Schrijven is voor mij in de eerste plaats plezier.
door Alja Spaan
Ellis van Atten woont ruim een jaar in Egmond-Binnen: lekker rustig én dichtbij zee.
‘Ik ben geboren en getogen in de Zaanstreek. Mede door mijn stadsdichterschap van Zaanstad (2017-2021) heb ik van schrijven mijn werk kunnen maken. Creatief bezig zijn met taal geeft me het meeste plezier. Het liefste samen met anderen, in projecten of tijdens de schrijflessen die ik geef.’
foto © Ellen Swanenburg de Veye
Hoe ben je bij Meander terechtgekomen? En wat doe je bij Meander?
Door Alja! Hoe anders? De vraag of ik interviews zou kunnen doen voor Meander kwam op een goed moment. Ik was net wat gesetteld na een verhuizing en had me voorgenomen meer met poëzie en kunst bezig te zijn. Even later kwamen er ook recensies bij.
Bij de interviews vind ik het erg leuk om te vragen naar het schrijfproces en naar wat iemand inspireert. Soms vind ik daarin herkenning, soms ook helemaal niet. In elk geval geeft het altijd stof tot nadenken waardoor ik ook reflecteer op mijn eigen schrijfproces en gedichten.
Een recensie is weer heel anders, er is geen contact met de dichter. Enerzijds jammer, want ik lees wel eens iets wat vragen oproept. Anderzijds geeft het ook de vrijheid om er zelf wat van te vinden. Ondanks mijn leeslust zijn er wel eens bundels waar ik lastiger doorheen kom, dan zijn de gedichten gewoon mijn smaak niet. Juist dan vind ik het wel een uitdaging om te begrijpen waarom de dichter het zo schrijft en wat lezers aan zou kunnen spreken. Elke ingezonden bundel verdient een open, onbevooroordeelde blik van een recensent.
Wat was het eerste gedicht dat je las?
Poeh, dat zal toch als kind al geweest zijn. Veel kinderboeken en kinderliedjes zijn al op rijm! ‘Ozewiezewoze wiezewala kristalla…’ en ‘Ollekebolleke reubisolleke olleke bolleke knol’ herinner ik me nog als jong kind. Magische woorden die niets betekenden! Ik las als kind veel, daar moeten gedichten bij hebben gezeten. Eén van mijn favoriete boeken was een geschiedenisboek met veel plaatjes en helemaal op rijm: Zij maakten geschiedenis. Ik heb het nog steeds. Door een stevige christelijke opvoeding zijn de Psalmen – best poëtisch – er met de paplepel in gegoten. Ik begreep als kind niet alles, ik vond dat niet erg en stond daar niet altijd bij stil. Het klonk gewoon goed. Dat is hoe ik nu soms nog steeds poëzie lees en luister. ‘Niet begrijpen’ hoeft geen hindernis te zijn om van een tekst of een gedicht te genieten.
Wat maakt een gedicht goed?
Wat een gedicht goed maakt is voor elke dichter én elke ontvanger anders. ‘Goed’ is een waardeoordeel waar ik me liever niet aan waag. Over smaak valt niet te twisten. Ik merk zelf ook dat de tijd, misschien de leeftijd, je ervaringen en je gemoedstoestand invloed hebben op hoe je een gedicht leest of hoort. Soms biedt een gedicht, wat me eerder niet aansprak, later troost, of begrijp ik een gedicht na herlezing ineens wel. Het neemt overigens niet weg dat er wel wat te zeggen valt over poëzie. Over originaliteit, ingewikkeldheid, ritme, opbouw, sfeer, stijl en nog veel meer.
Zelf houd ik van poëzie die raakt, zoals die van Judith Herzberg en Rutger Kopland. Ik houd ook van experimentele poëzie, misschien dat je Lucebert en zijn tijdgenoten daaronder kunt scharen. De ontwikkelingen in Spoken Word vind ik boeiend, zeker als het samenkomt met muziek en dans. Moze Naël – zoek zeker op, als je hem nog niet kent – maakt prachtige stukken, eerlijk, raak en ook zacht.
Wat betekent schrijven voor jou?
Schrijven is voor mij in de eerste plaats plezier. Ik houd van het schuiven, het schrappen, het aanvullen, het spelen met zinnen en woorden, ik houd van al die verschillende manieren om iets over te kunnen brengen.
Schrijven helpt me ook om chaos te organiseren en zelfinzicht te krijgen. Dagboeken, rijtjes met mogelijkheden, aantekeningen, krabbels en ja, ook gedichten.
Wat voor plannen heb je met je eigen werk?
Het komende jaar wil ik graag beeldend werk en poëzie combineren en naar een tentoonstelling toewerken en misschien ook een bundel. Een avontuur waar ik na een aantal turbulente jaren rust en ruimte voor voel.
Ik houd van samenwerken, netwerken, spelen. Dat prikkelt, inspireert en zet me in beweging, ik heb het gewoon nodig. Ik maak deel uit van een nog naamloos Zaans Collectief met dichters, kunstenaars en muzikanten. Het is voor mij een thuisbasis waar lekker geëxperimenteerd kan worden. Daar wil ik meer uitdagingen aangaan en mijn onzekerheden misschien eens loslaten. Sinds kort maak ik deel uit van de Dichterskring Alkmaar, een mooi gezelschap dat gedichten met elkaar deelt en podia organiseert. Nog zo’n fijne thuishaven.
