Voorlopig
door Peter Vermaat
–

–
Hoe oude dichters zich in hun latere jaren presenteren aan hun lezers verschilt sterk: waar Adriaan Roland Holst (1888-1976) zijn laatste bundel Voorlopig noemde, daarmee suggererend dat er nog meer zou kunnen volgen, maar deze vulde met dichterlijke doodsberusting, bleek Leo Vroman (1915-2014) na zijn laatste bundel Die vleugels (2013), die vooral nieuwsgierigheid naar de dood en wat daar nog in zou kunnen zitten liet zien, nog ruim voldoende materiaal te hebben nagelaten voor Die vleugels II, het postuum uitgebrachte tweede deel van het bedoelde tweeluik. De ene dichter gaat met twee benen vooruit naar gene zijde, de ander probeert een voet te houden aan beide zijden van de grens.
Ook de titel Hier & Ginder van H.C. ten Berge zou je mogelijk in die sfeer kunnen duiden: ‘ginder’ kan immers zowel verwijzen naar een nog niet bereikte plaats of toestand verder weg als naar een verleden dat al of niet langer bereikbaar is.
Al in de eerste bladzijden van de bundel blijkt de dood dichtbij:
–
De ijshand van het heden
ligt al in je nek.
Ofschoon je vaak warmhartig
werd omarmd door vrienden
die tot schimmen zijn vervluchtigd,
drukt het heden je steeds
dieper naar beneden, waar je ziel
verstikt en je de draad verliest
en aarzelend, voor het eerst, naar
woorden tast en weet dat mollen
zich blindweg, ondergronds,
op een feestelijk maal verheugen.
–
[p. 15]
Je moet een dichter zijn om de suggestie van het ondergronds vergaan niet te verbinden aan wormen (die qua klank en aantal lettergrepen prima hadden kunnen staan op de plek van ‘mollen’), die zich spreekwoordelijk te goed doen aan stoffelijke overschotten, maar juist de mollen die zich weer voeden met die wormen. Het is maar een kleine stap naar het beeld dat het afsterven van de dichter leidt tot gedichten, die op hun beurt door de ondergrondse lezers worden opgepeuzeld. Ook de tegenstelling tussen de hemelwaartse beweging van ‘vervluchtigd’ en het dieper naar beneden drukken van het heden wekt een interessante spanning op, die (gelukkig) nergens in het gedicht tot een uitruil komt.
Niet overal in de bundel bereikt de dichterlijke spanning een vergelijkbare hoogte. Op meerdere plaatsen verdringt de berusting ook de taal ((‘Een leven dat beklemde en beklemt / kan beter onbeschreven blijven.’ (Zeven oneven strofen, p. 17)) en het ‘Bijbels kwintijn’ over de misdaden van Netanyahu (p. 26) mist de scherpte om werkelijk dodelijk woedend te zijn.
Ten Berge is een beschouwend dichter, die eigenlijk nergens door de lyriek in galop gebracht wordt, maar meestal slechts de stap en hoogstens een lichte draf toelaat. In deze bundel kijkt hij nogal eens om, naar vrienden of tijdgenoten (Breytenbach, Kouwenaar) of dichters die hem inspireerden (Ezra Pound) die inmiddels alleen in de herinnering leven. Ten Berge kan worden gerekend tot de ‘stroming’ van de zestigers, die niet alleen anekdotisch te werk gingen, maar ook nogal eens elementen uit de werkelijkheid of intertekstuele verwijzing als ‘objet trouvé’ in hun werk laten fungeren. Zo denk ik bij ‘vereelte handen’ (p. 53) onmiddellijk aan Adwaita’s ‘ ’k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid’ en bij ‘kil windeweer’ (p. 34) aan de Groningse veenkolonie Kiel-Windeweer, die ik toevallig ken omdat hij een rol speelt in de kwartierstaat van mijn zonen.
Ook van citaten is Ten Berge niet vies: ‘waer bestu bleven?’ (p. 31) en ‘lanct na di’ (p. 33) komen uit het Egidiuslied, ‘O rijkdom van’ (p. 32) herhaalt de dichter J.H. Leopold. Het is goed mogelijk dat ik in dit kader nog het een en ander over het hoofd zie.
