‘Ik wilde die ijstijd op barbaarse wijze opwarmen’
door Cora de Vos
foto © Karolina Maruszak
Dichter en cultuurwetenschapper Annemarie Estor (Gouda 1973) woont afwisselend in Antwerpen en Spanje. Ze kreeg twee keer de Herman de Coninkprijs, in 2011 voor Vuurdoorn me als het beste debuut en in 2013 voor Oksels van de bok als de beste dichtbundel. In 2018 ontving ze de Jan Campert-prijs voor Niemandslandnacht. Voor haar hele oeuvre won ze in 2024 de Amerikaanse Frederick Turner Prijs voor Poëzie. In 2025 verscheen haar achtste bundel Het overschot (uitgave Wereldbibliotheek).
De uitgave van Het overschot betekende ook de viering van vijftien jaar auteurschap. Als je terugkijkt, welke ontwikkeling valt je dan op in je werk?
Aanvankelijk – en dan heb ik het over de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw – begon ik poëzie te schrijven uit onvrede met de Nederlandstalige poëzie van die tijd. Ik vond de poëzie – ik bezat een bloemlezing samengesteld door Hans Warren – kaal, vreugdeloos en doodstil, er was bijna niets levends (warms, grappigs, …) in te vinden. Ik studeerde toen cultuurwetenschappen en zag dat het naoorlogse trauma, aangevuld met de boze woorden van Theodor Adorno, ‘Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’, een ijstijd hadden veroorzaakt. Ik wilde die ijstijd wel eens op barbaarse wijze opwarmen. Dus werkte ik aan erotische poëzie, in een barokke stijl. Ik merk dat ik de laatste jaren, hoe raar het ook klinkt, minder barok word. Ik schrijf nu over uiteenlopende onderwerpen en mijn stijl past zich daar dan aan aan. Recent werk is vaak nogal kortaf. Ik ben ook meer en meer fan van directheid, in navolging van de Beat Generation. Misschien moet het ook nog barbaarser. Al gebruik ik zelf liever niet dat rare woord ‘barbaars’. Het is een ingewikkeld en beladen woord. Laat ik het zo zeggen: ik hou ervan om dat neppe hypocriete laagje van de mensheid af te zandstralen.
Je noemt Het overschot ‘een gedicht’, zoals ook vermeld staat in de ondertitel op het omslag. Toch heb je voor de bundel uitkwam een aantal gedichten los gepubliceerd, ook op Meander. Wat is de gedachte achter ‘een (1) gedicht’ terwijl je zeven verschillende afdelingen in je bundel vermeldt? Stond de opzet van een lang verhalend gedicht je vanaf het begin voor ogen?
Het overschot begon met een spontaan, in één bezeten namiddag op papier gestort geil en verhalend gedicht van een pagina of vijf. Ik wist meteen dat dit een potent stuk tekst was, en dat het de kern kon vormen van een verhaal met meer handen en voeten. Vervolgens heb ik aan het boek enkele jaren doorgewerkt, telkens nieuwe stukken toevoegend en herschikkend, en natuurlijk ook schrappend. (Op vraag van de uitgever heb ik het boek uiteindelijk nog teruggebracht van honderd pagina’s naar zeventig.) Ik wilde die oertekst achtergronden meegeven, inbedden, de personages beter uitwerken, en voor de personages toekomstperspectieven verkennen, want die tekst zou op zichzelf staand nooit overleefd hebben.
Ik werk al sinds De oksels van de bok (2012), ook één gedicht, met symfonische structuren. Een symfonie is ook een geheel met delen. De symfonieën van Beethoven, Mozart, Mahler en dergelijke kennen doorgaans vier of vijf delen of ‘bewegingen’, elk met een eigen tempo en toon. Je kunt die delen apart afspelen, zeker nu in tijden van YouTube, maar je kunt een symfonie ook in zijn geheel beluisteren, zoals die bedoeld is, en dat is zeker aan te raden als je het werk in zijn samenhang wil beleven.
