LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Babs Gons – Wie zijn we morgen

2 sep 2026

Poëtische moraliteit

door Johan Reijmerink




Het kunstwerk, het schilderij, het gedicht, de roman, het muziekstuk worden niet zozeer gelezen, gezien of gehoord als wel geleefd door de lezer en/of de toeschouwer, aldus de Frans-Amerikaanse filosoof Georg Steiner in zijn boek Het verbroken contract (1989): ‘De ontmoeting met het esthetische is, samen met bepaalde vormen van religieuze en metafysische ervaring, het meest overschrijdende, omvormende appél waarover het menselijk ervaren beschikt. Het weloverwogen weergeven en overdragen van een verbeelde vorm aan iemand anders is daarom een morele handeling.’ Overigens verplicht datzelfde kunstwerk ons niet er kennis van te nemen. Dit absolute gebrek aan noodzaak impliceert precies de ‘belangeloosheid’ van ware kunst die de Duitse filosoof Immanuel Kant voor het eerst heeft gemunt. Niets maakt het ontstaan van het fictieve noodzakelijk. ‘Kunst wil ons niets anders dan het onschendbare raadsel van het andere in bezielde aanwezigheid voorstellen. Ze wil bij uitstek de onverbloemde instabiliteit en vervreemding van het leven voor ons tastbaar maken.’ Deze aanwezigheid van moraliteit, instabiliteit en vervreemding zijn ruimschoots aanwezig in de nieuwe, tweede bundel Wie zijn we morgen (2026) van Babs Gons.

Gons schrijft ritmisch doorleefde gedichten, die direct uit het dagelijks leven voortkomen. Haar woorden en beelden zijn overrompelend en ontzagwekkend eenvoudig in de verhalende vorm waarin ze zich aan je voordoen. In die levendige vertelbeweging voltrekt zich de subtiele gelaagdheid van het vers. De combinatie van eenvoud, verhalend karakter, alledaagsheid en gelaagdheid is verrassend en kenmerkend te noemen voor haar poëzie. De stijlfiguren van het parallellisme en de herhaling ondersteunen het ritme van de onderliggende verhalende beweging met haar morele boven- en ondertoonaarden.

Deze vijfendertig gedichten schreef Gons na haar debuutbundel doe het toch maar (2021) in de periode dat ze Dichter der Nederlanden (2023-2025) was. Ze is van meet af aan voluit een Spoken word dichter geweest en gebleven. Dat laat zich aan de ritmiek van haar gedichten aflezen. De strofische gedichten zijn ongelijk van omvang en regellengte, duidelijk bepaald door het spreekritme en de beeldreikwijdte van de voordracht.

Hoezeer Gons zich inleeft in de lichtheid en zwaarte van het bestaan van anderen, ze doet dat ook ten aanzien van haar eigen leven in een gedicht als ‘Stiefouders’. Ze brengt daarin een ‘eerbetoon aan de instapvaders’ in haar leven ‘die het overnemen omdat de verwekkers / zijn verdwenen naar andere gezinnen of verre oorden / aan de stiefmoeders die hun eigen wensen opzijzetten / voor de zorg voor het kroost van een geliefde.’ Tegen die achtergrond is het gekozen motto van Denise Levertov een toepasselijke leidraad in deze bundel: ‘How could we tire of hope?’ Die hoopvolle levenshouding is de hele bundel door aanwezig.

In het titelgedicht vraagt de dichter zich af: ‘wie we geweest zouden zijn’. Ze verplaatst zich in de levenssituaties als die van de abolitionist, de smokkelaar, de mensen uit de maatschappelijke onderklasse, de al dan niet blanke mens. Hoe zou het gesteld zijn onder die omstandigheden met onze eigen waardigheid? En hoe is het gesteld met onze voorouders en hun sta in het leven? De kernvraag luidt: ‘maar wie zijn we nu / wie zijn we morgen / met dit verleden dat zich voor ons uitstrekt / wie zijn we achter de komma / de kleinkleinkleinkinderen van’, want ‘vraagt een gedeelde geschiedenis / niet ook om het dragen van elkaars pijn / van elkaars welvaart/ om de erfenis te verdelen?’ Uit deze woorden spreekt een diep besef van (on)rechtvaardigheid.

