LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Roel Richelieu Van Londersele – De geheimen van de literatuur

15 dec 2025

Een schatkist voor dichters

door Jeroen van Wijk



Roel Richelieu van Londersele is romanschrijver, dichter en oprichter van uitgeverij De Zeef. Hij heeft talloze bundels en boeken op zijn naam staan en won meerdere literaire prijzen. Daarnaast is hij samen met Charles Ducal redacteur van Het gezeefde gedicht, waar ze elke maand nieuw literair talent publiceren.

Het boek De geheimen van de literatuur bestaat uit twee delen. In het eerste en grootste deel vertelt Van Londersele over zijn ontmoetingen met bekende dichters en schrijvers. Hiermee biedt hij een inkijkje in de boeiende gekkigheid van de literaire wereld. De verhalen zijn niet alleen leuk om te lezen, maar geven meerdere inzichten in het leven van de schrijver. Hoewel het eerste deel zeer aan te raden is, zal deze recensie zich richten op het tweede gedeelte.

In het tweede deel besteedt Van Londersele ongeveer 64 pagina’s aan tips voor het schrijven van proza en 15 pagina’s aan tips voor het schrijven van poëzie. Dat lijkt niet veel, maar zowel de beginnende als de gevorderde schrijver en dichter kunnen hier ontzettend veel nuttige lessen uithalen. Ik zal me in deze recensie beperken tot het gedeelte over de poëzie.

Van Londersele schrijft dat beginnende dichters vaak de mist ingaan door veel te pathetische of sentimentele gedichten te schrijven. Meestal ontstaan deze gedichten wanneer de dichter een opwelling van emotie doormaakt, bijvoorbeeld door liefde of verlies, en deze emotie op papier wil uiten. Het gevolg is dat de gedichten vol clichés zitten en zo groot worden dat er eigenlijk niets meer voor de lezer te beleven is.

Ter compensatie opent de beginnende dichter het register van ‘mooie-woordjespoëzie’, zoals Van Londersele het noemt. Het gaat hier om versierende adjectieven die vaak weinig toevoegen aan het gedicht, maar wel heel mooi klinken – een stijl die we vooral terugzien in ouderwetse poëzie. Helaas maken mooie woorden nog geen mooi gedicht. Een goed advies dat Van Londersele ooit van Herman de Coninck kreeg luidt als volgt: ‘Probeer eerst of het niet kan zonder adjectieven.’

Van Londersele vindt anekdotiek niet per se funest voor een gedicht, maar er is een groot risico dat de lezer de feiten en gevoelens van de schrijver niet op zijn eigen leven kan betrekken. Natuurlijk kan het anekdotische mooi zijn, als je het maar kunt optillen tot een gelaagdheid waarin de lezer zichzelf kwijt kan. Daarnaast zijn meningen, standpunten of filosofie in gedichten uit den boze. Als je het toch wilt doen, dring deze mening dan niet op; laat ruimte over voor de lezer om te interpreteren. ‘Wil je iets aanklagen? Toon de erge toestand dan! Het feit dat je die aanbrengt, volstaat al om je houding duidelijk te maken.’

Het kan natuurlijk dat je iets moois te pakken hebt, dus luidt het advies van Van Londersele om het gedicht te laten ‘kelderen’, oftewel: wacht! Laat het gedicht rusten, neem er afstand van en herschrijf het pas wanneer je het gedicht kunt lezen alsof het door een ander is geschreven. Dit advies is goud voor de beginnende dichter. Het kan natuurlijk dat je in een schrijfsessie een fantastisch gedicht neerpent, maar als ik bijvoorbeeld kijk naar mijn eigen werk, dan zijn vrijwel al mijn betere gedichten in een tijdspanne van meerdere weken of soms zelfs maanden tot stand gekomen.

Een leuke anekdote die Van Londersele aanhaalt gaat over de dichter/columnist Bernard Dewulf. Hij vertelt hoe een Hollandse redacteur een aantal veranderingen wilde aanbrengen in een gedicht waar Dewulf een literaire prijs mee had gewonnen. Nadat Dewulf over zijn twijfel stapte en zijn werk aanpaste, was hij heel blij. Het gedicht, en daarmee de bundel, was er duidelijk beter op geworden. Dus wees niet bang om je huidige ‘meesterwerk’ in de toekomst weer op de tekentafel te leggen. Ik heb zelf ook dikwijls gehad dat ik een gedicht erg goed vond, om er na een aantal maanden achter te komen dat een paar aanpassingen het gedicht stukken beter zou maken.

