Het andere perspectief
door Francis Cromphout
–

–
Al Galidi is geboren in Irak in 1971, heeft daar gestudeerd voor civiel ingenieur en vluchtte hierna het land uit om zijn dienstplicht te ontwijken. Na verschillende jaren te hebben rondgezworven kwam hij in 1998 in Nederland terecht, waar hem toen het asiel werd geweigerd. Hij leerde zichzelf Nederlands en begon te schrijven. In 2007 kreeg hij alsnog een verblijfsvergunning door een generaal pardon. Het Nederlands paspoort zou echter pas later volgen. Ondertussen kreeg hij in 2001 de Essayprijs van de Phenix Foundation en werden in 2003 zijn columns Dagboek van een ezel genomineerd voor de Debutantenprijs. Daarna volgden verschillende succesvolle romans en dichtbundels, waarvan de roman De autist en de postduif in 2011 de Literatuurprijs van de Europese Unie bekwam. Samen met de illustrator Geertje Aalders won hij de Jenny Smelink-IBBY-prijs 2018 voor Arabische Sprookjes. Zijn laatste roman, De onbekende belevenissen van prins Willem-Alexander (de Kade, 2022) is een moderne schelmenroman waar de kroonprins uit het paleis ontsnapt, wat een uitnodiging is om de dingen vanuit een ander perspectief te bekijken.
Hetzelfde kan gezegd worden van de gedichten van De laatste die ontwaakt die geschreven werden vanuit het perspectief van iemand die sinds zijn vijftiende begon te slapen en vijfentwintig jaar later wakker wordt en zich realiseert dat hij al die tijd niet geleefd heeft: ‘Ik sliep op mijn vijftiende / en op mijn veertigste werd ik wakker / (…) De slaap schopte mij ver van mij / Maar / waar ben ik als ik niet in mij ben?‘ Daar er wordt gezegd dat hij elke nacht toch zou geslapen hebben en elke dag opnieuw wakker werd en weer in slaap viel, zouden deze gedichten geschreven zijn door iemand die zich al slepend door de tijd heeft voortbewogen zonder te merken dat de jaren voorbij gingen. Zo moet hij toegeven: Verlies en besef / bijten mij. / Had ik maar ook / de rest van mijn leven / geslapen’.
Het aanvangsgedicht ,’Ik en mijn gestreepte pyjama’, heeft het dan ook over zijn relatie met zijn slaapplunje: ‘[In mijn lange slaap ] groeiden ik / en mijn gestreepte pyjama / uit elkaar. / Zij gescheurd / van voren, / van achter / ik / van binnen. / Zij / wacht op / naald en draad. / Ik / wacht op een / nieuwe lange slaap’.
En als je al die tijd niet leeft neemt iemand anders je plaats in zoals in de ‘Vervanger’:
controleerde of er
iemand was,
niet wie.
Omdat ik sliep
was die ander
op het moment en de plek van het ongeluk
waar ik had moeten zijn.
(…)
Toch vaak zoals nu
voelt het alsof hij
mijn kans nam
om mijn lichaam met mij te nemen
in het vertrek van de tijd.
Als ik het was die tijdelijk
de plek op dat moment innam
dat moment op die plek,
had hij nu
aan mij gedacht.
Het kan verkeren als de tijden worden omgewisseld. Een kwestie van leven en dood?
In ‘Voor eeuwig verbonden’ lopen die allebei in elkaar over: ‘De dood en het leven / gaan naar dezelfde school (…) en na de laatste les / gaat het leven naar de dood / en de dood naar het leven’. Een gemiste kans wordt in ‘Voor een vrouw die ik door mijn lange slaap niet ontmoette’ een dankbaar besef tegenover de wisselende tijden: ‘In een seconde had ik / van je kunnen/houden.‘en ‘Hoe gelukkig ben ik / dat ik het niet nodig had /om ongelukkig te zijn / zodat jij je niet alleen zou voelen / in je ongelukkigheid / [maar] (…) Toch betreur ik / dat ik je niet / een seconde / door een raam in een net vertrokken trein zag, / Eén seconde, / zodat jij in dit gedicht / echt had kunnen zijn.’ En de fictieve werkelijkheid van de dromer zich zou realiseren in de werkelijke fictie van het gedicht. En wat ermee aan te vangen als de tijd je parten speelt? Het wordt een hele manipulatie die hij weer terugzet.
waarvan ik niet weet
wat ik ermee moet.
