‘Een taal – of talencomplex – is niet statisch en monolithisch, maar polyfoon en dynamisch.’
door Alja Spaan
Yvan (Leopold Stefaan) De Maesschalck, in 1956 geboren in het Oost-Vlaamse Wetteren, studeerde Germaanse talen aan de Rijksuniversiteit Gent. Daarna vervulde hij zijn dienstplicht op de Persdienst van het Ministerie van Defensie. Hij had het geluk de secondant te worden van een tweetalige, kunstzinnige commandant, die in zijn vrije tijd schilderde en hem inleidde in de (decadente) Franse literatuur.
Na dit militaire intermezzo kon hij aan de slag als leraar Nederlands en Engels in de Broederschool van Sint-Niklaas. En later als docent Engels aan de Europese school van Luxemburg en Brussel. Intussen schreef hij af en toe een essay of recensie voor bladen als Kreatief, Kultuurleven, Ons Erfdeel, Streven en Poëziekrant. Over Cyriel Buysse publiceerde hij een aantal bijdragen in de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap (1985-2014). Dat genootschap werd gedurende dertig jaar amicaal en vakkundig geleid door professor Anne Marie Musschoot, die samen met Arie-Jan Gelderblom de hoofdredactie zou vormen van de tiendelige Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (2006-2017). Al enige tijd schrijft hij recensies voor diverse tijdschriften, vooral voor Poëziekrant, de lage landen, Wetenschappelijke Tijdingen, Tiecelijn, en sinds kort dus ook voor Meander.
Tot nog toe zijn behalve losse (gelegenheids)gedichten ook twee dichtbundels verschenen: De muren van Meknes (Demer Uitgeverij, Leusden, 2020) en Vossenkwaad (Reynaertgenootschap, Sint-Niklaas, 2023). Een derde bundel, waarin een bepaalde paardenmetafoor figureert, is nog in de maak.
foto © Beatrice Verhassel
Hoe ben je bij Meander terechtgekomen? En wat doe je bij Meander?
Bij Meander ben ik terechtgekomen door een samenloop van omstandigheden. Tot eind 2025 schreef ik met enige regelmaat stukken voor MappaLibri, een maandelijkse nieuwsbrief die zichzelf omschreef als ‘een website voor lezers die zoeken naar kwaliteit’. In feite betrof het de digitale voortzetting van De Leeswelp (vanaf 2006) en De Leeswolf (vanaf 2004), die vooral berichtten over Nederlandse en vertaalde (jeugd)literatuur. De nieuwsbrief werd keurig geredigeerd door Jen de Groeve, die ik bij deze graag hulde breng voor haar onverdroten inzet en betrokkenheid. De aangekondigde stopzetting van MappaLibri viel nagenoeg samen met de publicatie van Johan Reijmerinks essaybundel Rondom de verwondering (2025). Ik kende Johan toen als criticus voor Poëziekrant en auteur van diverse (filosofisch getinte) essays, onder meer over Cees Nooteboom. Aan hem stelde ik de vraag of ik kon beschikken over de contactgegevens van Meander magazine. Zodra ik die in mijn bezit had, verzocht ik Alja Spaan en Janine Jongsma of ik een bespreking aan Johans boek zou mogen wijden. Op 3 september 2025 stuurde ik een mailtje en nog diezelfde dag kreeg ik het bemoedigende antwoord dat een ‘gastrecensie’ welkom was. Op 13 oktober 2025 verscheen mijn eerste stuk onder de titel Verhelderende gedachten over de lyriek van de verwondering. Sindsdien schrijf ik geregeld recensies over onlangs verschenen poëziebundels voor Meander.
Hoe kwam je in aanraking met poëzie?
Vooral dankzij poëtisch gestemde leraren op school, zoals velen die later van poëzie zijn gaan houden, vermoed ik. ‘Leraren’ klinkt nogal mannelijk, maar dat was ook zo, want lesgevende vrouwen heb ik in die tijd – de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw – niet te zien gekregen. In alle eerlijkheid moet ik wel zeggen dat zij het aanmaakhout leverden dat later ontvlamde en sommigen onder ons naar poëzie deed grijpen. Daarover vertelde ik eerder iets meer in het Meander-commentaar Van spinrag tot tegenlicht van 13 maart 2026.
Omdat ik iets met talen wou doen, las ik er vanaf het voorlaatste humaniorajaar nogal op los. Ik koesterde zelfs de naïeve hoop de verzamelde gedichten van Karel van de Woestijne te lezen voor ik aan mijn studie begon. Maar dat viel aardig tegen, want de symbolistische dichter bleek taaie en voor mij onbehapbare kost. Ik heb hem pas tientallen jaren later mondjesmaat leren appreciëren. Ook de Amerikaanse romanticus Edgar Allan Poe behoorde tot de lectuur die ik mezelf oplegde, vooral zijn huiveringwekkende kortverhalen. Maar ook zijn poëticale opstellen en gedichten, zoals To Helen en het bekende The Raven, spraken me aan. In bundels van Nederlandse dichters ben ik me pas gaan verdiepen in de jaren 1990, mede dankzij het aanstekelijke enthousiasme van een paar bevriende dichters, met name René Van Daele en Marc Tritsmans.
