Michael Vonk (1992) schrijft proza, essays en poëzie. Hij zoekt maatschappijkritiek in magisch-realisme, absurdisme, satire en dystopie, maar probeert ook troostend te zijn. Zijn werk verscheen in De Groene Amsterdammer, Elders Literair, Shortreads, Lentezine, Berg Literair Tijdschrift en verhalenbundels. Hij behaalde de top tien bij de Jotie T’Hooft Poëzieprijs 2026 en won de PEN/GAU Schrijfprijs 2026 en de Berg Literair Tijdschrift Schrijfwedstrijd Proza 2026.
–
–
–
Ontvleesd
De badkamerspiegel zweet druppels
langs de barst in het kwik.
Er ligt een haar in de wasbak,
stug als ijzerdraad,
gekruld rond een restje tandpasta.
In de gang schuurt de wollen jas
tegen de behangen wand,
een geluid van droog zand op glas.
De knoopjes staan op knappen;
ze trekken kleine oogjes in de stof.
Op het aanrecht rust een perzik.
Het vel staat strak,
bijna blauw onder de felle tl-buis.
Eén vingerdruk laat een kuiltje achter
dat niet meer wegtrekt,
een stille deuk in het dons.
Buiten ritselt de heg.
De buurman bukt voor een onkruidje,
zijn hemd kruipt omhoog
en toont een strook wit,
geplooid als een laken na een koortsige nacht.
De sleutelbos weegt zwaar in de palm.
Metaal op eelt,
een kille afdruk van tanden
diep in de zachte muis van de hand,
totdat het bloed weer traag
de kuiltjes vult.
–
–
–
–
De navelstreng is een verlengsnoer (zonder stroom)
er zit een knik in de knieholte
zoals een ezelsoor in een te vaak geleend boek
we zijn met zovelen, maar de huid
blijft een eenmanszaak
met slecht sluitende deuren
ik heb geprobeerd me uit te smeren
over de vensterbank, over de stoep
over de rug van een vreemde in de tram
die rook naar natte wol en oud zeer
maar de wet van de zwaartekracht
is een conservatieve boekhouder
die alles wat uitstulpt
meteen weer tussen de ribben harkt
de maatschappij is een feestje
waar iedereen zijn eigen jas moet vasthouden
omdat de garderobe is wegbezuinigd
we botsen tegen elkaar op
als ontdooide erwten in een schaal
zacht genoeg om te deuken
hard genoeg om nooit echt te mengen
kijk, daar gaat de buurman
hij draagt zijn romp als een boodschappentas
waarin de organen rammelen als statiegeldflessen
hij zoekt een inleverpunt
een plek waar zijn gewicht
geen parkeergeld kost
ik raak je aan
niet omdat ik je wil kennen
maar omdat mijn vingertoppen
ook maar ergens moeten wonen
de grens is bereikt
bij de opperhuid houdt de democratie op
en begint de dictatuur van het alleen-zijn
we zijn allemaal
tijdelijke huurders
van een pand dat langzaam verzakt
terwijl de verhuurder
al jaren niet meer opneemt
–
–
–
–
De zachte dwang van tussenmuren
er zit een hapering in het vlies
waarmee we de kamers van de dag betreden.
ik hoor je adem als een schuifmaat langs de plinten,
een meting van wat er nog aan ruimte rest
tussen het beton en de bloedsomloop.
we zijn zo gewend geraakt aan de architectuur
van het stilhouden, het insnoeren van de longinhoud
omdat de buren de trillingen van ons bestaan
konden verwarren met een verzakking in de fundering.
je vingertoppen zijn eeltig van het zoeken
naar de schakelaar die het licht niet buiten,
maar binnenin de huid dooft.
de wereld eist een gladgestreken oppervlak,
een vergunning voor elke rimpel in het laken,
terwijl de zwaartekracht trekt aan wat we liever
als een abstractie hadden gezien.
we zijn geen ideeën die door de gangen zweven.
we zijn het kraken van het parket onder een hiel,
het ongemak van een knie die de tafelrand raakt,
het bewijs dat we ergens ophouden
en de koude lucht begint.
alles aan ons is een herinnering aan weerstand.
de manier waarop we de jas dichtknopen
tegen de blikken die ons willen pellen tot een bruikbaar cijfer.
ik leg mijn hand op de plek waar jouw pols
het ritme van de klok negeert.
het is een klein, koppig verzet:
vlees zijn in een tijd die liever glas had gezien.