Het grootste deel van mijn artistieke opleiding genoot ik op het terrein van de klassieke muziek. Zo ben ik al sinds mijn twaalfde dol op Symfonie Nr. 3 in C mineur van Camille Saint-Saëns (de Orgelsymfonie). Het Deel 1 daarvan bestaat uit drie delen, en Deel 2 uit zeven delen. Dergelijke delen kunnen altijd een eigen leven gaan leiden. Zoiets gebeurde bijvoorbeeld met de ‘Finale’ van deze symfonie, die door Jonathan Hodge bewerkt werd tot filmmuziek voor de film Babe (1980).
Jouw gedichten worden naast zinnelijk, grensverleggend, maatschappelijk geëngageerd, sprookjesachtig of mythisch ook wel als dystopisch betiteld. Hoe is jouw wereldbeeld, ben je een pessimist of zie je nog hoop voor de mens?
Of/Of? Dat is nogal binair. Ik ben meer van En/En, op alle vlakken. De mens is laf en egoïstisch, maar ook is hij in staat tot liefde en creativiteit. Enkele dagen geleden publiceerde Johan de Boose een pagina uit zijn nieuwe boek Joegoslavië, en daarin had hij het over ‘cynisme getemperd door melancholie’. Ik kan me daar geloof ik nog het meest in vinden. Ik schreef in De bruidsvlucht: ‘We hebben een groot vermogen om elkaar kapot te maken. / Maar we ontbloten onze voortanden in een poging tot sympathie.’ en ‘Het geweer glanst in het tuinhuis. / Het nat van weer een nacht vreet zich een weg / door de vergeelde mythen van onze hevigste liefdes.’ Mijn wereldbeeld kun je denk ik maar beter uit mijn poëzie destilleren dan er mij letterlijk om vragen.
Hoeveel van jezelf zit in de persoon Sandy die in Het overschot verliefd wordt op iemand die misschien een terrorist is en op jacht gaat naar zijn geur? Je bent, vermoed ik, net als zij een natuurliefhebber voor wie geur heel belangrijk is…
Er zit 51,3579% van mij in Sandy. Nee, ja, lullig antwoord, sorry… Ik vind het van geen belang of een schrijver al dan niet lijkt op diens personages. Ik vind de publieke interesse in het privéleven van een schrijver nogal tabloid-achtig. Bovendien reduceer je literatuur zo tot de scheet van een rottend kadaver – wie wil dat? Sandy is overigens voor 87,89% de Sandy uit Saturday Night Fever: Dat vind ik zelf veel boeiender. Lees in dit kader vooral eens Ilja Leonard Pfeijffers essay uit 2001, getiteld De mythe van het spontane meisje, dat in De Revisor gepubliceerd werd. Als je zin hebt om je eens goed te amuseren, raad ik je het absoluut aan.
Je poëzie zet mensen aan het denken, lezen en herlezen. Sommigen ervaren je werk als hermetisch, anderen hebben daar minder moeite mee. Op zoek naar gedichten uit een eerdere periode kwam ik een gedetailleerde bespreking tegen van het gedicht De dag waarop ik besloot parfumeur te worden. Wat doet het met je als iemand je werk zo grondig uitspit, elk woord tot op de letter probeert te proeven?
Ik moet de eerste recensent die mijn poëzie ‘hermetisch’ vindt nog tegenkomen. Ik probeer altijd te blijven communiceren, om een verhaal voor elk type lezer volgbaar te maken. Daarom ga ik al schrijvend steeds na of mijn teksten op diverse niveaus werken. Op het eerste leesniveau moet het vlot doorleesbaar zijn, voor de lezers die eigenlijk een rothekel aan poëzie hebben. Gewoon een spannend kort verhaal consumeren, niets mis mee. Liefst geef ik hen ook rode oren mee, lekker warm. Maar in de diepere lagen moet er qua ideeën ook nog iets spannends te beleven zijn. Niet iedereen doorziet die lagen, maar dat hoeft ook helemaal niet. Een lezing van een geoefende close reader, dat is natuurlijk heerlijk. Eigenlijk hoop ik dat iedereen zo leest. Ik heb zelf zo poëzie leren lezen op school, daar komt mijn liefde voor het genre ook vandaan.
