LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Daniël Franck

3 sep 2026

‘Een kortstondige rimpeling’

door Wim Vandeleene



We dompelen ons onder in de denkwereld van Daniël, een dichter bij wie het alledaagse en het wezenlijke naadloos in elkaar overvloeien. Hij debuteerde in de jaren negentig met Ritme (1994), gevolgd door Sheherazade (1996) en de samenwerking Broos bestand (1996). Na een lange stilte keerde hij terug met de bundel Lagen van glas. Hoe zijn achtergrond als archeoloog en zijn zoektocht naar betekenis samenkomen in de poëzie. De gedichten bij dit gesprek komen uit deze bundel.

Over zelfkritiek, de inkt als brandstof en de zoektocht naar de juiste vorm.

 

 

 

Welkom Daniël. Voor we over de kern van de zaak beginnen. Wat houdt jou zoal bezig als de pen rust?
Voor mij geldt hetzelfde als voor vele anderen: een groot deel van mijn tijd wordt besteed aan het werk. Ik ben opgeleid tot archeoloog, maar de professionele mogelijkheden daarin waren destijds bij mijn afstuderen nagenoeg nihil. Inmiddels werk ik voor de federale overheid in een heel andere omgeving en context. Ook boeiend, maar niet te vergelijken.

Van de opgravingen naar de federale overheid. Dat lijkt een reuzesprong. Hoe bewaar je de balans voor jezelf? Wat voedt en wat vreet jouw energie?
In het dagelijks leven zijn er veel energievreters en dus is het belangrijk om jezelf eens de vraag te stellen waar je dan wel energie uit kunt halen. Voor mij is dat de poëzie, zolang er geen druk bij komt kijken, het geen kwestie wordt van moeten. Hier kan ik vrijheid ervaren en kom ik tot mezelf. Uiteindelijk heeft dat mij tot deze recente bundel geleid. En geef mij een zee of een mooi landschap en ik hoor iets in mezelf jubelen.

Dat klinkt als een krachtige balans, poëzie en natuur als tegenwicht voor de dagelijkse beslommeringen. Mooi dat die rust een bundel heeft opgeleverd.
Wat waarderen mensen aan jou, wat je zelf vanzelfsprekend vindt?
Mijn empathie. Ik verbaas me er dan ook altijd over wanneer ik merk dat iemand te weinig empathie vertoont.

Voor Kafka was schrijven een vorm van bidden. Wat betekent het voor jou?
Schrijven is enerzijds – en toch wel voor een belangrijk deel – mijn brandstof, maar anderzijds is het ook een confrontatie met mezelf. Voor de fase van het schrijven zelf (dus niet die van het bewerken achteraf) tracht ik me mentaal te ontkoppelen van mijn omgeving. Om een creatieve bron aan te boren, moet ik kunnen losraken van het hier en nu. Dat is een verrijkende ervaring. Wat dan uiteindelijk op papier komt kan ook mij verrassen.

Mentaal ontkoppelen om nieuwe bronnen aan te boren. Die regel ga ik onthouden. Wie of wat heeft jou aangezet tot schrijven?
Het is er eigenlijk altijd geweest. Ik heb het van niemand meegekregen en het werd ook niet van buitenaf gestimuleerd. Het was er gewoon en maakte al snel deel uit van mijn diepste zelf. Misschien had ik al snel een dergelijke uitlaatklep nodig.

Schrijf je ook proza of enkel poëzie?
Het is altijd bij poëzie gebleven. Voor proza heb je een lange adem nodig en die blijk ik zelfs in de poëzie niet te hebben, zodat ik vooral blijf uitkomen bij korte gedichten. Soms wou ik wel dat het anders was, maar het geduld ontbreekt me. Ik heb wel eens een wedstrijd voor flitsverhalen gewonnen, maar verder ben ik niet gekomen.

Voor sommigen is het een ambacht, voor anderen een geschenk van de muze. Heb je een methode of schrijf je in een opwelling?
Het is niet zo dat ik plots het licht zie en dan alles laat vallen om een gedicht te schrijven. Dat is toch eerder een proces waar ik de nodige tijd voor moet uittrekken. Uiteraard hanteer ik ook een notaboekje voor ideeën of zinnetjes, maar voor het grotere werk moet er ook wat meer ruimte kunnen worden gemaakt. Dat vraagt vaak een lange aanloop: eerst wat aanmodderen, lezen, rondlopen, tot er ergens een luikje openklapt en ik bijna automatisch tot schrijven word aangezet.

Wachten tot het luik openklapt. Dat vraagt geduld. Wat is voor jou het ideale recept voor een gedicht of een boek?
Ik hou van teksten die mij de wereld op een andere manier laten zien of beleven. Of van teksten die mij stof tot nadenken bieden. Er moeten toch wat laagjes aan zitten, liefst wat weerbarstigheid ook. Het escapisme van louter verhaal of louter woordspel kan ik even waarderen, maar niet lang. Dat is voedsel voor mijn innerlijke onrust.

