‘Als we poëzie als een ruimte zien: kijk dan of er nog een deur of raam in die ruimte zit.’
door Mirthe Smeets
Yasmin Namavar (Amstelveen, 1983) is psychiater. Haar gedichten en essays verschenen onder andere in De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant. Ze won de Hollands Maandbladbeurs voor poëzie in 2024. In 2022 was ze finalist bij de El Hizjra Literatuurprijs. Ze debuteerde met de bundel Verblijf (uitgeverij Jurgen Maas) in mei dit jaar, de gedichten bij dit interview komen daar uit. Ze trad op tijdens de 42e Nacht van de Poëzie en in de Prinstentuin.
foto © Irwan Droog
Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met poëzie?
Als kind las mijn vader soms Perzische poëzie voor. Vooral Hafez. Ik begreep er niets van, maar ik werd meegenomen door het ritme en de klanken. Met Nederlandse poëzie kwam ik pas op de middelbare school in aanraking, en tijdens mijn studententijd begon ik zelf poëzie te lezen.
Welk gedicht maakte toen indruk op je?
De bundel Het moest maar eens gaan sneeuwen van Tjitske Jansen was de eerste dichtbundel die ik op mijn nachtkastje had liggen. Destijds was mijn favoriet, het gedicht dat zo begint: ‘Liefste, Op deze dag zo grijs als haring schrijf ik je een brief waarin het waait’
Wanneer besloot je zelf te gaan schrijven én ook te publiceren?
Schrijven deed ik sinds de basisschool. Ik denk dat ik zeven of acht jaar was. Ik begon met een soort non-fictie teksten over de werkelijkheid en de wereld. Niet bepaald geschikt voor publicatie. Veel later ben ik proza gaan schrijven, en weer een paar jaar later, heb ik eens een verhaal opgestuurd en dat werd toen geaccepteerd. Dat was heel leuk. Ik ben pas gaan dichten in een verdrietige periode, waarin ik steeds ziek werd. Ik had het nodig, denk ik, dat ik taal op een andere manier kon gebruiken. Daarna kreeg ik de smaak te pakken en begreep ik dat je met poëzie een nieuwe ruimte kunt creëren. Sindsdien heb ik geen prozaverhaal meer geschreven.
Mijn eerste gedicht verscheen publiekelijk in Tijdschrift Ei in 2022. Ik was dolblij.
Op welk moment dacht je: hier wil ik echt mee verder?
Een paar jaar geleden ben ik minder gaan werken als psychiater, om gezondheidsredenen. Toen groeide langzaam de behoefte om meer te schrijven. Pas na een aantal publicaties onder andere op Samplekanon, in Tirade en De Gids dacht ik: misschien mag ik dit serieus nemen?
haken mannen vingers onder oksels van vrouwen
vervoeren zich naar voortplantingswater
met de roze zon, geruis van auto’s
over de provinciale, de geur van zuur
–
en zie de mist die over de paarden ligt
had ik een zadel om op te galopperen of beter nog
laat me iemand dragen, met goedgouden ogen
die me niet loslaat onder water, ons kan verdrinken
uit instinctieve noodzaak.
Wat doet het met je dat Verblijf zo goed ontvangen is?
Het heeft me volledig verrast. Het verrast me elke dag opnieuw. Ik had nergens op gerekend.
Brengt het ook enige druk met zich mee?
Het voelt vooral als een aanmoediging. Momenten van druk voel ik ook vaak, maar nu heb ik weer even vertrouwen in mijn schrijfproces. Mijn ervaring is dat dat vertrouwen ook samenhangt met je zelfbeeld. Een positieve recensie geeft een tijdelijk gevoel van bevestiging, maar uiteindelijk verandert je zelfbeeld er niet wezenlijk door.
Ik dacht in sommige passages literaire verwijzingen te herkennen, bijvoorbeeld bij ‘ik roep je naam’, dat me liet denken aan Neeltje Maria Min. Klopt dat?
Dat is geen bewuste verwijzing geweest, eerlijk gezegd. Het zou natuurlijk kunnen dat er onbewust wel verwijzingen in zitten. Als je veel poëzie leest dan laaf je je toch aan andermans taal, klank en ritme, en wie weet wat je brein allemaal opzuigt… Maar als het in mijn bewustzijn boven is komen drijven, dan heb ik de verwijzingen genoemd.
Je noemt zelf ook Lucebert, Anne Vegter en Karel Appel. Zijn dat kunstenaars/dichters die je inspireren? En hoe reageerde bijvoorbeeld Anne op je bundel?
Ik bewonder zowel Anne Vegter als Lucebert om hun lef, energie en absurdisme. De blurb van Anne op de kaft was onverwacht lovend: de rest van de dag was ik rood van schaamte en geluk tegelijk. Omdat ik in de bundel naar haar verwees en we elkaar niet kenden, vroeg ik haar oordeel via de uitgever, zodat ze eerlijk kon zijn of kon weigeren. Pas daarna ontmoetten we elkaar.
Zijn er andere makers die een belangrijke inspiratiebron voor je zijn?
Ik heb lessen gevolgd bij Sasja Janssen en Nisrine Mbarki. Zij hebben mij geïnspireerd en gevormd. Net als mijn goede vriend Bram de Ridder (schrijver en psychiater) aan wie ik alle eerste versies laat lezen. Verder heb ik veel geleerd van Piet Gerbrandy als redacteur van De Gids. En ik heb ontzettend veel gehad aan mijn redacteur en dichter Joost Baars. Daarnaast zijn de inspiratiebronnen onuitputtelijk: Anne Carson, Radna Fabias, Ingrid Jonker, Maria Barnas, Peter Verhelst, Maarten van der Graaff, Anne Vegter en nog zoveel meer.