Dezelfde bespreker (Joost Dancet) schrijft: ‘Als dichter is zij – althans in deze bundel [De bruidsvlucht] – een tedere bedrieger en fraudeur, een zachte tovenaar en heks die met schitterende verzen de eigen pijn wil verzachten.’ Kun je je daarin vinden? En neemt de pijn nog steeds toe?
Mijn eigen pijn is totaal irrelevant. Die wordt pas enigszins relevant als die samenvalt met die van een ander.
Je bent de eerste voorzitter van de in 2024 gestarte adviescommissie die werkbeurzen uitdeelt aan Vlaamse podiumauteurs. Wat vind jij een goede manier om jonge podiumauteurs te stimuleren?
Ontmoeting en uitwisseling, daar geloof ik in. Ik was in de jaren negentig in de Nuyorican, gewoon als bezoeker, en later was ik in New Delhi bij een dichtersgroep op bezoek. Tijdens een zomerschool in Spanje leerde ik dan weer enkele heel verschillende Amerikaanse musici en dichters kennen. Later was ik als bestuurslid van PEN Vlaanderen betrokken bij een groep dichters uit Irak, Syrië, Soedan en Palestina. Samen dingen doen en dingen maken, en dan praten over je verhaal en over je stijlkeuzes, er is niks leukers dan dat. Je wordt aan de tand gevraagd en je werk wordt benoemd, en dat fungeert allemaal als een scherpe spiegel. Dus ja, open die horizonten! Internationale ervaringen, heerlijk.
Drie gedichten van Annemarie Estor uit Villa Allucina, de boekpresentatie zal gehouden worden in maart 2026 bij een van de beste culturele broedplaatsen van Europa: Demian Boeken!
–
lome, mollige meisjes
flemend in hun zondagdracht
drijvend op het baldakijn van de zomeravond.
–
Ze verlangden
een meer dan welig leven.
–
Die cumulonimbi,
die zoete toetjes van eiwit en basterdsuiker,
ze dijden uit in de hemel boven het meer,
imposant licht en gigantisch.
–
Alleen hij
kon zichzelf in die wolken verliezen:
hij, die niet bang was
te bezwijken aan verrukkingen.
dat alles een bedoeling heeft,
alles wijst, alles is becijferd
naar wat hen goed uitkomt.
–
Anderen denken
dat het leven maakbaar is:
miserie en ziekte, oorlog en aanslag, alles
eigen schuld.
–
Weer anderen menen
dat de hemelboog een filmdoek is,
heel de werkelijkheid een grote cinema –
en ze geven namen aan de regisseur.
–
Maar Como meende niets.
–
Hij was jong en was doordrenkt
van een hondsdolheid zonder komaf.
Hij spon gouden suiker in gestolen lakens
en speelde in de waterbekkens van de begeerte.
stonden te roken als kinderen met wierookvaten,
waar gewelven boven baden met turquoise water
veranderden in keizerrijken die niets waren
–
dan aubades aan het leven, versierd
met kommerloze kronkelbloemen.
–
Alles wachtte op hem
in een plechtige bikini.
–
De zon goot haar zuchten
over het land en hij stond daar
weerloos juichend
en verblind door het licht van de vruchtbaarheid.
–
Het kruid verhief zich aan zijn voeten,
punnikte verder aan zijn werk
van toekomstige opstanden.
–
Insteken, omslaan,
opbloeien, plat laten slaan.



