LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

In memoriam Cees Nooteboom (1933 – 2026) / Zo worden jaren tijd

17 feb 2026

door Johan Reijmerink

 

foto © Wikipedia


De roman Het volgende verhaal (1991) van Cees Nooteboom krijgt in de jaren negentig mede dankzij het roemruchte literaire televisieprogramma van Marcel Reich Ranicki (1920-2013) in Duitsland een grotere bekendheid dan in Nederland. De roman wordt daar een bestseller en roept verbazing op over dit onbekende schrijverschap: ‘Dat jullie in Nederland zo’n schrijver hebben!’ Nooteboom krijgt er in 1993 de Aristeion prijs voor. Het is voor hem zijn tweede internationale doorbraak na zijn succesvolle roman Rituelen (1980). In de daaropvolgende jaren verschijnen er steeds meer vertalingen van zijn werk in diverse talen. Nooteboom wordt zo nu en dan genoemd als kandidaat van de Nobelprijs voor Literatuur. Van die Nobelprijs is het niet meer gekomen, maar hij wordt inmiddels wel beschouwd als een vooraanstaand Europees schrijver. Op 11 februari 2026 heeft hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld.

Zijn bundel reisverhalen De zucht naar het westen (1985) was net verschenen, toen ik in maart 1986 in de bibliotheek van Zutphen voor het eerst een optreden van Cees Nooteboom meemaakte. Ik had in mijn jonge jaren zijn melancholieke Philip en de anderen (1954) gelezen, en later met veel waardering zijn spiritueel getinte roman Rituelen (1980). Met zijn poëziebundel Aas (1982) was hij eerder als dichter binnen mijn onderzoeksveld van de moderne Nederlandse poëzie gekomen.

Nooteboom besteedde in zijn Zutphense lezing aandacht aan de novelle Mokusei (1982) vanwege zijn interesse in de Oosterse religie en cultuur, én de liefde. Getrouwd en gescheiden van Fanny Lichtveld (1957-1964) had hij later in de jaren zeventig een opzienbarende relatie met de zangeres Liesbeth List. Vanaf de jaren tachtig kwam hij in rustiger vaarwater in relatie met de fotografe Simone Sassen.

Mokusei is het verhaal van de fotograaf Arnold Pessers die een ontmoeting heeft met een Japanse vrouw die iets in hem teweegbrengt dat hem blijft bezighouden. Als hij haar na vijf jaar opnieuw ontmoet, het bed met haar deelt en haar minutieus fotografeert, beseft hij tegelijkertijd, ‘dat hij niets van haar wist, en dat ook nooit zou weten.’ De raadselachtigheid van deze ervaring laat zien hoezeer de hoofdpersoon zich gedragen weet door het mysterie van de liefde dat een volkomenheid in zich bergt, die alle begrip te boven gaat. Zoals hij op diverse momenten in interviews heeft gezegd, weet hij zich omgeven door een onbegrijpelijke werkelijkheid. Dat leidt ertoe dat hij in zijn schrijverschap het spanningsveld tussen fictie en werkelijkheid zodanig bewerkt, dat zijn fictie als een inzicht gevende werkelijkheid bij zijn lezers overkomt.

Veel van het proza en de poëzie van Nooteboom raakt in het eerdergenoemde mysterie aan een religieuze ervaring die je niet kunt waarnemen, maar die daarmee niet minder waarachtig is. Zijn poëzie en proza zijn erdoor getekend. ‘Wie katholiek geboren is, komt er kennelijk nooit meer vanaf’, heeft Piet Gerbrandy ooit over zijn werk gezegd. Hoewel Nooteboom voor een groot deel van zijn jeugd op religieuze internaten is opgevoed,  misdienaar is geweest en gregoriaans gezongen heeft in het koor, is het katholicisme voor hem ‘iets van buiten’ gebleven. Wat hem in het katholicisme aantrekt, is ‘het theater, de schwung, het ceremoniële’. Als hij in Spanje een kathedraal binnenloopt, weet hij zich telkens weer overweldigd door de duisternis, de kaarsen, de wierook, de beelden en de gewijde sfeer.

Cees Nooteboom wordt op 31 juli 1933 te Den Haag geboren als tweede kind van Hubertus Nooteboom en Johanna Pessers (haar achternaam heeft hij wel vaker in zijn werk gebruikt). Over zijn vroege jaren heeft Nooteboom zich nooit zo duidelijk uitgelaten: ‘Anderen kunnen hun hele kindertijd, compleet met data, scholen en voorvallen oplepelen als waren ze hun eigen computer, maar dat kan ik niet. Soms vraag ik me wel eens af of ik er vroeger wel ben geweest.’ Toch heeft hij pregnante herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Naast het marcheren van de invallende Duitse soldaten en het bombardement op het vliegveld Ypenburg hebben de scheiding van zijn ouders, de dood van zijn vader bij het vergissingsbombardement op Bezuiden Hout in het voorjaar van 1945 en de verbintenis van zijn moeder met een nieuwe levenspartner daarvoor gezorgd. Om die redenen heeft hij zijn jeugd als emotioneel en chaotisch ervaren waarin hij ‘naar een duidelijkheid zocht die voor hem alleen via het schrijven te vinden was.’

