‘Van top tot teen in taal (be)staan.’
door Alja Spaan
foto © Charlotte Hinderyckx
Hanna Kirsten (1947) is Vlaamse en werkte als docent Nederlands en Verbale expressie. Haar eerste poëziebundel verscheen in 1973.
In april 2025 kwam haar zevende bundel uit bij Uitgeverij P, Voetafdruk van stilte. Binnenkort verschijnt hiervan de 2e druk. De gedichten bij dit interview komen uit deze bundel.
Gefeliciteerd met de mooie bespreking op Meander van je nieuwste bundel Voetafdruk van stilte. Waarom is het zo lang stil geweest?
‘Je kunt geen gedicht uit je knijpen’ zei wijlen mijn vriendin Ida, die luisterde en meteen raak kon beoordelen; later ook mijn eerste lezer was.
Ik schrijf traag. Ik leef langzaam. Tegen de klok schrijven is er niet bij.
De liefste en het surplus aanhouden van zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, voeren de boventoon in mijn bestaan. Hun aanwezigheid wakkert ook een nieuwe beleving van taal aan.
Wil je vertellen hoe deze bundel tot stand kwam?
Zonder schrijven adem ik niet. Het betekent de dagelijkse routine doorbreken. De eettafel uitruimen voor een schrijfplek onder het glazen dak. Licht en stilte.
Een zee van tijd in de agenda vrijmaken voor lezen, met de pen de lege ruimte van papier vullen, clichés neerkrabbelen en later wegschrappen, hardop lezen en voor de zoveelste keer geconcentreerd woorden proeven, die tegen elkaar afwegen. Te licht? Te dramatisch?
Als ik het bijna voltooide gedicht op vorm en inhoud heb nagekeken, lees ik het voor aan mijn man. Hij stelt terechte vragen over een woord, een zin, en:
– of ik het werk voor vandaag kan laten rusten?
– of we meteen of later aan tafel gaan?
De recensent noemt de relatie die je hebt met woorden een ‘samenwerkingsrelatie’. Hoe kwam je tot de poëzie?
Door recensent Ellis van Atten voel ik mij bevestigd in het dichter-zijn. Zij leest met een scherpe blik.
Ik verbeeld het me niet, ik kan schrijven.
Als een eekhoorn die in de herfst beukennootjes verzamelt, sprokkelde ik al vroeg woorden als proviand in het woud van de taal. In ieder opstel probeerde ik een pas ontdekt woord in een zin te laten flonkeren. Nu lees ik graag enkele bladzijden in Van Dale, groot woordenboek van de Nederlandse taal en in ‘Het Juiste Woord’.
Een dag intensief schrijven biedt geen garantie voor een goed gedicht.
Dat ontstaat wanneer ik me blindelings laat leiden door een beeld of een woord dat mij dwingt een weg te zoeken naar de kern van wat ik op het spoor kom. Daarbij vergeet ik de tijd en mezelf en een eventuele lezer.
–
er was die ene met het pauwenoog
de olijfgroene das
met de romeinse paarden
voor je driekwart eeuw
je waterblauwe trouwdas
die ik nog bewaar
-die met de druppels
en van het wit van mijn ogen
dat jij een beetje blauw noemde-
dat vond jij nu zo mooi
je kersenrode
droeg je in aanwezigheid
van de prinses
een ober morste saus
en na het stomen verloor
die das zijn glans
de opzichtige
rebelse amsterdamse
liet zich rijmen met je wilde
sokken uit de leidsestraat
de portugese pessoa herinnering
de kasjmieren motieven
en de wollen das
uit cambridge
je sinterklaas –
je valentijn- en nieuwjaarsdas
je paasbeste en de vlammend gele
met rode tongen voor pinksteren
je das voor vaderdag, jawel
voor wegwezen en
thuiskomen
je laatste feestdas kwam uit aken
en je flessengroene collegedas
pure soie heb ik jou
voor het laatst omgedaan
toen je in de tweede versie
van je trouwpak
werd opgebaard
niet één keer
heb je vermoed
waarom ik zolang
in luchthavens ronddwaalde
je oranje das
blauw op goud
voor de tentoonstelling
over je leven
Weldoordacht en veelzeggend noemt de recensent de in memoriams. Invoelbaar, levensverhalen. Kun je over alles schrijven? Biedt de poëzie ook de dichter troost?
Nabestaanden condoleren met het verlies van een geliefd persoon is geen routinegebaar.
De dood van het meisje Marleen 4 maart 1962, heeft mij als tiener geconfronteerd met een ingrijpend afscheid. In 1975 kon ik die ervaring voor het eerst in Het is erg wit wat er staat onder woorden brengen.
Drie decennia later in Hoe sterk is de hechtzijde (2007) kwam ik tot de ontdekking dat het graf was geruimd: ‘elke lente /berg ik je meer en meer/in ongestoorde aarde van taal.’ Ik heb toen vrede gevonden.
Gelukkig kan ik altijd opnieuw over de liefde schrijven, over taal, over een vroege zomer in Tampere, over en voor kinderen, over de lente in Amsterdam, over de kou is uit de lucht en de lucht hangt nog vol dagen. Over het nieuws niet voor één dag, over de betrokkenheid met een ruimere wereld.