In het actuele gedicht ‘Wat we verdedigen’ spreekt ze de hoop uit om te komen tot ‘ontwapenende ontmoetingen’. We zullen elkaar moeten treffen en niet elkaar moeten vrezen. In een tijd van politiek-maatschappelijk instabiliteit luidt haar stemadvies: ‘stem met je hart.’ Ze bedoelt daarmee dichtbij en heel concreet: ‘stem met de rechten / van de vrouwen die je leerden rekenen / de mannen die je favoriete snacks / nog vlak voorsluitingstijd / in de olie lieten zakken.’

Als hartstochtelijk dichter van het spoken word bepleit Gons de ‘toegevoegde waarde’ van het gedrukte boek. Belast dat niet, want dan ‘sluit je grenzen van verbeelding.’ Ze weet heel goed in het gedicht ‘over velen verdelen’, hoe je het verdriet van een ander even kunt optillen door bijvoorbeeld quiches te bakken en ze achter te laten: ‘omdat ze weten dat verdriet vergeet te eten.’ Voor haar groeit en graaft de liefde overal dwars door heen. Alles is bij haar erop gericht aan een beter later te bouwen: ‘we zullen muren van beloftes / optrekken / we zullen plannen maken / om de menselijke maat / weer voorop te stellen.’

Gons toont in haar poëzie haar liefde voor de medemens en laat dit zien in het gedicht over mantelzorg:

er zou een gedicht moeten zijn voor wie
in dauw en donker in kleine en grote uren
het leven van een ander omsluit uit liefde, uit noodzaak
het leven van een ander omringt met warmte, met zorg
soms als een last soms als een zegen

Het zou niet zo mogen zijn dat mensen in stilte op straat of waar dan ook sterven:

Geen stil leven dat naadloos
overgaat in de dood
in ons midden

we willen er zijn
voordat de eenzaamheid
het van ons overneemt
en als enige getuige
de laatste adem gadeslaat

Gons beseft heel goed dat ze met die ‘belangeloze kunst’ een macht bezit die ze dan ook voluit in deze bundel inzet:

waar ik aan de taal mag zitten
omdat ik onderdeel ben van de macht
een pamflet van een nieuwe wereld
een ander verhaal
waarin beschaving niet gebaseerd is
op verdeel en heers
niet op arrogantie van en natie

maar waarin duidelijk wordt
dat hoe beschaafd we zijn
ligt aan hoe humaan we zijn

Hoe verschillend we ook zijn in taal, afkomst en achtergrond, we zijn een meervoud: ‘wij, een meervoud / dragen eigen landen aan / van alle kanten van de geschiedenis // waarin soms vragen opduiken / over de taal bezitten mag / wie aan de taal zitten mag’. Ook duikt soms het verlangen in ons op alles bij het oude te laten, toch ontkomen we er niet aan net als de rivieren mee te meanderen met de stroom van de tijd. Zoals in het gesprek dat we met elkaar voeren, kan de taal wel eens ‘meer vragen’ oproepen ‘dan antwoorden’ geven, ‘dan wil de tijd weleens / wat van zijn ideeën kwijt / aan de vitrines van het verleden.’

Kansenongelijkheid is een onderwerp dat Gons vanuit haar eigen geschiedenis zeer na aan het hart ligt, zoals in het gedicht ‘gezien’: ‘wat zouden we ze graag allemaal zien’. Dan volgt er een lange rij van kinderen in verschillende situaties ‘die lijden / onder het scheiden / die beter kunnen / maar het slechter doen’. Al die kinderen die achter het lachen van alles verbergen willen ‘allemaal gezien worden / op die eerste dag / op die laatste dag // op een moeilijke dag / als we midden in het jaar komen / en zoveel moesten achterlaten’. We willen immers ‘allemaal gezien worden’.

Bij die hoop ooit gezien te worden past het wakker worden in een nieuw lichaam en een nieuwe geest: ‘ons lichaam zal als een huis zijn / solide als baksteen / we zullen het zelf bezitten’. Het zal niet langer ‘een plaats delict’ zijn, niet ‘bezit / van een ander, een last’. Op een dag worden we wakker in ‘een wereld als nieuw’.

Op verschillende plaatsen in de bundel komt de rassenongelijkheid naar voren. Zo ook in het gedicht ‘bataljon van de vergetelheid’. De veronachtzaming en miskenning van de werkzaamheden van de soldaten met een andere huidskleur die ‘zonder ceremonie of medailles / geen eerbetoon of accolade / geen lofzang op onze daden’. Zij zijn de vergeten soldaten uit de oorlogen waarbij Nederland betrokken is geweest.