(…)
Nieuwe jaren
nog in de verpakking.
Jaren
die ik slechts gebruik om ouder te worden.
Wat doet iemand zoals ik,
(…) met al die jaren?
(…)
Ik verpak het voorzichtig,
schrijf erop ‘over de datum‘
en zet het terug
op de stoffige plank van mijn leven.
Niet alleen ik,
ook mijn tijd
is niet op tijd.
Wij beleven het spelevaren van een meester van het absurde die, wanneer de winter valt, zich niet kan laten overtuigen door een uitnodigende dialoog tussen kledingstukken:
een sjaal grijnst,
een dikke jas slaat een zwembroek
tot hij golven en warm wit zand spuwt
en ik
kan niet
mijn nieuwe dag overtuigen
vanonder de dikke deken naar beneden te gaan.
Ik zweer het,
ik bevries.
Nochtans is het Rodaan Al Galidi droeve ernst. Het gedicht ‘Voor de vrede’ zegt het allemaal over zijn situatie tegenover zijn land van afkomst:
dat Irak een zee was.
Haar oorlogen hoge golven
haar verdriet donker zand,
het bloed
een verre zonsondergang.
–
Ik droomde
dat Irak een zee was.
De soennieten haaien,
de Koerden zeesterren,
de christenen dolfijnen,
de Yezidi goudvissen,
de sjiieten octopussen
en jij, vrede,
een hoog vliegende meeuw.
–
Ik droomde
dat Irak een zee was
en ik
een boot met miljoenen gaten,
gebroken masten
en verbrande zeilen
die niemand de zee op kan duwen.
Voor wat zijn ervaringen met zijn adoptieland betreft, onthult hij die in een ‘radeloze’ brief aan de Japanse keizer Naruhito. Hij doet er zijn beklag over de ‘afschuwelijke saaiheid’ die er heerst, ‘de saaiheid van lege arrogantie’ en hij formuleert: ‘Nog een laatste wens: / kan iemand, een kok / of een schoonmaakster, dat kan ook / mij elke dag vertellen dat ik / een mens ben, / en geen gelukszoeker’.
In zijn beschrijving van de ‘Vrijheid ‘ doet hij nog een andere wens: ‘Vrijheid / de oorlog waaruit je voortkwam / was een wereldoorlog, / een oorlog voor ons allen. / Nu is het de tijd / dat ook jouw vrede dat is.’
Het is de tijd van ontwaken voor de jongen van vijftien bij de aanvang van de bundel:‘Waar is / die jongen die vijftien jaar was, / waarin ik gisteren leefde? (…) het beste afscheid / van die tijdelijke jongen / was geweest dat ik hem / dag na dag had geleefd, / (…) Nu moet ik dragen / dat ik de komende jaren / op mezelf lijk’.
In ‘Het Führer gedicht’ wordt nog het moeizame samenleven beschreven van oude en nieuwe Nederlanders wanneer immigranten winkels en handelshuizen overkopen met als gevolg :’Nu hebben wij een multiculturele straat / en honderdvijftien nazi-straten er om heen’. Ook ontkracht hij de bewering een ‘gelukszoeker’ te zijn: ‘Elke keer als ik /de Nederlandse taal rijker maak / met mijn verzen, / word ik armer.‘
En als ‘Afscheid van hier [wil hij ] diegene zijn die / naast mij zit / als ik sterf / (…) Ik in de dood denkend aan het leven / naast / Ik in het leven denkend aan de dood.‘En hij besluit: ‘Nu pas leef ik echt, / omdat ik net / echt ben doodgegaan’. Een levenslot en een eis die volledige aanvaarding inhouden.
____
Rodaan Al Galidi (2025). De laatste die ontwaakt. Uitgeverij Van Kemenade, 66 blz. €15,00. ISBN 9789071376801



