LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Langs het duinpad naar de sterren – in memoriam Johanna Kruit (1940-2026)

13 sep 2026

door Rogier de Jong

 

Op 8 juli 2026 overleed de Zeeuwse dichteres Johanna Kruit. De nieuwsbrief van Meander besteedde op 12 juli aandacht aan haar overlijden. In deze column wil ik wat dieper op haar leven en werk ingaan.

Bijna had ik Johanna Kruit persoonlijk ontmoet. Op 13 september 2026 droegen we met een aantal dichters voor ter gelegenheid van de afsluiting van de Verbeeldingsroute in Terneuzen. Johanna zou daar bij zijn geweest. Nu las Tijs van Bragt haar gedicht voor, waardoor ze in de geest toch aanwezig was.

Hoewel ik Johanna Kruit dus niet persoonlijk heb gekend, ‘zag’ ik haar af en toe op Facebook als ze een nieuw gedicht had geplaatst. Ook aan de rubriek Vers op zondag van de PZC deed ze mee. Deze serie van journalist Jan van Damme kende een carrouselvorm die ervoor zorgde dat elke deelnemende dichter om de zoveel tijd aan de beurt kwam.

Ik houd bijzonder van de gedichten van Johanna Kruit: ze zijn verstaanbaar, melancholiek van toon en vooral heel erg Zeeuws. Graag citeer ik het volgende gedicht uit Vers op zondag:

Stoomgemaal Oosterschelde (Tholen)

Een hoge schoorsteen wijst de weg die eindigt in een
dreef. Wij wisten niet dat vlak naast het gemaal een huis
nog onbewoonbaar bleef. De scheve dakgoot ruist van
regen die op de stenen valt. Het veld rondom beweegt

van wind. Een lang verdwenen kind keek door de ramen uit
misschien. We zien het uitzicht: schapen tussen gras, een
verre toren. Bij een kreek een boerderij. Opzij een weel
die water vangt. Al wat voorbij is bleef. Kwamen

er bezoekers? Waren de oevers van de Schelde en de dijk
genoeg als houvast voor een kind? Wanneer begint
het heimwee naar een verre horizon en komt
er dan een dag dat je hier onverschillig kijkt?

Verleden schuift voorbij, ik maak me los. Wij zijn
passanten in een landschap. Ons troosten is te klein.

Voor Johanna Kruit, geboren in het Walcherse Zoutelande, vormde het Zeeuwse landschap het decor waarin ze leefde en het ijkpunt van waaruit ze schreef. Bundels als Omtrent het getij en Verdronken water getuigen van haar liefde voor Zeeland.

Johanna Kruit groeide op als een na oudste in een gezin van elf kinderen. Haar vader was boekhandelaar. Kruit bezocht de mulo en werkte daarna als verpleegkundige in een kindersanatorium. Daarna had ze een tijdje een jeugdrubriek in een regionale krant. Aan bed gekluisterd door een hernia, begon ze pas op latere leeftijd met schrijven. Dat mondde in 1976, nu een halve eeuw geleden, uit in haar debuut Achter een glimlach. Sindsdien verschenen er tientallen poëzie- en verhalenbundels, voor volwassenen en kinderen. Kruits poëzie werd opgenomen in meer dan honderd bloemlezingen.

Haar doorbraak als dichteres kwam toen ze in de jaren tachtig samen met de schrijvers Leendert Witvliet, Wiel Kusters, Remco Ekkers en Ted van Lieshout vaste medewerker werd van De Blauw Geruite Kiel, de vermaarde jeugdrubriek van Vrij Nederland.

‘Johanna was een toonaangevende dichteres en stond in het circuit van de kinder- en jeugdpoëzie vaak alleen in een gezelschap van vooral mannelijke dichters’, schrijft BGK-kompaan Ted van Lieshout in een reactie op haar overlijden. ‘Te midden van hen viel ze op met een dromerigheid en zachtheid die, ook qua sfeer en variatie, opvallend goed bij haar pasten en bij het landschap waar zij zich het meest thuis voelde: Zeeland.’

Dromerigheid en zachtheid – ik denk dat deze karaktertrekken ook van toepassing zijn op Kruits poëzie, teder en melancholiek, zoals in het volgende gedicht:

Walcheren bij avond

De dag gaat dicht als een deur. Jij schudt
een sprookje uit je mouw. We lopen
langs het duinpad naar de sterren en open
gaat de nacht. De lage lichten van de kust

beloven meer dan je kunt zien. Een visser staat
met zijn lantaarn aan in zee. Het silhouet
van een geluidloos schip wordt neergezet
tegen de einder en verschuift. Met regelmaat

van enkele seconden zwaait een armvol licht
vanaf de vuurtoren over ons heen. De wind
gaat liggen in een dal, de avond wint
het van de dag. En dan van ver komt er een dicht-

regel van Achterberg over het schaduwpad:
‘Aan het roer dien avond stond het hart’.

Uit: Voorheen te Orisande (De Bezige Bij, 1986)

 

 

Geraadpleegde bronnen:

  • Wikipedia
  • Patrick Meershoek in de Volkskrant van 2 september 2026
  • Zichtbaar alleen (blog van Wouter van Heijningen)
  • Rolf Bosboom in de PZC van 10 juli 2026
  • Vers op zondag aflevering 212
  • Voorheen te Orisande (De Bezige Bij, 1986)

Foto: © Ruben Oreel

 

 

     Andere berichten

Symbolen in een droge zomer

door Jan Loogman   Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken voordat de wereld verregent. In de zomer van 2026, als ook in Europa de...

Ode aan Wim J. Simons & De Beuk

door Ko van Geemert   Nadat ik halverwege de jaren zeventig met het schrijven van gedichten was begonnen, wist ik van geen ophouden...