Na de oorlog verhuist hij met zijn moeder naar Tilburg waar zij vandaan komt. Hij volgt de eerste klas van het Sint Odulphus Lyceum te Tilburg. Daarna volgen een paar katholieke kostscholen. Allereerst het Gymnasium van de paters Franciscanen te Venray. Nadat zijn moeder is verhuisd naar Hilversum, zit hij even in de vierde klas van het R.K. Lyceum te Hilversum. Zijn stiefvader stuurt hem halverwege het schooljaar naar het Augustinianum in Eindhoven. In terugblik blijken zijn leraren op dat gymnasium naar zijn eigen zeggen niet alleen betekenisvol te zijn geweest voor het ontstaan van zijn schrijverschap, maar ze hebben hem ook bewust gemaakt van het transcendente karakter van de werkelijkheid. Zijn liefde voor het lezen en bestuderen van de klassieken en de moderne literatuur heeft hij bij hen opgedaan.

Na zijn middelbare schoolperiode is Nooteboom korte tijd werkzaam als jongste bediende van de Rotterdam Bank te Hilversum. Hij komt al fietsend gedurende zijn ‘geldtransporten’ naar clientèle in Baarn, Laren en Blaricum in contact met de jonge mensen die op de buitenplaatsen Groenevelt en Jagtlust verblijven. Via Fritzi Harmsen van Beek en Remco Campert komt hij in aanraking met het Amsterdamse journaille en de naoorlogse literaire kringen. Midden jaren vijftig begint zijn levenslang reizen en schrijven over kunst en cultuur. Daarin zijn de reiziger-schrijver Slauerhoff en Couperus hem tot voorbeeld geweest. Hij maakt al liftend reizen naar Scandinavië en Zuid-Frankrijk. Uit een van die eerste reizen komt zijn roman Philip en de anderen (1954) voort waarvan het succes hem overvalt en er lange tijd voor zorgt dat hij niet in staat is een nieuwe roman te schrijven.

Zijn schrijverschap van reisverhalen is eigenlijk in 1956 begonnen, als hij voor Het Parool zijn eerste journalistieke reportage over het binnenvallen van de Russen in Hongarije mag verslaan. In de daaropvolgende jaren verschijnen er reisverhalen en reportages in Elseviers Weekblad, en later columns in De Volkskrant. Van meet af aan heeft hij overdreven lyriek uit zijn werk geweerd. Al vroeg heeft hij in de gaten wat nodig is om een schrijverschap op te bouwen: kennis van andere landen, culturen en schrijvers. Daarom besluit hij veel te gaan reizen. Zo ontwikkelt hij zijn vermogen om in de waarneming van mensen, dingen en landschappen zichzelf te verliezen en in zijn verbeelding het waargenomene zelf het werk te laten doen. Sinds 1968 verschijnen er literaire reisverhalen, vooral in het maandblad Avenue, over allerlei gebieden en landen op alle continenten. Daarin publiceert hij ook zijn vertalingen van internationaal vermaarde dichters als Pablo Neruda, Cesar Vallejo, Cesare Pavese en Hans Magnus Enzensberger. Dit vertalen, als eerste stap naar een volwassen dichterschap, heeft er mede toe bijgedragen dat zijn eigen poëzie lange tijd voor hermetisch en intellectualistisch is gehouden. In zijn latere bundels krijgt zijn persoonlijke levenssfeer meer aandacht. Op veel van zijn reizen wordt hij vergezeld door zijn vriend en fotograaf Eddy Posthuma de Boer of later door zijn levensgezellin, de fotografe Simone Sassen.

Peter Nissen typeert hem als een ‘schrijvende zwerfmonnik’, als een monnik die boeken leest en boeken schrijft. De literatuur is zijn reflectie en het reizen bepaalde het ritme van die reflectie. Zijn reizen is daarmee een pelgrimeren geworden. De omweg naar Santiago (1992) is daarvan een sprekend voorbeeld. Dat boek vormt de neerslag van de vele jaren omvattende pelgrimage die hij samen met Simone Sassen door Spanje heeft gemaakt.