Wat vind je leuk aan deze klus?
Er zijn, wat mij betreft, een paar erg leuke aspecten. Bijzonder aangenaam is de vooraf meegedeelde timing die toch ruimte biedt voor enig respijt of een verschuiving in de tijd. Dit ‘medewerkersgesprek’ is er een mooi voorbeeld van. Ik tracht de afspraken altijd te honoreren, maar deze keer was het me niet echt gelukt, om welke reden dan ook. En dan blijkt de redactie daar toch begrip voor op te kunnen brengen. Een tweede, en voor mij toch essentiële reden, is het feit dat Meander niet terugschrikt voor langere of diepborende beschouwingen. Je kunt als recensent een bepaald punt maken en dat punt ook rustig onderbouwen, zonder meteen het aantal lettergrepen of spaties te hoeven tellen. Dat is voor een digitaal medium uiteraard makkelijker dan voor een gedrukt tijdschrift, maar die redactionele vrijheid geeft hoe dan ook zuurstof aan recensenten die minder kort aangebonden zijn (al besef ik de waarde van Shakespeares adagium dat ‘brevity is the soul of wit’ en hield de beroemde bard zelf zich er – gelukkig – niet altijd aan). Heel welkom zijn de altijd weer opbouwende reacties van de redactie, in mijn geval vooral die van Janine Jansma dus. Ze worden ten zeerste op prijs gesteld!
Wat is het grootste verschil tussen de Nederlandse en Vlaamse taal?
Ja, dat is wellicht een voor de hand liggende vraag voor wie van het Noorden, zeg maar Nederland, naar het Zuiden, zeg maar Vlaanderen, kijkt. Om te beginnen impliceert de vraag dat er een Nederlandse en een Vlaamse taal zouden bestaan. Dat is vanuit een synchroon taalkundig standpunt enigszins problematisch. Vergelijk die vraag met een denkbare variant als ‘Wat is het grootste verschil tussen de Amerikaanse, de Engelse en de Australische taal’? Het antwoord is om allerlei redenen behoorlijk complex, maar zou zeker ook moeten inhouden dat alle sprekers en schrijvers van die ‘talen’ zich van het Engels bedienen. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de varianten van het Nederlands in Vlaanderen en Nederland (en die van Suriname en het Caribische gebied). Er zijn uiteraard allerlei verschillen op alle mogelijke vlakken of in alle componenten van de taal: op het gebied van de woordenschat, zinsbouw, uitspraak, intonatie en beïnvloeding door andere talen. Tegelijk heb ik het gevoel dat in Noord en Zuid stilaan anders tegen de standaard(taal) wordt aangekeken. Tot voor enkele decennia werd die norm bepaald door Amsterdam en de Randstad. Maar die normerende functie is voor Vlaanderen stilaan verdampt. Je zou kunnen zeggen dat er, zeker wat de spreektaal betreft, twee of meer standaarden zijn, maar voor de (mainstream)literatuur is dat, denk ik, iets minder het geval. Het feit dat een Nederlands dichter ‘door de bank genomen’ schrijft/zegt en een dichter van Vlaamse origine ‘door de band genomen’ kleurt hun register, maar daarom hanteren ze nog lang geen andere taal. Elke levende taal is per definitie een amalgaam van taalvarianten, die aan veranderingen onderhevig zijn en voortdurend evolueren. Een taal – of talencomplex – is niet statisch en monolithisch, maar polyfoon en dynamisch.
Wordt poëzie meer gewaardeerd in België?
Aan die vraag zou eigenlijk een representatief vergelijkend onderzoek moeten voorafgaan, heb ik het gevoel. Naar mijn mening wordt poëzie erg gesmaakt in Nederland, onder meer in de vorm van slam poetry en spoken word, maar ook op allerlei poëziefeesten en internationale happenings (Poetry International in Rotterdam; optredens in Den Haag, Tilburg, Haarlem, noem maar op). Het Nederlands Poëziecentrum (PcN) in Nijmegen, onder impuls van de onvermoeibare Wim van Til, is een treffend voorbeeld van hoe een bescheiden privé-initiatief landelijke weerklank heeft gekregen en geheel terecht! Er is het gewaardeerde poëzietijdschrift Awater, ooit opgericht door Gerrit Komrij, en er zijn de voortreffelijke digitale weblogs en tijdschriften, zoals Meander en Tzum. Nederland doet het, naar mijn inschatting, erg goed en huisvest nog altijd de uitgeverijen waar ook Vlaamse dichters heen willen, vanwege de uitstraling en de hoop een breder publiek te bereiken. Al is op dat gebied misschien een kentering in de maak en worden uitgeverijen als Pelckmans in Kalmthout, P in Leuven (dankzij Leo Peeraer) en De Zeef in Gent (dankzij Roel Richelieu van Londersele) rijkelijk voorzien van kwalitatief hoogstaande inzendingen en potentiële debuten. Of de situatie dus minder gunstig is voor België of Vlaanderen, durf ik te betwijfelen. Er is bovendien nog altijd het toonaangevende Poëziecentrum (PC) in Gent, dat ook als documentatiecentrum en uitgeverij fungeert en met Poëziekrant sinds kort deels gekozen heeft voor de digitale weg. Het PC is onder meer betrokken bij de organisatie van het spraakmakende internationale project Versopolis en de jaarlijks terugkerende Poëziezomer van Watou (West-Vlaanderen).