Als je jouw geestelijke vaders en moeders bij elkaar zou roepen voor een koffiemoment, wie zouden er dan aan tafel zitten? Naar wie kijk je op?
Ik beschouw poëzie als een huis met vele kamers, eerder zelfs als een straat of een dorp vol kamers en ik kijk daar graag rond. Het huidige poëzieklimaat is zeer eclectisch, zodat je echt heel verschillende dingen kunt lezen, van kernachtige, filosofische gedichten tot spoken word. Zelf zal ik me eerder tot de eerste categorie aangetrokken voelen, maar dat neemt mijn belangstelling voor de andere stemmen niet weg.
Ik merk dat ik mij vaak aangesproken voel door Angelsaksische en Scandinavische auteurs. Daar tref ik meer dichters die naar mijn aanvoelen hun omgeving taxeren op zoek naar betekenis. Dat herken ik wel bij mezelf. Vaak zijn het dan dichters die al observerend en reflecterend in hun teksten vorderen, poëtische spanning creëren en toch de betekenis erin houden. Het zuivere taalspel tref ik daar minder aan, al moet je de aandacht daarvoor ook niet onderschatten. Dichters als Tomas Tranströmer of Louise Glück bijvoorbeeld koppelen een scherpe observatie aan een heldere taal om uiteindelijk een soort visie (of eerder een suggestie van een visie) op het leven bij de lezer binnen te schuiven, zonder die te bruuskeren of zonder dat nadrukkelijk te poneren. Dat is poëzie die bij mij blijft nazinderen en daar hou ik wel van. Je vindt dat natuurlijk ook in andere taalgebieden terug, ook in het Nederlandstalige. In het algemeen ben ik wel vooral benieuwd hoe en wat er buiten onze grenzen wordt geschreven. Ik prijs mij gelukkig hier te leven, want hier wordt veel buitenlandse poëzie op uitstekende wijze vertaald.
Een geestelijke vader en/of moeder heb ik wel niet. Ik beschik niet over het talent een fan te zijn. Waardering kan ik gretig uitdelen, bijvoorbeeld zeker ook voor het werk van Peter Verhelst (poëzie én proza), Mark Boog, Miriam Van hee of Roelof ten Napel om maar enkele namen te noemen.

We staan stil bij drie gedichten uit jouw werk. Boeiend hoe de blik van de archeoloog doorwerkt in je teksten. Het verleden is nooit ver weg en altijd verbonden met het heden.

 

het aarden

Zo vaak begint het met het aarden.
Het verteren dikt aan: onze voetsporen
meters boven de eerste bewoners hier.
Moegestreden uitgedroogde zeeën,
langzaam tot stof schilferende bergen,
het vindt een pad om ons te verlaten.

Lichamen die wortels maakten en nu slapen.
’s Nachts leggen ze hun huid af,
verkennen van elkaar de blootgelegde adem.
Voorzichtig in cirkels sluipen ze om ons heen,
trekken een tent op boven onze hoofden,
verklaren ons geënt, niet langer alleen.

Diep onder de laklaag van de aarde
houdt het geroezemoes van stemmen niet op,
erfrecht hier al lang ontzenuwd.

Wat zich ooit rechtop hield
valt steeds zachter samen,
aardt.


Dit lijkt me een eenvoudig gedicht dat ongetwijfeld wortels heeft in mijn archeologische achtergrond. Zo ben ik me overal en altijd bewust van mijn tijdelijkheid hier en vraag ik me af wie de mensen waren die hier eerder liepen, wat ze deden, wat ze dachten. Door die verbinding te maken is het onmogelijk je ergens alleen te wanen. Dit roept associaties op met de vooroudercultus in oude culturen. Die is bij ons verdwenen, maar bij mij niet. Als ik lees over historische gebeurtenissen, stel ik me vaak de vraag of één van mijn voorouders erbij betrokken zou zijn geweest en hoe gewone mensen dat toen hebben ervaren. Maar op een dag zijn we weer allemaal gelijk, weer opgeslokt door de aarde en lopen er weer andere nazaten over ons heen.

Dat we slechts een schakel zijn in een groter geheel. Die gedachte brengt ons bij jouw beschouwing over al wat eindigt in het volgende gedicht.

 

neergezonken

Een einde benaderen
met de afgenomen hoed in de hand,
zo ouderwets dat het weer mag.

Zoals een grens ook niet meer is dan een zucht in het landschap,
de slagbomen geopend, met een lokje ijzerdraad bevestigd,
te weinig nog om van op te kijken, de grenswachten overboord in de tijd.

Deze nadering dan, de schroom,
het niet wagen te vragen,
het hart dat bij het verlaten krimpt.

Afscheid is dat ding dat met stenen verzwaard neerzinkt in het meer,
de waterrimpels roeren het gras dat op wind bedacht
even knikt dan herschikt.

