Waar het bewustzijn van de gedaantewisseling drinkt
door Ali Şerik
–

–
Er zijn maar weinig kunstenaars van wie de schilderkunst en de poëzie zo nauw met elkaar verweven zijn als bij Henri Michaux (1899 – 1984). Soms lijkt het alsof zijn dichtregels uit zijn schilderijen zijn gevallen. Gedachten dwalen rond, op zoek naar betekenis, van objecten, symbolen en van het zelf.
Dageraad op klaarlichte dag is het derde deel van een bloemlezing uit het werk van Michaux, vertaald en van een nawoord voorzien door Bart Vonck. De bundel bestaat uit zes afdelingen en omvat werk uit de periode 1960–1984. Zij bevat voornamelijk lange gedichten, waarin de dichter de ruimte vindt om zijn innerlijke wereld naar buiten te keren. Elke strofe opent een eigen invalshoek en vraagt van de lezer een actieve inzet van de verbeelding. In de laatste afdeling verschijnen enkele kortere gedichten.
De bundel opent met het indrukwekkende, maar tegelijk complexe gedicht ‘Iniji’. Hierin wordt de bitterheid van het leven geproefd. De waarde van het bestaan lijkt te zijn verdampt, een deur wordt geopend naar de vraag wat er gebeurt wanneer men het lichaam verlaat. Het gedicht roept het moment op waarin iemand een dierbare verliest, of zichzelf, en met beide voeten op aarde blijft staan, met lege handen, niet langer in staat zichzelf of een ander te omhelzen. ‘Vloeistoffen, vloeistoffen / alles wat voorbij stroomt / stoomt zonder stoppen voorbij / stroomt voorbij’ [p. 8].
Het verlangen rijst op om opnieuw bezit te nemen van een verlaten lichaam. Het gedicht is subtiel opgebouwd: gedachten kaatsen heen en weer als een pingpongbal. Door de emotionele intensiteit weet Michaux de lezer vast te houden. ‘(…) was de bedding van de rivier van vreugde niet opgedroogd (…)’ (p. 14). De vraag dringt zich op of de dichter hier aan zijn eigen dood staat, of van plaats is gewisseld met de overledene en zichzelf ziet als een levende dode, leeggezogen door het leven, zijn lichaam al in het graf gelegd. Michaux dwingt de lezer zijn gedichten niet met het hart te lezen, maar ze door het brein te laten filteren. Ze mogen niet door de aderen stromen, ze moeten in het hoofd gonzen als hoornaars.
Het tweede gedicht, ‘Deuren die op vuur uitkomen’, is even uitzonderlijk. Hier spreekt een diep gevoel van vervreemding, de dichter past niet meer in zijn huid, alsof alles voorbij is. Een ingetogen somberheid wordt op sterk poëtische wijze verwoord. ‘Het linnen van mijn vlees is afgerukt, mijn huid zit niet meer om mij heen / Niets zit nog om mij heen’[p. 17]. De dichter drinkt van zijn lijden, de zoektocht begint wanneer iemand zijn lichaam wil verlaten. ‘Lijden dat nog altijd niet is getemd / zijn dolle fanfare / zijn trompet alleen voor mij hartverscheurend / met onszelf zijn wij alleen, en de gordijnen potdicht’ [p. 18].
In de derde afdeling, ‘Momenten, tochten door de tijd’, wordt nog duidelijker dat Michaux op zoek is naar het spirituele leven. De regels en wetten van het dagelijkse bestaan volstaan niet meer. Er moet iets zijn voorbij het lichaam, voorbij de huid die hem van het universum scheidt. ‘De zijnswolk verdicht / vouwt zich op in zichzelf / Kosmos-Universum / kosmos van het universum van het “zelf”’ [p. 25].
Het gedicht Yanta vormt een labyrintische zoektocht waarin de ziel wil samensmelten met het universum en haar aanwezigheid daarin wil bevestigen. Michaux past niet alleen niet meer in zijn lichaam, maar ook niet in de taal van zijn gedichten. De beelden zijn als verre sterren, nauwelijks bereikbaar voor wie het spirituele pad nog niet heeft betreden.
In ‘Dagen van stilte’ overvalt mij een gevoel van versmelting met het andere. Geluiden uit de natuur dragen geen gedachten meer naar de ziel, maar vormen betekenis op zichzelf. Elke strofe bevat diepe reflecties die van het ene punt naar het andere stromen zonder de samenhang te verliezen. ‘Verbreider van nietsjes / van nietsjes die iets willen zijn.’ [p. 28].
