LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Een poëtisch park inspireert…..

18 okt 2026

door Hans Franse

 

Parijs was in mijn jeugd een droombeeld. Rome was te ver weg, New York leek onbereikbaar, in mijn jeugd was vliegen voor de heuse rijken der wereld. Waar kwam dat droombeeld vandaan? Het waren de foto’s van Ed van der Elsken (Een liefde in Saint-Germain des Prés) de romantische beelden uit ‘La Bohème’, chansonnières als Juliette Gréco, Catherine Sauvange, Patachou en Edith Piaf, maar ook Leo Ferré, Brassens, Yves Montand,  Serge Reggiani en films als ‘La Seine a rencontré Paris’, Quai des brumes, de ‘films noirs’ en het begin van de Nouvelle vague: het was allemaal fascinerend. Ik wilde ernaartoe en deed dat de eerste keer liftend. Later kwam ik er heel veel: het werd mijn stad. Eén van de plekken waar ik heen ging als ik moe was, was het parc Monceau, een zeer levendige plek in het centrum van Parijs, een beeldschoon park, met heel veel spelende kinderen, vol au pairs met kinderwagens en veel jong geliefden.

                      

Eens was ik er vroeg in oktober, een prachtige dag met het park in herfsttinten, het was ontroerend mooi, maar tezelfdertijd melancholiek. Het einde van de zomer naderde in schoonheid. In mijn hoofd zoemde muziek van Brahms, zijn 4e symfonie, zijn klarinetkwintet. Ik dacht aan Francoise Sagan die een boek had geschreven ‘Aimez-vous Brahms?’ waarin de muziek van Brahms het begin is van een hartstochtelijke korte liefde. Onderstaande titel heeft dus met mijn favoriete park niets te maken, maar wel met dat gevoel van schoonheid en vervoering. Ik noteerde wat invallen en schreef twee gedichten over dit park en noteerde een tempoaanduiding van Eric Satie.

AIMEZ-VOUS BRAHMS?
Beroemde roman uit de jaren zestig van Francoise Sagan
tempo aanduiding: Autre coral “non lent”.

In het park van Monceau
is de herfst een mooie douarière
in een romantisch groen gewaad
met herfstbloemen afgezet
die met opgetrokken rokken
leunend tegen een klassieke zuil
haar nog mooie, lange benen
onomwonden toont.

Mijn dahlia, mijn aster,
mijn helwitte chrysant,
mijn waterpracht vol licht.

Tussen de kindermeisjes
met volle kinderwagens
volg ik haar
als zij met zonlicht
de bloemen en de bladeren
definitief de dood aanzegt.

In de ‘Verzamelde werken’ van dichter/schrijver, bewogen en antifascistisch journalist Kurt Tucholsky, een van mijn favorieten, door Erich Kästner voorgesteld als ‘ een dikke Berlijner die met zijn schrijfmachine een crisis wil voorkomen, vond ik iets leuks Tucholsky, hoofdredacteur van ‘Die Weltbühne’, schreef soms 4 stukken per dag , daarbij zijn pseudoniemen Theobald Tiger en Peter Panter gebruikend. Hij woonde van 1925 tot 1928 in Parijs en publiceerde in zijn weekblad vaak over die stad. Zijn boeken werden verbrand na 1933. Hij vluchtte uit Hitler Duitsland naar Zweden en stierf daar òf door zelfmoord òf door een vergiftiging, nadat hij in 1931 een zeer ondeugende zomerroman had geschreven ‘Kasteel Gripsholm’. Ik vond een gedicht van hem over mijn favoriete park, waarin hij met zijn milde ironie het leven waarneemt. Kinderen speelden met een grote bal. Hij voelt zich rustig, hier kan hij dromen en is niet enkel (bewogen) burger. ‘Hier mag ik naar links gaan’. Want er is geen bordje ‘verboden toegang’. Misschien zit hier ook een politieke verwijzing in, de ‘ Weltbuhne’ was erg links en werd daarom gehaat en dwars gezeten.Een jongen die in zijn neus peutert, maakt hem rustig. Hij ziet ook vier Amerikaanse dames die via hun reisgids(Cook) kijken of er bomen in het park staan. ‘Zij zien niets, maar moeten alles zien’. Kinderen maken lawaai, de ‘..zon schijnt en blinkt op een huis’ . Tucholsky laat zich door de zon ‘ beschijnen’ en rust uit ‘ van zijn vaderland’. Het is een van de vele chansonachtige gedichtjes die hij veel schreef.