 

Hier gaat het over verschillende eindes. Zoals een mensenleven begrensd is, is een land of gebied dat ook, zij het slechts kunstmatig. In de eerste strofe gaat het over de eerbied waarmee de dood altijd werd benaderd. Ik betreur dat die eerbied in de huidige maatschappij naar de achtergrond is verdreven, afgedaan als iets ouderwets. De tweede strofe kan je letterlijk lezen. Een einde is nooit definitief is. Het is wat je ervan maakt. Je mag je niet door externe factoren laten determineren. Ons leven is niet meer dan een kortstondige rimpeling op het water. Misschien raken we even anderen aan, maar daarna wordt alles weer vergeten en gaan die anderen weer verder. De rode draad van deze bundel is afscheid nemen. Dit gedicht is één van die gestaltes waaronder dat terugkeert.

Naast afscheid en vergankelijkheid, speelt ook de positie van het individu een centrale rol, zoals blijkt uit het laatste gedicht.

onderworpen zijn

Ik sta in het midden van iets, altijd.
Gemiddeld viermaal daags ben ik mij hiervan bewust.
Zonder ruchtbaarheid hieraan te geven
bewegen de dingen met me mee, bergen en valleien,
verlaten schelpen op het strand,
regen die over mijn wereld strepen trekt.

Een centrum aan externe krachten onderhevig,
weifelende balans tussen overgave en verzet,
lastige oorwurm van het grote woord bestaan.

Filosofen meanderen zich naar een uitspraak.
Zelf kom ik niet verder dan een positie
en de onderwerping eraan.

 

Dit is een eerder filosofisch gedicht, maar tegelijk zeer relativerend naar de filosofie toe. Want hoe je ook het hoofd over de kwestie mag breken, uiteindelijk is elke mens met zichzelf alleen. Ervaringen, meningen, gevoelens, sensaties, de dingen die je opmerkt, enzovoort zijn uniek in de letterlijke betekenis van het woord. Je kunt niet verwachten dat een ander persoon daarin met je meegaat. Je kunt erover nadenken tot je hoofd barst, maar je zult nooit verder komen dan dit hic et nunc. Daarom roep ik op tot wantrouwen voor iedereen die meent iets in de plaats van een ander te kunnen denken of beslissen.

Het gedicht doet me denken aan een citaat van Camus. In het midden van de winter leerde ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer schuilt. Omdat het de kern raakt van het ‘in het midden staan’. In de erkenning van je eigen, unieke positie schuilt een verborgen kracht die je onaantastbaar maakt.

Je koos ook zelf een citaat van Frank O’Hara:
I am not a painter. I am a poet. Why? I think I would rather be a painter, but I am not.
Zeker met enige ironie geponeerd, maar vooral heel herkenbaar en waar. Als dichter maak je deel uit van een kleine niche. Mensen aanvaarden sneller een beeld als kunstuiting dan een taalding, maar dat is nu eenmaal ons speelveld. Ons lot heeft dat zo bepaald.

Beelden worden misschien eerder begrepen dan taal. Waar een beeld onmiddellijk een zintuig aanspreekt, een respons uitlokt, moet taal zich een weg banen door de filter van de geest.
Wat ligt er nog voor de boeg?
Op dit ogenblik is dat wat onduidelijk. Een aantal gedichten sluiten wel goed bij elkaar aan en vragen naar de fase van de herwerking en dus de transpiratie, maar ik ben op dit moment vooral doordrongen van het gevoel dat ik een andere vorm wil of moet zoeken. Het inschatten van je eigen werk, blijft voor mij toch een grote uitdaging. Ik moet veel afstand kunnen nemen. Vaak zijn er dagen dat ik alles verwerp. Op andere dagen ben ik dan weer milder. Maar wanneer heb ik het bij het rechte eind?

Die twijfel en het proces van voortdurend herijken, lijken eigen aan de manier waarop je denkt en dicht.
Ik ben misschien wel eerder een bundeldichter dan een dichter die met één gedicht uitblinkt in een wedstrijd. Dus ik hoop op een dag nog een volgende bundel te kunnen loslaten. Maar dat klopt wel. Het voortdurend herijken is mij zeer eigen en dat zal ongetwijfeld in mijn gedichten aan de oppervlakte komen.

Als je vandaag een brief zou moeten schrijven aan de persoon die je over twintig jaar bent, wat zou dan de openingszin zijn?
Wel, is het gelukt om een beetje minder zelfkritisch te worden?

 

 

 

     Andere berichten

Interview Pim Cornelussen

Interview Pim Cornelussen

'Van kennis betekenis maken' door Ellis van Atten   foto © Anna Perger   Pim Cornelussen is een geboren Nederlander, nu wonend...

Interview Jolanda Kooijmans

Interview Jolanda Kooijmans

‘In het schrijven zoek ik naar een antwoord op, of contact met een nogal overweldigende wereld.’ door Monique Wilmer-Leegwater  ...

Interview Sarah de Koning

Interview Sarah de Koning

‘Het reddende element van schrijven en vertellen draagt ook een zekere wanhoop in zich: zonder verhaal valt er niet te leven’ door Annet...