Toeschouwer vanuit de verte
door Hettie Marzak
–

–
In De oerknal was een festival is alles wat dichter Paul Gellings (1953) in de afgelopen vijftig jaar aan poëzie geschreven heeft, samengebracht: vijf bundels, geschreven van 1990 tot 2026, plus al het tot nu toe ongepubliceerde werk, waaronder gelegenheidsgedichten, vertalingen, parodieën en heel veel andere gedichten. De bundel van ruim zeshonderd pagina’s had daarom ook gewoon Verzameld Werk of Verzamelde gedichten kunnen heten, ware het niet dat Gellings nog lang niet aan het einde is gekomen van zijn loopbaan als dichter: er komen nog dagelijks nieuwe gedichten uit zijn pen. Hij was stadsdichter van Zwolle in 2005 en 2006 en hij schreef naast de bundels tot nu toe ook tien romans en twee verhalenbundels.
–
De titel die deze bundel van verzamelde gedichten draagt, is in geen enkel gedicht als versregel terug te vinden en de uitbundigheid die je zou verwachten te lezen door de woorden ‘oerknal’ en ‘festival’, evenmin. Wat de bundel wel bevat zijn ingetogen, verstilde gedichten over steden, straten en landschappen, die beschreven worden zoals je naar een schilderij kijkt: eerst het geheel overzien en dan ingaan op de details. Door hun onderwerp en vorm vertonen de gedichten, al dan niet opzettelijk bedoeld, een samenhang in die zin, dat Gellings zelf een toeschouwer lijkt te zijn. Hij kijkt vanaf een afstand naar de wisseling van de seizoenen, naar het verstrijken van de tijd, met een lichte melancholie en veel herinneringen. Gellings laat zich niet alleen inspireren door het verleden en de natuur, maar ook door beelden en schilderwerken, verhalen, literatuur en dromen.
Hij beschrijft zijn eigen ervaringen in zijn gedichten, zoals een architect een stad bouwt, een geheugenpaleis waarin vaste plekken zoals geliefde steden en gebouwen de aanleiding zijn tot het zich voor de geest halen van het verleden, van gestorven of verdwenen geliefden of dierbare gebeurtenissen. Amsterdam kan meermalen zo’n geheugenpaleis zijn, en Enschede, maar ook Saigon, Athene en het Griekse eiland Kos. De dichter hoeft er dan niet daadwerkelijk aanwezig te zijn, zoals onderstaand gedicht laat zien:
–
Vanavond op de kaart gezien waar ik
het kind van ben. Hoe groot het is.
–
Wie niet begrijpt wat eenzaam is
moet daar een keer uit dwalen
gaan. Liefst na de laatste tram.
–
Pleinen over waar portieken
gapen, stapels erkers zij aan
zij verrijzen in de nacht –
was Kafka architect geweest,
dan had hij dit bedacht:
toekomst veranderd in
verlatenheid. Nieuw in oud.
–
Wie niet begrijpt wat eenzaam is
moet daar een keer uit dwalen gaan.
Of thuis onder de lamp.
Bij de ‘Aantekeningen’ vertelt de dichter dat hij zijn vroegste verzen achterin de bundel heeft geplaatst: ‘Belangrijker dan de chronologie vond ik het te laten zien waar de kiemen van mijn latere werk liggen.’ Die afdeling van vroege verzen bestaat uit zes gedichten, die zich opvallend genoeg onderscheiden van de andere door hun vrije vorm en rijmloze regels. De meeste dichters beginnen met eindrijm in hun versregels, om zich later te bekwamen in blanke verzen. Gellings’ latere werk kenmerkt zich door vaste vormen, zoals die van het sonnet, met vaker wel dan geen eindrijm.
–
In de lente ruimen wij de herfst op
de bladeren zijn allang hun tweede dood gestorven
en uit de hoeken van de tuin bijeengepakt in korven
onder kastanjebomen in de knop
–
Wat wij nu ondervinden in ons lichaam
zijn niet zozeer vermoeide spieren
als wel de jaren die het bestaan bestieren
zie ons doorgroefd gelaat weerspiegeld in een raam
–
Wat niet voorbijgaat gaat al eeuwen mee
een dode haas die telkens opstaat uit zijn graf
en ons opnieuw geeft wat hij eerder gaf
dat weten we, alleen begrijpen – nee
Omdat Gellings leraar Frans is geweest, is het niet verwonderlijk dat hij ook een aantal gedichten van Rimbaud en Baudelaire heeft vertaald in de afdeling ‘Oude Meesters’. In de afdeling ‘Masterclasses’ staan bovendien ook vertaalde gedichten – met het origineel erbij afgedrukt, waardoor vergelijken goed mogelijk wordt – van onder anderen Ronsard, De Nerval, Victor Hugo en Tristan Corbière. Ook heeft hij met wisselend succes vertalingen gemaakt van Engelse en Duitse dichters als Edgar Allen Poe, Heine en Rilke. Dichters die met hem het onbestemde verlangen naar de verte en de weemoed van het verleden delen. Wie zich aan Rilke waagt, brandt vaak zijn vingers: ook Gellings is er voor mij niet in geslaagd een goede vertaling van deze vrijwel onvertaalbare gedichten te leveren, omdat er zo veel meer gezegd wordt dan er staat. Maar: applaus voor de poging.
–
Gellings is op zijn best als hij dicht bij zichzelf blijft. Soms laat hij ook een vorm van humor in de gedichten doorschemeren, maar dat zijn niet de beste uit de bundel. Vergankelijkheid, heimwee en nostalgie verdragen geen humor.
De veelzijdigheid van Gellings komt het beste tot zijn recht in zijn eigen gedichten, intiem en dichtbij, en soms mystiek en onverklaarbaar als in het volgende gedicht, dat geschreven werd naar een schilderwerk van Joost Marsman:
–
Mooier dan ooit de glans van de avond. Meisje met
peuk op een brug. Als een pop met een pruik aan de
leuning. Haar blik in het water en de dood in haar
buik. Maar de glans van de avond: zoiets moois.
–
Daar was eens – en hier stokt het alweer, onder een
pen die krast als destijds de klauw over haar deur:
er was eens, hier niet ver vandaan, een meisje – en
haar oog brak. Breekt elke avond. Bloeit op beton.
Dit is geen verzamelbundel om in één ruk uit te lezen, daar is hij veel te dik voor. Leg hem onder handbereik, blader er zo nu en dan in. Waar je het boek ook openslaat, je zult er iets moois lezen. Want keer op keer laat Gellings zien dat hij een meester is in het bedachtzame observeren, als de toerist bij uitstek, die kijkt, geniet en probeert betekenis te geven aan wat hij ziet, maar die zelf niet deelneemt, of tenminste niet voor lang. Dan keert hij weer terug naar zijn eigen verzonken wereld.
–
____
–
Paul Gellings (2026). De oerknal was een festival. Uitgeverij Passage, 680 blz. € 42,50. ISBN 9789054524564