Misschien wel een van de belangrijkste tips die Van Londersele bespreekt is over de kracht van suggereren en hoe belangrijk de interpretatiemogelijkheid voor de lezer is. Hij schrijft het volgende:

‘’Als je schrijft: ‘Ik ben breekbaar’, kan de lezer geen kant op. Interpretatiemogelijkheid: nul. Je schakelt de deelname van de lezer uit. (….) De goede dichter schrijft: ‘Ik ben een glazen acrobaat.’ Wat suggereert die dan allemaal? De lezer tast een heleboel mogelijkheden af. Een glazen acrobaat is breekbaar, lenig, heeft zin voor timing, heeft doorzettingsvermogen, kan goed samenwerken, heeft ambitie (…) Je hebt de lezer aan het werk gezet, hij moet decoderen.’’

Dit is steengoed advies en werkt fantastisch samen met het advies om je gedichten eerst te laten ‘kelderen’. Wanneer een dichter aan een gedicht begint, probeert deze vaak iets te vertellen, een gevoel over te brengen, etc. Het is niet erg als je eerste versie niet perfect of zelfs cliché is, maar durf kritisch te analyseren: welke woorden of zinnen zeggen zoveel dat ze eigenlijk niets zeggen? Kan het specifieker? Hoe kan ik ruimte voor interpretatie bieden? Door je gedicht op deze manier te ontleden kun je een saai, cliché gedicht tot iets unieks maken. Een schrijfdocent van mij vertelde ooit dat alles cliché is, maar dat het erom gaat hoe jij het cliché uitwerkt tot iets dat eigen is.

Hieronder een aantal voorbeelden over de kracht van suggereren die Van Londersele aanhaalt:

Niet: de dood dreigt
Wel: Het groot horloge is al in de straat (Gerrit Achterberg)

Niet: Je bent heel mooi
Wel: Een spiegel is je mooiste zintuig (Paul Snoek)

Niet: Ik voel me eenzaam
Wel: Ik zat te wachten in een groot leeg café / in bont gedoken, rillend in mijn eigen vuur (M. Vasalis)

Hoewel ik me in ieder punt dat Van Londersele in zijn boek aanhaalt kan vinden, mis ik het kopje over de voordracht. Als dichter kun je met goud schrijven en de mooiste beelden tot leven laten komen, maar een waardeloze voordracht geven. Vaak genoeg heb ik mensen op literaire podia gezien, zoals op die van de Nacht van de Poëzie, van wie de voordracht enigszins saai was of de tekst zich simpelweg niet voor een voordracht leende. Het was leuk geweest als Van Londersele hier iets over had geschreven.

Mijn mening is dat gedichten die worden voorgedragen er vaak baat bij hebben als ze beeldend zijn en/of enigszins een duidelijke structuur hebben. Gedichten waar je bij elke versregel of woord twee keer moet nadenken over de betekenis, kunnen soms averechts werken op een podium. Als luisteraar kun je nou eenmaal niet even teruglezen om te begrijpen wat er werd gezegd. Er valt natuurlijk ook iets te zeggen voor de kracht van overdaad, maar laat het dan een overdaad zijn aan beeldspraak, zoals Joost Oomen succesvol toepast in zijn bundel Lievegedicht waar talloze gedichten in staan die zowel leuk zijn om te lezen als om te horen.

Als beginnende dichter is het ontzettend nuttig om eerst de regels onder de knie te krijgen. Wanneer je het advies van Van Londersele toepast zul je zien dat de kwaliteit van je gedichten met sprongen vooruit zal gaan. En dat alles door slechts vijftien pagina’s te lezen.

____

Roel Richelieu Van Londersele (2025). De geheimen van de literatuur. Borgerhoff & Lamberigts, 248 blz. € 22,99. ISBN 9789493443518

     Andere berichten

Dean Bowen – masc:r

Dean Bowen – masc:r

De route naar het gezicht van de man door Ali Şerik - - Het eerste gedicht van masc:r begint met de regel: ‘ik ben zeven jaar & zonder...