LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Tomas Lieske – In de bijvoetbossen

7 jan 2026

Hoe het geweest had kunnen zijn

door Hettie Marzak




Tomas Lieske (1943), pseudoniem van Ton van Drunen, is al sinds 1987 een veelzijdig schrijver van romans, verhalen, essays en dichtbundels. Zijn gehele oeuvre werd in 2024 bekroond met de Constantijn Huijgens-prijs. Zijn werk onderscheidt zich door een ongebreidelde fantasie, waarin de werkelijkheid altijd ondergeschikt is aan wat Lieske ervan weet te maken. Want de naakte feiten zijn zelden toereikend: Lieske vult die vanuit zijn verbeelding aan door in de huid van echte en verzonnen personages te kruipen.

Ook in zijn nieuwe bundel In de bijvoetbossen gaat hij uit van feiten uit de geschiedenis, maar diept die uit door hoofd, hart en stem te geven aan Charlotte van Bourbon, die geboren werd in 1546 of 1547 en die stierf in 1582.

Haar levensverhaal, voor zover dat nodig is om de bundel van Lieske te kunnen lezen, luidt als volgt: zij was een dochter van hertog Lodewijk van Bourbon-Vendôme, afstammeling van koning Lodewijk XIII de Heilige van Frankrijk. Vlak na haar geboorte werd ze overgedragen aan haar tante, die abdis was in een klooster. Op 18-jarige leeftijd werd ze zelf als abdis geïnstalleerd, al was dat geenszins haar eigen keuze. Zes jaar later verliet ze het klooster, werd protestant en leerde aan het hof van Frederik III in Heidelsberg haar toekomstige echtgenoot Willem van Oranje kennen, onze ‘vader des vaderlands’, met wie ze in het huwelijk trad. Het zou een gelukkige verbintenis geweest zijn, ook al duurde die maar zeven jaar.
Ze is bekend gebleven om haar goedheid, haar onzelfzuchtigheid en haar niet aflatende zorg voor haar zes dochters en de kinderen uit de twee eerdere huwelijken van Willem.

Lieske voert nog een hoofdpersoon op, in wie we de dichter zelf kunnen herkennen. Het is het kind dat hij was, dat speelde met vriendjes op het Charlotte de Bourbonplein in Den Haag, dat door de kinderen het ‘Sjalotte Bonbonplein’ werd genoemd. Op 3 maart 1943 was dat gedeelte van Den Haag ‘per ongeluk’ gebombardeerd door de Duitsers. Het herstel van het platgegooide stadsgedeelte zou tot in de jaren zestig duren; Lieske, die in juni ’43 geboren is, heeft daar al heel jong door het puin van de verwoeste gebouwen gelopen, een ‘fantastisch en geheimzinnig speelterrein, een gebied dat zich in mij wild heeft voortgezet’, zei hij in een interview in de Volkskrant. De ‘bijvoetbossen’ keren nog in menig gedicht in deze bundel terug.

In de bijvoetbossen

Toen wij jong waren en roekeloos
en onze eigen wetten toepasten zonder te wachten
op groene lichten want rood was dood
en wie geraakt was moest verdwalen. Wie was niet
eigen rechter, wie kreeg niet het hovaardige
gevoel dat alles in de wereld naar je eigen
lentelicht verwees en wat dat dan was?
Je wist het maar kreeg geen kans het uit te leggen
Toen wij jong waren en roekeloos en onze ziel
uit en aan konden trekken en soms verloren
in de diepe put van stil gevrij en afritscapuchons
waar het naar alsem rook en waar de balsemien
regeerde in de bijvoetbossen toen wij jong
waren en roekeloos.

Het bovenstaande gedicht is het eerste uit de afdeling ‘Jeugdjaren’, een titel die zowel op Lieske zelf als op Charlotte slaat. De gedichten over de jeugd van de dichter en die van Charlotte wisselen elkaar af, maar gaandeweg neemt haar verhaal dat van de dichter over, hoewel hij en zijn vriendjes nog regelmatig van zich laten horen in de andere afdelingen: ‘Familie. Verwanten’, ‘Huwelijk. Kinderen’ en ‘Lijden. Sterven’. Ook zijn er gedichten opgenomen die ogenschijnlijk niets met het thema te maken hebben, maar die zich er toch wonderwel bij aansluiten. De meeste gedichten bestaan uit vier of vijf strofen van twee versregels, afgewisseld door langere gedichten die uit één strofe bestaan.