–
een dag met windstoten
code geel en allebei
te moe voor woorden
jij gaat al vroeg
onder de wol
–
ruimte en tijd
om weer te bedaren
van plotselinge angst
voor dagen zonder jou
–
in alle stilte
ontsluit een herinnering
de deur naar taal
frisse lucht
in mijn hart
Lezen en herlezen, raadt de recensent aan. Hardop het liefst. Lees je je eigen werk ook hardop voor? Heb je goede raadgevers?
Ik lees en herlees hardop.
Na het overlijden van mijn eerste man, werd onze oudere vriendin Ida spontaan mijn eerste lezer. Ze was kundig op het gebied van literatuur, filosofie en kunst en ze had voelhoorns voor mijn manier van zijn en mijn omgang met taal.
Nu neemt mijn man die taak graag over. Hij heeft een zintuig voor waarachtig klinken van woorden én voor intonatie. In het bijzonder heb ik veel aan Lotte Brown, dichter en schrijver in zowel het Engels als het Nederlands. Ze heeft een verfrissende kijk op mijn poëzie èn oog voor het technische aspect van de drukproeven.
Een derde lezer is dichter en vriendin Lut de Block. Wij schrijven heel verschillend maar ervaren al enkele decennia een zusterlijke steun bij elkaar. Zij buigt zich in stilte over de gedichten.
Er is ook een deel gedichten bij de kunst van Mia Goovaerts. Wat is het in haar werk dat je inspireert? Gebeurt dat ook andersom?
In Adem voor vogels, mijn debuut, staat het gedicht Vlucht bij een ets van Mia Goovaerts. Het is de afbeelding van een kind op een paardenrug. De broosheid van dat kind raakte mij. De volgende dag schreef ik het gedicht. Dat kwam in handen van Mia Goovaerts. Zo ontstond vriendschap.
Ze werkte ook mee aan het ontwerp en de grafische vormgeving van Het is erg wit wat er staat (1975).
Wie mij al weken adem geeft en vertrouwen is de dichter Babs Gons. Ik ontdekte haar bundel ‘doe het toch maar’ in september jl. Hij is al 4 jaar geleden verschenen. Inspirerend. Doorgroeien naar een nieuwe inhoud voor eigen werk. Leven is bewegen.
–
wit en roze wiegen bloesems
in haspengouw
tractoren, bloesems en bijen
worden gewijd
–
tegen nachtvorst
cirkelen helikopters boven
de bloemenzee
–
opgesloten in het laadruim
of in lekke sloepen
haken duizenden
naar het land van belofte
–
de middellandse zee
zwijgt
–
in zakken
witter dan het wit
van perenbloesems
de rij van lichamen
op een onbekende kust
Had jij ook voor een andere creatieve uiting kunnen kiezen?
Tekenen was tot mijn dertiende ook een lievelingsvak. Mijn moeder was duidelijk meer gesteld op schilderijen dan op dichtbundels. Mijn jongste zus mocht wel naar de tekenacademie en terecht.
Is een papieren bundel nog relevant?
Boeken vullen de wanden van alle kamers. Heel veel poëzie.
Een boek in handen nemen is aanraken, ook een bladzijde omslaan, teruglezen en met een zacht potlood een gedachte aanstrepen, genieten van de bladspiegel. Het is lichamelijk.
Ook schrijven begint bij mij altijd met pen en papier.
Poëzie op papier is voor mij een juweel.
Hoe was of is het gesteld met de poëzie in het onderwijs? Mis je het lesgeven?
De jaren zeventig waren een heerlijke tijd van experimenteren in het vak Nederlands. Van de opleiding heb ik erg genoten. Tijdens de les schreef ik af en toe mijn eerste bundel bij elkaar.
Naar lesgeven op de klassieke manier heb ik nooit verlangd.
‘Een schooltijd kan
een harde winter zijn.’
Ik wilde poëzie lezen, schrijven én spelen. Werkwoorden als lachen, glimlachen, gniffelen, schaterlachen, uitbeelden en niet alleen maar uit het hoofd te leren.
Van top tot teen in taal (be)staan.
Is er verschil tussen het Nederlands en het Vlaams?
Het Nederlands is mijn taal. Ik koester haar. Als tiener sloot ik mij aan bij de ABN- kern.
De Nederlandse Maarten van Nierop, uitgever bij Lannoo publiceerde ook taaltuintjes. Op een dag vroeg hij mij waarom ik niet net als de meisjes die hij op weg naar school tegenkwam, Vlaams praatte, maar Nederlands. Ik antwoordde: ‘Ik wil schrijver worden.’
‘En heb je al wat geschreven?’ Ik overhandigde hem mijn opstellen. Hij gaf me de raad vooral veel te lezen: ‘Je hebt taal in je vingers, maar je zult hard moeten werken.’
Ik was jaren te gast bij de Zusters van de Voorzienigheid aan de Lauriergracht 37, Amsterdam. ( Max Havelaar…)
Had geen cent te makken en mocht op Kerstdag 1975 zomaar aan tafel voor het diner en daar een week voor een habbekrats logeren. Een verhaal van jarenlange vriendschap. Iedereen die ik kende is overleden.
Ik houd van de varianten van het Nederlands in het Noorden en in het Zuiden.