Ook ouder werk vindt, al of niet in herschreven vorm, een plek in deze bundel. In de tweede afdeling, ‘Oude en nieuwe dodendansen’ staan gedichten uit 1964, 1966/2013, 1977, 2016 en 2024, waarbij het laatste, ‘De dans ontsprongen’, draait om een werkelijke dans waarin de dood bijna toesloeg en de duiding daarvan, waarschijnlijk in retrospectief: ‘(…) Wat was het dat je afhield van het paradijs? / Was je nu handlanger des doods? / En was het met de dans nog niet gedaan? (…)’ (p. 67).
Het meest aansprekende, taalkrachtige deel van de bundel vind ik echter ‘Drie vertellingen’, drie bewerkingen van sprookjes uit het Noors, en de vertaling van Pablo Neruda’s ‘Sólo la Muerte’:
Soms, alleen, zie ik
doodkisten zeilklaar
het anker lichten – met bleke lijken, met vrouwen en hun dode vlechten,
met bakkers wit als engelen,
met nadenkende meisjes die notarissen trouwden,
kisten die de verticale rivier van de doden bestijgen,
de donkerpaarse rivier,
opwaarts, met de zeilen gezwollen door het geluid van de doden,
gezwollen door de stille klank van de dood.
–
De dood heeft een zwak voor geluid
als een schoen zonder voet, als een pak zonder een man,
hij klopt graag met een ring zonder steen, zonder vinger,
hij schreeuwt graag zonder mond, zonder tong, zonder keel.
Niettemin weerklinken zijn voetstappen
en hoor je zijn lijfgoed, stil als een boom.
(…)
–
[p. 109]
Waar het eigen bestaan wellicht al te zeer verdund is geraakt in de tijd om er nog de gewenste woorden uit te kunnen destilleren, biedt de gerijpte inhoud van andere vaten des te meer mogelijkheden om een krachtig brouwsel te produceren.
Wat zou je van een oude dichter nog eisen? Wellicht is de essentie gelegen in de terloopse en toevallige ontmoeting, nergens opzettelijk naartoe, het samen oplopen van lezer en dichter in de taal, ‘gaan wij op weg en komen niemand tegen’ zoals iemand ooit schreef en groeten wij elkaar van afstand:
–
In de verte wuift een mens
naar mij,
wat me nog maar zelden overkomt.
Hij staat en wacht, ik loop
hem tegemoet, zie pas dichterbij
wat een rijk bebloemde, hoge stengel,
buigend, wuivend in de wind
aan de rand van een leeg veld
met iemand doet.
Ik groet en spreek hem aan en spreek
hem toe.
Hij zwijgt, stemt in, neemt en passant
twee hommels, brommend,
en een wilde bij
in een gloed van paarse bloemen op.
Wat nu bloeit is gul, gastvrij
na een verregend voorseizoen.
Wij begrijpen hoe het leven gaat en begrijpen
ook elkaar,
—– de jonge, hoge vingerhoed
— —&
—- –de oude, goedgemutste wandelaar.
–
[p. 5]
Let op, een ‘wilde’ bij en geen ‘dwaze’. De ‘vingerhoed’ (vingerhoedskruid, digitalis purpurea) is iets minder onschuldig dan de dichter op het eerste gezicht suggereert: het is een giftige plant die hartritmestoornissen kan veroorzaken. Omdat hij staat ‘aan de rand van een leeg veld’ is het niet zo moeilijk om hier een evocatie van de dood te herkennen. Er is herkenning en overeenstemming: ‘Wij begrijpen hoe het leven gaat en begrijpen / ook elkaar’. De oude wandelaar is bezig aan zijn laatste tocht en wat moet zijn, zal worden wat het is.
Voorlopig tenminste.
____
H.C. ten Berge (2025) Hier & Ginder. Uitgever Koppernik, 119 blz. € 22,50. ISBN 9789083572451