Toch blijft de wens aanwezig om het ongrijpbare tastbaar te maken. De drang om aan het dagelijks leven te ontsnappen keert terug, vergelijkbaar met het gebruik van drugs om aan de realiteit te ontkomen. Michaux weet zijn gevoelswereld nauwkeurig te sturen, waardoor de dichtregels zonder obstakels in elkaar overvloeien. Fragment uit ‘Glijden’:
–
Tijd komt langs de niet-tijd
langs een voortdurende achter-tijd
langs de bestendige vreemde plek
verheven en eenvoudig
die, zonder iets te vernietigen, alle tegenstand overwint
in het schijnsel van haar eigen licht
–
Bestendigheid van het irreële
Structuren, allemaal van minder belang nu
Zonder kracht, de parameters
–
Losgemaakt van de omstandigheden
–
bezet door oneindigheid
glijd ik
–
Alles verloopt in werelden nu
–
De plek van het paradijs blijft onveranderlijk.
–
…
–
[p. 36].
In Michaux’ poëzie is voortdurend de innerlijke strijd voelbaar tussen het spirituele en het materiële, tussen de wens om los te komen van het lichaam en het besef van begrenzing. ‘Flarden ongeduld leveren zich uit aan geduld / en duiden de gebreken aan tegen een bovennatuurlijke achtergrond’ [p. 39]. Vooral bij een dichter die veel heeft gereisd kan het gevoel ontstaan dat alles is gezien en opgeslorpt, dat het lichaam te klein is geworden voor wat de geest heeft ervaren. De centrale vraag blijft: waar betreed je het immateriële, en waar vind je tevredenheid?
Of Michaux in deze periode een definitief antwoord heeft gevonden, valt moeilijk te zeggen. Wel lijkt hij aan het einde van de bundel een zekere rust te bereiken. Zijn zoektocht krijgt helderheid; gevoelens worden geordend, sommige zelfs omgevormd, om zich uit de slangenkluwen te bevrijden.
Fragment uit ‘Wanneer het werkelijke zijn geloofwaardigheid heeft verloren’
–
Een wind van ommekeer voert mee
Het heldere heeft alles geëffend
–
Woorden, zinnen – ingewikkeld raderwerk –
hoe anders is het nu
oude twisten en wispelturig humeur,
dat daterend van de laatste kampen
–
Een andere behoefte
een omgegooide behoefte doorsijpelt nu alles
–
Ik ben niet meer afgegrensd
personage dat oever is geworden
–
Achter mij gelaten de lange parenthese
ik zat in een holte en dacht dat ik liep
verzand in het korte wel twintig keer verstelde,
uitgelegde leven
–
(…)
–
[p. 51].
Michaux vlucht in drugs om zijn eigen vastgeroeste normen en waarden te doorbreken en een nieuw bewustzijn te verkennen. Uiteindelijk sluit de cirkel zich. In het nawoord schrijft Bart Vonck: ‘De zes teksten van ‘Waar leg je je hoofd neer’, -de laatste afdeling-, ‘zijn onder invloed van hasjiesj geschreven en staan in het teken van de verdwijning. De omzwervingen van het lichaam en de dromerijen hebben zich van elke plaats losgemaakt.’ Fragment uit ‘Waar leg je je hoofd neer?’
–
Tijden waarin je niet meer van je stuk wordt gebracht
niet meer verdeeld,
waarin geen aanmaning schuilt,
waarin geen enkel fenomeen opduikt
–
Geen ontmoeting meer
Wereld zonder tribunes
of met duizenden onopvallende tribunes
onduidelijke oneffenheden schuivend in gelijkaardige oneffenheden
–
Effenen
eindelijk gevonden
eindelijk aangekomen
dat niet meer wordt tegengehouden
Je zwalkt erin rond
–
Oneindig gejubel over de verdwijnen van de verscheidenheden.
–
[p. 83].
Dageraad op klaarlichte dag is geen bundel die zich leent voor willekeurig openslaan. Zij vraagt om gelezen te worden van begin tot eind. Het is als een restaurantbezoek waarbij een viergangenmenu wordt geserveerd, elke afdeling heeft zijn eigen smaak, kleur en bestek.
____
Henri Michaux (2025). Dageraad op klaarlichte dag. Samengesteld en vertaald door Bart Vonck. PoëzieCentrum, 114 blz. € 23.00. ISBN 9789056554026