Het cursieve gedicht aan de linkerkant voelt filmisch en bijna als een apart verhaal. Gaat het over jeugd, een romance, of iets anders? Schreef je dit eerst of waren dat juist de andere gedichten?
Ik schreef het halverwege de bundel! Ik was koortsig van de corona en dacht na over de bundel. Ik wist dat er een rode draad doorheen liep, maar ik wilde die nog explicieter maken. Zodoende schreef ik het cursieve gedicht. Ik vind het leuk dat mensen er verschillende dingen in lezen, dus misschien moet ik er niet te veel over zeggen? Het is wel een bildungsgedicht. Bestaat dat?
Waar schrijf je meestal, en heb je bepaalde rituelen?
Ik schrijf overal. Vaak in het openbaar vervoer als ik onderweg naar werk ben. Maar ik schrijf ook vaak, juist als ik moe ben en eventjes zit of lig. De meeste gedichten zijn op mijn telefoon geschreven… Ik heb geen enkel ritueel behalve dat iets nooit zomaar af is. Ik ga er altijd opnieuw naar terug en blijf ermee bezig tot het goed voelt.
Het open einde dat sommige gedichten laten ontstaan, is dat bewust?
Ik probeer beeldend te schrijven. Daarnaast ben ik snel bezorgd dat ik te veel uitleg. Ik heb van Sasja geleerd kritisch naar de laatste zin te kijken zodat die niet een conclusie van het gedicht wordt. Misschien lees je dat erin terug?
Welke reacties van lezers over de betekenis van je gedichten raken je het meest?
Eén recensent schreef over de dreiging die er vanuit de bundel ging, dat had ik me zelf niet zo gerealiseerd, maar het was zo raak. Een andere recensent merkte de vele metamorfoses in de bundel op, bijna als een antidotum tegen fixatie, identiteit en zelfkennis. Daarin voelde ik me ook gezien. Identificatie met bepaalde eigenschappen zoals bijvoorbeeld ‘Iraans-Nederlandse dichter’, ervaar ik vaak als beklemmend, en tegelijkertijd is het waar en speel ik er zelf mee. Maar het is nooit het enige dat iemand definieert.
De quote van Virginia Woolf — ‘My roots are threaded, like fibres in a flower-pot, round and round about the world’ — voelt passend bij jouw werk. Herken jij jezelf hierin?
Het is lastig om vragen over identiteit te beantwoorden want uiteindelijk heb ik alleen mezelf als referentiekader, zoals ieder ander. In mijn bundel heb ik het erover dat ik zoek naar een jas die ik niet meer uit hoef te doen. Zonder dat te willen romantiseren, denk ik dat het zoeken naar die jas, of in lijn met Woolf, naar geworteldheid meer definiërend is voor wie ik ben en misschien algemener, voor wie we zijn, dan welke jas dan ook.
en ruimtetijd kromt tot onwrikbaar, oneindig
vind ik je niet
in de vragende karel appel aan de muur of in stilstand die ik verwar met rust
–
in de snoepblauwe slaapkamer steken borsten, kleine kinderkopjes uit mijn lichaam
lig ik, een zak briketten, op bed
verloren twee plastic poppen hun hoofd terwijl de rest kampt met hechtingsproblematiek
–
was jij ooit hier?
–
ik roep je aan door de deur met boerenzwaluwen, in kitscherig glas in lood
door de stuurse brievenbus met begerige borstels, jouw post bereikt me niet
terwijl ik blijf zoeken
naar een exit door materie
–
zoveel massa in zoveel leegte
zeg jij kaalslag
zeg ik armistice
–
ik verlies mijn pols uit het vizier als ik me verzoen met de basis
waar tenten huizen veinzen, lijken dekens pleisters
hier schijnt camouflage acceptatie
tevergeefs schud ik aan mijn bed dat piept, dat jammert van heem en bluf.
De verwijzing naar natuur keert vaak terug. Is poëzie voor jou een manier om een ideale wereld te scheppen, met onder andere een sterke band met natuur?
Eerlijk gezegd zie ik mezelf niet los van de natuur. Maar mijn poëzie is geen klimaatstatement of een manier om een ideale wereld te scheppen. Ik vind klimaat natuurlijk belangrijk en probeer op een manier te leven die respect heeft voor de natuur. Maar veel vaker ervaar ik dat onderscheid niet zo sterk. Ik denk dat de gedichten eerder een representatie zijn van hoe ik de wereld en mezelf waarneem.
Hoe zou jouw leven eruitzien zonder poëzie?
Poëzie heeft me een extra ruimte gegeven om in te verblijven. Zonder die ruimte heb ik minder bewegingsvrijheid.
overvalt je met licht
–
sponningen voegen als een keurslijf, delen je op
in huiselijkheid, kamer, buitenruimte
afscheid
–
wie bepaalt of je kan tochten wiegen waaien
hoe je trilt, dreunt tot na sluitingstijd
–
drempels kraken, gewacht, gewicht, ze vallen samen
(als vanzelf) in het slot, bijt ze
zich in zijn grenen, krabt
in zijn hout, betrekt zijn scharnieren
piept
–
wie houdt jou vast binnenstebuiten
ziet jou voegen, opent je
als er geen licht meer wordt gebroken
of hoe vertrek
in jou ligt besloten.
Welke tip heb je voor jonge dichters?
Als we poëzie als een ruimte zien: kijk dan of er nog een deur of raam in die ruimte zit.
–