In ‘Familie. Verwanten’ gaan de gedichten over haar neef Hendrik III van Valois die trouwde met la reine Margot, dochter van Catharina de’Medici. Een merkwaardig gedicht in deze afdeling vertelt hoe Charlotte gedichten leest van Lampe, Astrid en Gerbrandy, Piet: ‘liefdespoëzie van het grimmend soort’, waarbij de suggestie geopperd wordt dat uit een samengaan van deze twee dichters iets moois moet groeien. In ‘Huwelijk. Kinderen’ vertelt Lieske bij monde van Charlotte dat ze trouwt met Willem van Oranje en met hem hun huwelijksleven begint:

We betrekken ons kasteel van Nassau te Breda

Bruids tel ik de vorken inspecteer de kamers klop de hygiëne op
bekleed de gang met houtkrul en hars voor als het ijs ons breekt.

Zo zilver is de zorg van mijn man: hij masseert de muren
bindt ranken langs de ramen verwijdert wat zweeft en schittert.

Hij kent het nut van wentelingen ijkt tappunten dichtbij bekijkt
welke bevroren wie kan ons storen als wij in bed verpoten.

Hangt er ruim baan tussen de kamers om de lente te herkansen
om het idee te geven dat alles ons in de slagboeg valt?

Mogen we de duivelskokers dempen mag ons korte leven
vaan en wimpelen dat we geschapen zijn voor eeuwig hand in hand.

Als er een aanslag op Willem wordt gepleegd, is het Charlotte die hem verzorgt. De legende wil doen geloven dat zijzelf dag en nacht de wond van haar man heeft dichtgehouden. ‘Het hopen dat hij geneest is slaapvernielend en ondankbaar, / hij klampt zich aan mij vast, ik druk zijn angsten weg.’ Willem herstelt van deze aanslag. Charlotte daarentegen sterft vier maanden later uitput aan een longontsteking, nadat ze een tijd in coma heeft gelegen. Lieske laat haar dat als volgt beleven:

Charlotte raakt in coma

De wereld wordt zo klein dat hij in mijn ingewand verdwaalt
misselijk merk ik dat niets mij langer steunt, ik kan niet staan.

Ik zie wat als laatste struikt, wat valt van blad, de takken hier
die dwars door mijn netvliezen in mijn herinnering verdwijnen.

Wie bij mij binnenkomt is nauwelijks herkenbaar, geluiden van
schalen of messen zijn verpakt in dozen van borrelend water.

De bijvoetbossen kantelen en draaien, souffleren elkaar
het zuchten en het suizen, het licht kapseist achterover.

Hierna volgt er nog één gedicht, als Charlotte in het hiernamaals is aangekomen en afscheid moet nemen van haar aardse leven: ‘Dat ik er niet meer ben behalve dan in woorden, maar dat alles blijft / op afstand staan (…)’.

Als er iemand over een tijdmachine beschikt waarmee hij terug kan gaan in de tijd, dan is dat Lieske. Hij verdiept zich in de vrouw die Charlotte de Bourbon was en brengt haar weer tot leven alsof ze in onze tijd bestond. Hij verbindt het verleden met het heden op een geheel eigen, fantasierijke manier. Bovendien doet hij dit in gedichten die schitteren door hun beeldspraak en hun aangename ritme. Of hij de feiten van de geschiedenis daarmee recht heeft gedaan? Wie kan dat wat schelen bij zo veel schoonheid?

____

Tomas Lieske (2025). In de bijvoetbossen. Querido, 72 blz. € 19,99. ISBN 9789025319366

     Andere berichten

Evi Aarens – Fausta

Evi Aarens – Fausta

De wording van een dichterschap door Johan Reijmerink - - De sonnettenkransbundel Disoriëntaties van Evi Aarens zorgde in 2021 voor ophef....

Dean Bowen – masc:r

Dean Bowen – masc:r

De route naar het gezicht van de man door Ali Şerik - - Het eerste gedicht van masc:r begint met de regel: ‘ik ben zeven jaar & zonder...