peel, waar ik lange tijd heb gewoond, bezig met het project Bufferzone, over de transitie van boerengebied naar natuurgebied, met alle biologische, sociale en emotionele gevolgen vandien. Belangrijk onderwerp en ook erg leuk, want in de Peel ligt de poëzie voor het oprapen! Verder ben ik in volle vaart met mijn volgende dichtbundel bezig, maar daar kan ik nog niet veel over zeggen.
–