Wat mis je nog bij Meander?
Ik zou niet meteen weten wat er ontbreekt. Het enige waar ik spontaan aan denk is een uitbreiding van de rubriek waarin op bepaalde gedichten concreet wordt ingezoomd. Misschien zou je bevlogen lezers of critici kunnen uitnodigen om op niet-canonieke gedichten – naar keuze – nader in te gaan? Een beetje in de trant van de rubriek Een gedicht belicht, die van 2014 tot 2018 op de DBNL was opgenomen maar die ik niet meer teruggevonden heb. Ook in Poëziekrant en Ons Erfdeel (nu de lage landen) heeft zo’n rubriek bestaan. In De Standaard – en wellicht ook elders – leveren poëziekenners als Carl De Strycker en Paul Demets soms concieze commentaren bij een enkel gedicht afkomstig uit een pas gepubliceerde bundel. De gebalde maar erg rake commentaren van de fenomenale Paul Claes strekken evenzeer tot voorbeeld, zoals gebundeld in zijn essayboeken De sleutel (2014) en Canon van de Nederlandse poëzie (2023). Net als de meer dan honderd uitmuntende beschouwingen van Gerrit Komrij in In Liefde Bloeyende (1998). Misschien iets van dien aard?
Drie eigen gedichten
(voor René)
–
haar vingers rusten
op het glimmend hout
wachtend op wat niet komt
gestold tot niets dan aarzeling
maar plots alsof uit dove diepte
spieren worden aangedreven
streelt zij een enkele snaar
een klankatoom slaat aan
haakt in een takkenbos van stilte
geen zucht wordt nog geslaakt
geen adem meer gehaald
als vloeibaar zilver parelt
een koraal, waarna haar
handen langzaam zijgen
–
naar het gedicht bloedkoraal uit De muren van Meknes, 2020, p. 34
–
er huilt een maan in mij,
zij wast mijn keelgeluid
als ben ik gif dat haar verkwikt:
mijn tong likt alle nachten dicht,
omklemt de dromen die in
vossenogen schuimen
met prikkeldraad van licht
–
er plakt een bloedsmaak
aan mijn vergrauwde pels,
een donkerrode tederheid
die geen hond vermoedt:
ik word verteerd door
wanen die woekeren in
de kwelgrond van mijn hart
–
ik laat geen sporen achter,
mijd elke schaduwvlek
en vlucht mezelf voorbij:
in mijn verzonken ziel zindert
de steppe na waarin de poolwind
aan mijn knoken trekt
–
uit Vossenkwaad, 2023, p. 11
–
HIJ zong mij toe en dwong me
de ruimte in die doodkistgewijs
mijn belaagde lijf omsloot
–
. Alan
Strang mocht niet falen, zou als
fidele onderdaan de Wet van Stro
gedogen en gedwee zes paarden
peilend in de ogen kijken, wel zo
lang tot ze zijn naam verzwolgen,
eindelijk in staat hun alziende blik
in zich op te slaan
–
. [begeerd en geadoreerd
noemde Equus, My Only Begotten Son,
zich zegedronken de verwekker van
Trooper en Nugget *]
–
. ik moest en zou me
aandienen als een hijgende gave met
glariënde ogen en openstaande neus-
vleugels, die de geuren snoven van
een mild schuimende zee waarin
de wreedste aller goden waadde
–
. dan zou ik zien
wat zijn ogen zagen, tot zes maal toe zou
ik ze met het stiletto van de haat doorboren
en mijn vermaledijde vader, bloedend als
een lam, aan HEM offreren
–
–
hier voor het eerst aangeboden, 2026
–
* De (Engelse) cursieve paardennamen en de beelden zijn gebaseerd op het tragische verhaal over Alan Strang, dat ten grondslag ligt aan het toneelstuk Equus (1973) van Peter Shaffer, die ook het scenario schreef voor de gelauwerde Mozart-film Amadeus (1984).