De Afro-Amerikaanse textielkunstenares Bisa Butler (1973) verpakt haar sapeurs of geniesoldaten als ‘liefdesgedichten / gehuld in patronen en motieven / als odes aan het leven’. Haar levensmotto is: ’wat geeft meer vreugde / meer schoonheid / dan de mens in al haar glorie / flamboyant en gracieus / op haar best verpakt’ te laten verschijnen op haar quilts.

Gons laat een brede oriëntatie op kunst zien. Zo komt ook de Afro-Amerikaanse componiste Florence Price (1887-1953) in beeld. Voor haar composities is de laatste tien jaar weer meer aandacht gekomen: ‘hoe een land een volk / een cultuur / vergeetachtig / hoe ons geheugen doof werd/ voor je partituren’. Ze mengt ‘de dans van zwart Amerika / met verzen over vrijheid’. Elke stad verdient een stadsdichter als Gons, ‘want de stad bezingen / in minstens zes verzen per jaar/ kan voor altijd verbinden’.

Gons’ observaties op Schiphol in de zomer van 2023 leidde tot beelden van mensen ‘met de wereld op [zijn] hun schouders’. Later in het ziekenhuis komt ze onder wisselende omstandigheden tot de conclusie dat ‘mensen op hun mooist’ willen lijken, zoals ‘mijn vader op zijn mooist / door mijn moeder gekleed / in zijn favoriete T-shirt in de kist’. Deze dichter vol enthousiasme (= met God zijn) denkt ‘in tweevoud’: ‘als ik mijn tijdelijkheid / naast jouw tijdelijkheid leg / hebben we twee keer zoveel / hart’. Samen reik je dan misschien niet ‘tot in de eeuwigheid’, maar het leven wordt er menselijker door. Bij die innerlijke houding past de ‘gloed’: ‘we zijn eeuwen van / ongebleekt katoen, velours, linnen / zijde, satijn, crêpe de Chine, battist / fluweel, flanel, brokaat // stof / waaronder we ons vuur dragen’. Jurken ‘als altaren / voor het vuur dat we al eeuwen / in ons dragen / dat ons duwt uit de schaduw / de stilte / dat van onze verlangens / kleden weet te maken’.

Voor Gons is de stad een plaats waar ze ‘flanerend in mijn beste huid, met mijn mooiste ogen’ de wegen afzoekt ‘naar paradijsvogels / de bonte parade van volksminnaars, straatdichters / van wandelende kunstwerken en gelukzoekers / die net als ik ooit de stadsgrenzen overstaken’. Deze strijdbare dichter met een positieve inborst weet dat ‘de grootste strijd’ pas begint nadat de demonstratie, het protest is voltooid: ‘de strijd begint pas echt / op de terugweg’. In de ‘borstkas als klankkast’ gaat Gons zich te buiten aan het klankdicht zoals de The Last Poets dat deden: ‘woordkunstenaars / ritmedichters / singersongdichters / sneldichters/ huisdichters/ hofdichters’. In het voorlaatste gedicht spreekt Gons uit wat haar draagt.

ik ben wat ik draag
ik draag wat ik ben
waar ik vandaan kom
ik draag wat ik ken

mijn DNA
aan de buitenkant
van mijn huid
ik ben wat ik draag
ik draag wat ertoe doet
ik draag wie ik maar ken

(…)

en als je me vraagt
waar kom je vandaan
waar kom je echt vandaan
dan zeg ik hier
uit het oosten van deze rok
van de katoenplantages op mijn borsten
uit het westen van mijn heupen
waar het stof zich heeft opgehoopt

Voorlopig zal Gons – als het aan haar ligt – blijven schrijven over haar eigen wereld en die van vele anderen, jong en oud. Met haar dichterschap is er een unieke stem de Nederlandse poëzie binnengekomen, die wat in haar hart en ziel leeft in verstaanbare versregels weet te vertolken. Wat een beheerste hartstocht, weloverwogen zegging en doorvoelde levenservaring spreekt er uit deze zeer aansprekende bundel die door alles heen met stellige aandrang ons wijst op de morele plicht de hoop niet uit het oog te verliezen.
____

Babs Gons (2026). Wie zijn we morgen. Atlas contact, 96 blz. € 22, 99. ISBN 789025479244

     Andere berichten

Elly de Waard – Liefdesgedichten

Elly de Waard – Liefdesgedichten

Het gemis van bemind worden door Ali Şerik - - De bundel Liefdesgedichten van Elly de Waard is een ode aan de vrouwelijke schoonheid,...