PARK MONCEAU

Hier ist es hübsch. Hier kann ich ruhig traümen.
Hier bin ich Mensch – und nicht nur Zivilist.
Hier darf ich links gehen. Unter grünen Baümen
sagt keine Tafel, was verboten ist.

Ein dicker Kullerball liegt auf dem Rasen.
Ein Vogel zupft an einem hellen Blatt.
Ein kleiner Junge gräbt sich in der Nasen
und freut sich, wenn er was gefunden hat.

Es prüfen vier Amerikanerinnen,
ob Cook auch recht hat und hier Baümen stehn.
Paris von auszen:.Paris van innen:
sie sehen nichts und müssen alles sehn.

Die Kinder lärmen auf den bunten Steinen.
Die Sonne scheint und glitzert auf ein Haus.
Ich sitze still und lasse mich bescheinen
und ruh von meinem Vaterlande aus.

Kurt Tucholsky

Hebben ook Fransen over dit mooie park geschreven? Chansonnier Yves Duteil komt dichtbij de zeer zingbare teksten van Tucholsky. Hij zingt over zijn herinneringen aan dat klassieke park. Het is een lang chansons, vandaar maar een paar coupletten. Hij denkt aan zijn eerste kus, een sprankje hoop ,op een bankje in een laantje, opgewonden, met zijn hand op haar hart. Daar vond het ‘..geluk zijn wieg…’ op zijn 16e jaar, tussen de bogen, de hekken en achter de piramide die hen verstopte voor voorbijgangers ‘ In dat park in Frankrijk, een klein stukje van mijn jeugd…veilig opgeborgen in mijn geheugen’. …tussen de parkwachten en de kinderwagens, tussen de bloemen en de mussen’. Let even op de prachtige binnenrijmen. Ik heb het op You tube opgezocht, het is heerlijk.

‘..Le Parc Monceau, premier baiser de mon histoire
Sur un des bancs d’une allée noire, un peu d’espoir
La peur, la folle envie d’oublier l’heure

Ma main posée contre son cœur…
Au Parc Monceau, entre les grilles et les arceaux
Le bonheur a fait son berceau
Pour nos seize ans, la pyramide et ses mille ans
Nous avait cachée des passants

Un parc en France, petit morceau de mon enfance
Où j’ai trouvé l’adolescence, un jour de chance
Un square, bien à l’abri dans ma mémoire
Quand j’y retourne par hasard…

Au Parc Monceau, entre les grilles et les arceaux
Entre les gardes et les landaus
Au Parc Monceau, entre les fleurs et les moineaux
Les cours d’histoire avaient bon dos.

Yves Duteil

Ik vond ook een gedicht van een Franse dichteres die ik niet kende, Marie-Gabrielle Forgach, Ze schrijft wat bitter over een sombere dag in Monceau; vies weer, rukwinden en ‘men’ die haar belaagt , waarna zij met haar chèrie wegloopt. Het is haar bekendste gedicht dat ze, zoals haar andere werk, publiceerde op Internet Een biografie leverde niet veel op en noemt haar ‘een amateur-dichteres’. De kwaliteit viel mij tegen. Eigenlijk zou ik het moeten opnemen, maar het is nogal een lap tekst. Daarom de link onder haar naam. Misschien is er een (Vlaamse) lezer, die beter Franse poëzie kan beoordelen dan ik, die mij terecht kan wijzen. Gebeurt dit dan zal ik in een volgende column het gedicht opnemen. Maar Tucholsky en Duteil vind ik leuker.

 

 

foto’s © Hans Franse

 

–

     Andere berichten

Voor mijn moeder

door Jan Loogman     We zitten in huiskamer 2. Vijf vrouwen zitten aan de ovaalvormige tafel, de een is zonder hulp in een stoel...