Vanaf 1955 publiceert Nooteboom gedichten. Hoewel hij meent dat een dichter in een kleiner onderkomen woont dan de prozaschrijver, zich achter in zijn hoofd bevindt, en hij niet altijd thuis is, zit toch daar de kern van zijn gevoel, een reserve die met zijn werk te maken heeft: ‘Ik heb die reserve altijd speciaal bewaard voor de poëzie. Het andere werk is meer exterieur, letterlijk ook naar buiten gericht, voor anderen bedoeld. De poëzie vertegenwoordigt het ascetische, meditatieve deel van wat ik doe, al kun je het natuurlijk nooit zo sterk splitsen.’ Met poëzie kan hij de waar te nemen werkelijkheid in diepere lagen aanspreken dan in proza. Hij noemt zich daarom een hybride schrijver, maar voor zichzelf is hij in de eerste plaats dichter. De meeste lezers kennen hem echter vooral van zijn reisverhalen. De complexiteit van denken, voelen en gewaarworden kan in poëzie anders, compacter en beter tot haar recht komen dan in proza. Nootebooms brede oriëntatie op de wereld van de cultuur, de filosofie, de religie en de kunsten roept in zijn werk het verlangen op naar een werkelijkheid die voorbijgaat aan wat wij kunnen waarnemen en begrijpen.

Nooteboom verblijft meestal in de winter in zijn huis in Amsterdam. In het voorjaar vertrekt hij naar het huis van een vriend in de buurt van het Bodenmeer. In de zomer en de vroege herfst leeft hij op het Spaanse eiland Menorca. Op dat eiland schrijft hij meestal zijn poëzie. Het huis en tuin en de bewoners van het eiland zijn terug te vinden in de roman Allerzielen (1998), de verhalenbundels Rode regen (2007) en ’s Nachts komen de vossen (2009). Hij beschouwt Spanje als zijn tweede vaderland, hoewel hij een tijd in Berlijn heeft gewoond ten tijde van Die Wende. Daarover doet hij op betrokken wijze in zijn Berlijnse notities (1989) verslag van de val van de Berlijnse Muur en de gevolgen daarvan.

Nooteboom heeft een hybride schrijversleven achter de rug, waarin hij zich openstelt voor allerlei culturen en religies, buitenlandse en binnenlandse auteurs die hem tot voorbeeld zijn. Al met al heeft dit een veelzijdig en markant schrijverschap met een on-Nederlands karakter opgeleverd. Voor ons ligt het werk van een Europees schrijver. Hij wordt niet alleen in Nederland koninklijk onderscheiden, maar zou ook later onderscheidingen van de Franse, Duitse, Chileense en Spaanse regering krijgen.  Hij krijgt verder de Prijs der Nederlandse Letteren en de P.C. Hooftprijs. Van de universiteiten van Brussel, Nijmegen en Berlijn heeft Nooteboom in de loop van zijn leven eredoctoraten ontvangen.

Opmerkelijk is dat hij op het eind van zijn leven de behoefte voelt om al zijn werk te ordenen en overzichtelijk onder te brengen. Zo heeft hij de afgelopen jaren veel reisverhalen herschikt en gebundeld naar de stad of het land waarin ze zich afspelen, zoals Berlijn, Venetië of Spanje. In 2023 verschijnen zijn verzamelde gedichten Zo worden jaren tijd. Gedichten 2023-1955. Kort daarop verschijnen zijn dagboeken 1970-1995 onder de titel De danser en de monnik. Al in 2013 was er het succesvolle dagenboek 533 uitgebracht.

Ik sluit mijn in memoriam af met een gedicht van deze eigenzinnige schrijver, dichter, zwerver, monnik en reiziger: ‘Het huis op het eiland’ uit de bundel Aas (1982). Daarin vallen gedicht en dichter blijvend samen. Dit huis op het eiland Menorca was jarenlang een belangrijke broedplaats van zijn dichter- en schrijverschap:

Er liggen zoveel gedachten geplant
in de tuin rond het verlaten huis.
Ik denk aan het lege hondenhok,
’s avonds schijnt de maan er op.

Laten we dromen. De kat is weer terug
met een mot in zijn bek,
want het is zomer.
Droom dus een andere lucht.

Vlieg over het huis. Het is dicht.
Jaag op de bomen. Straf de luiken.
De grond zegt niets. Ik loer door de kieren
naar de spiegel zonder gezicht.

De lakens zijn van het bed
dat nu zelf slaapt. De klok staat stil
van de tijd zonder wil. De tuinstoelen
liggen op hun zij. Mijn lege huis denkt niet aan mij.

Mijn huis denkt in mijn droom
aan zichzelf. Het is van de winter, van de koude
schimmels. Als ik terugkom is het zomer.
Dan zijn mijn voeten tien maanden ouder.

Blote voeten op de rode tegels
en de maan in de Bella Sombra.
De hagedissen onder de lamp
waarom is mijn droom dan toch somber?

In mijn leven worden de winters langer,
de kleuren valer, de vrienden banger.
De liefde verdwijnt uit mijn gezicht.
Ik berg me op in mijn gedicht.

…..

     Andere berichten

Hans Andreus honderd jaar

Hans Andreus honderd jaar

door Jan van der Vegt     Hans Andreus, 1959, foto © Edith Visser, collectie Literatuurmuseum   Het gedenken van een...

Over de dichter

door Hans Franse   Ik werk aan het afmaken van een nieuwe bundel: Luister rijke kijk dagen. In die bundel is een soort cyclus waarin...