Wat mis je nog bij Meander?
Voor Meander blijf ik lekker interviewen en recensies maken. Bij het volgen van Meander mis ik vooral ‘tijd’, ik kom er gewoon niet aan toe om alles te lezen omdat het zoveel is. Van mij mogen de frequenties van alle rubrieken best wat lager om er meer van te kunnen genieten.
Ik zou het leuk vinden als er meer aandacht komt voor ‘performance’. De nadruk ligt nu – terecht ook hoor – op het lezen van poëzie, maar het is ook te horen en zelfs te zien. Bijvoorbeeld de ‘Spoken Word’sessies bij Human.
Drie gedichten
–
Ik leerde over plaatsen waar ik aan kan leggen, mijn anker
uit kan werpen en op adem kan komen.
–
Ik leerde kaartlezen, ik weet welke kant ik boven en
welke ik onder moet houden. Ik weet van windrichtingen.
–
Ik weet van de zon in het zuiden en van de poolster
in het oosten. Ik leerde richting te bepalen.
–
Ik leerde van de vogels hoe ik uit de rietkragen kan opstijgen,
in de lucht kan cirkelen, mee kan drijven met de wind.
–
Nu kijk ik over verdwenen water. Alle wegen, alle sloten,
alle kavels in dit landschap leiden me zonder omwegen
naar een zekere horizon. Onder mijn voeten trilt verzwegen verlangen.
–
Ik scheer over verdwenen water.
–
Ik reis zonder kompas naar wat
blijft stromen waar het
ooit was.
–
–
Dit gedicht schreef ik voor de Veldwerkexpo 2024, een kunstproject van Joke Konijn in de Schaalsmeerpolder. Alle stadsdichters van Zaanstad werden uitgenodigd om poëzie te schrijven en voor te dragen. Kees Jan Sierhuis en Co van Assema en ik verzorgden een interactief poëzie-optreden van zo’n 40 minuten. De voorbereidingen waren warm, vrolijk en liefdevol. Vanuit dit kunstproject is het nog naamloze Zaans Collectief geboren: warme herinneringen en nog meer toekomst!
–
Op het eerste gezicht is een bos
groen en overal hetzelfde
Maar als je er midden in staat
je oog laat rondgaan, zie je het! Zie je het?
Het ene bos heeft blad, het andere naalden
of lange lianen. Er zijn bomen met vruchten:
zoetsappig, scherp stekelig of ruw
in vele kleuren en smaken
–
Toch stroomt door iedere boom levenssap
waardoor ze groeien en de hemel aan
kunnen raken
–
Vogels hebben allemaal vleugels
toch is de ene vogel de andere niet,
de één start kaal en de ander met dons
Er zijn zwemmers, lange afstandvliegers,
bidders en hardlopers. De ene zingt,
de ander kwaakt, kukelt of klopt
tegen holle basten van bomen
–
Toch beginnen ze allemaal in een ei
en krabben zich – als ze groot zijn –
tussen de veren
–
Op het eerste gezicht lijken ze niet op elkaar
Mensen verschillen van kleur, van bouw,
van geslacht, van haar, van seksuele voorkeur
Ze zingen met hoge stemmen of juist hele lage,
bewegen vloeiend, zwevend als danseressen
of zijn houterig als marionetten
–
Mensen lijken niet op elkaar
totdat je er tussen gaat staan
en om je heen kijkt. Zie je?
–
Alle mensen bewaren hun hart
op dezelfde plek. Soms is het verborgen,
nog niet ontdekt. Maar ieder kloppend hart
tikt tegen de ruwe bast tot sappen gaan stromen
de bladeren zich ontvouwen en reiken
naar de hemel, waar alle kleuren
een plek zoeken in de regenboog.
–
Wat lijken we op elkaar! Zie je?
–
–
In 2020 vroeg stichting De Zaanse Regenboog mij als stadsdichter van Zaanstad om een liedtekst te schrijven. Het werd Zaan Pride op de melodie van Go West door de Pet Shop Boys. Het ontroert me dat het ieder jaar weer wordt gezongen, steeds op andere manieren door andere mensen. Mijn favoriet is nog steeds de eerste uitvoering door het koor van de Zaanse Theaterschool onder leiding van Ammes Brandenburg. Vooral luisteren.
Voor die gelegenheid schreef ik ook bovenstaand gedicht, wat ik nog steeds graag voordraag.
–
een jonge man rende achter mijn fiets
die slingerend voortbewoog door
de doodlopende straat. noodstop
mijn voeten plakten aan de stenen
mijn knuistjes blauwgeknepen
om de stuurgrepen. de man
vloog over mijn hoofd
landde hard en bleef liggen
–
ik stapte van mijn fiets, liet die vallen
en raapte mijn vader op die weigerde
een rollator te gebruiken
–
zo snel ging het
ooit fietsten we samen
–
–
Een recent gedicht naar aanleiding van het thema Metamorfose van de Poëzieweek 2026



