Luchtige spiritualiteit
door Taco van Peijpe
–

–
In deze bundel geeft de dichter op lichtvoetige wijze uiting aan een meditatieve levenshouding. De gedichten zijn welluidend en tamelijk strak van vorm maar niet traditioneel. Ze bevatten veel mooie natuurbeelden en oorspronkelijke metaforen. De flaptekst vermeldt dat Ann Van Dessel samen met een yogadocente elke zomer mensen naar de Abdij van Orval ‘(…) meeneemt op schrijf- en yogaverblijf om te vertragen, te luisteren en thuis te komen in eigen lijf en woorden’. De bundel is thematisch ingedeeld in vijf afdelingen, waarvan de titels (zoals ‘EILAND VAN EENVOUD’ en ‘DIALOOG MET DE OOTMOED) verwijzen naar de zojuist genoemde zomersessies.
Zoals uit het vervolg van deze bespreking zal blijken heb ik veel waardering voor de mooie gedichten en voor de veelal luchtige toon waarop de serieuze spirituele beleving van de dichter wordt gepresenteerd. Hier en daar wordt de vereenzelviging met de natuur toch wat te zwaar aangezet naar mijn smaak. Dat geldt bijvoorbeeld voor de prozatekst ‘beste oude beuk bij de vijver’, waarin de schrijver een pagina lang tegen een boom praat, afsluitend met: ‘Misschien leer je me ooit onvoorwaardelijk lief te hebben. Boom te zijn. En bezield. / Je kleine oppervlaktemens’. Als lezer voel ik mij hier het bos in gestuurd.
Het korte gedicht ‘zwijg mij aan’ zegt halverwege: ‘leg traagkracht aan / in de dingen van de dagen // ‘. Dat vind ik mooi gezegd, maar het vervolgt dan: ‘ in de lege ruimte van atomen / adem in mij / overbodig mij’. De atoomfysica leidt wel erg ver af van de dingen van de dag en ‘adem in mij’ kan ik niet verenigen met een gevoel van overbodigheid. De luchtigheid die de bundel kenmerkt schiet ook wel eens te ver door, zoals in het melige ‘strak sonnet over het mooiste woord ter wereld’ dat niet meer te bieden heeft dan 56 maal de woorden ‘dank u’.
Nu verder over het moois. Afwisselende stijlen en vormen verhogen het leesplezier. De romantische lyriek van Guido Gezelle (‘het water is zulk een wonder ding / het zingt het klinkt het blinkt’) klinkt door in een aan hem opgedragen gedicht, waaruit ik de eerste en tweede strofe citeer.
—- –opgedragen aan Guido Gezelle
–
ik luister naar uw lokroep, hier nabij de abdij
waar gij zuiver van aard en van ziel uit de grond
gutst. zo vanzelf zo sprekend dat ik aan u
voorbij zou gaan, ware het niet dat gij mij zag
–
voor ik u had gezien en dat uw lied mij lokt.
ik heb u niets te geven, niets te zeggen,
mijn zwijgen alleen, mijn verwijlen bij u,
mijn kijken naar u en dat het genoegt.
Deze verzen vloeien bijna steeds welluidend voort. De overgang van de tweede naar de derde regel met twee opeenvolgende heffingen (grond / gutst) doorbreekt die vloeiende lijn. Hierdoor wordt de scheiding tussen de twee regels geaccentueerd, zodat het inhoudelijke verband tussen de voorafgaande woorden: ‘aard’ – ‘ziel’ – ‘grond’ meer aandacht kan krijgen, vooral bij herhaalde lezing.
In het wat langere beschrijvende gedicht ‘de sleutel van het bos’ wordt met weinig woorden een levendig natuurbeeld neergezet: ‘mansgroot fluitekruid en paarse smeerwortel / staan de laatste zonnige plekjes op te vrijen. / onze laarzen tasten de treden af, (…)’ En een paar strofen verder: ’traag masseren we de eeltlaag van de aarde, / onhoorbaar kreunt ze onder onze voeten. / er woont een hoger wezen in de bomen, / het kijkt welwillend op ons neer.’ De erotische toespelingen geven dit gedicht een extra lading.
De poëzie in deze bundel is rijk aan sfeervolle beelden, bijvoorbeeld aan het slot van ‘jonge vrouw aan tafel’ waarin een kloostergenote met gesloten ogen aan tafel zit: ‘op haar bord wacht een mandarijntje / met het geduld van een mandarijntje’. De gebruikte metaforen zijn origineel en doeltreffend, zoals in ‘dit is de plaats’: ‘(…) waar je langzaam / gaat lopen als zacht potlood op handgeschept papier’.
Ook mild relativerende beschouwingen komen aan bod. Wanneer een oorlogsvluchteling met onaangepast gedrag de meditatieve rust aan tafel komt verstoren gebeurt het volgende: ‘buiten vliegen de duiven verschrikt op, aan het kruis fronst Jezus / zijn wenkbrauwen. (…) de tafelgenoten trekken zich terug in de loopgraven van hun hoofd / het oordeel klemt als een helm. als gedachten konden spreken / zouden alleen de muren hier nog zwijgen’. Mooi gezegd, alleen het enjambement ‘fronst Jezus / zijn wenkbrauwen’ stoort me een beetje.
Sommige gedichten munten uit in eenvoud. De laatste strofe van ‘onthechting’ luidt aldus:
maar het blad
laat los omdat
er niets meer is
dat bindt
zelfs het vergaan
in de aarde
vergaat
de bladeren
De dichter presenteert een visie op onthechting in twee zinnen, die gefragmenteerd in negen regels de één voor één neerdwarrelende bladeren weerspiegelen. Bij het lezen treedt aan het eind van elke regel een korte hapering op zonder dat het doorlopend ritme wordt verstoord. Dit ondersteunt het beeld van de vallende bladeren. Rijmklanken zijn mooi onopvallend toegepast. De meerduidigheid van het ‘vergaan’ (regels 6 en 8) zet aan tot overpeinzing.
Gedichten waarin schitterende ogen, vurig bloed en hoog vliegende prestaties voorkomen hebben meestal het karakter van een lofzang.
Met dezelfde elementen maakt Van Dessel iets heel anders in het volgende gedicht, waaruit bezorgdheid spreek over het kwaad dat mensen kunnen aanrichten juist als ze machtig zijn.
–
niet dat we te min
maar dat we te machtig
–
niet van de schaduw die we veroorzaken
maar van de lichtexplosie in onze ogen
–
niet van de zwaartekracht die ons aan de grond houdt
maar van het stuwen van onze slagpennen
en van de spanwijdte van onze vleugels
–
niet van de dwarse bomen in het bos van ons brein
maar van de vliegende draak in onze aderen
en van het niet te blussen pagodevuur in ons bloed
De vorm van het gedicht komt met de inhoud overeen: een klein begin (’te min’) groeit uit tot een laaiend vuur. Het begint meteen angstig, met een paar gestamelde woorden die ook in het vervolg van het gedicht niet meer uitgroeien tot een volzin. De ‘dwarse’ bomen in de laatste strofe geven mij verschillende associaties: een teken van verval, omdat de bomen kennelijk zijn omgevallen maar ook een verwijzing naar dwarse afwijkende gedachten, waarvoor de dichter juist niet bang is. Bij nadere bestudering blijkt ook in dit gedicht hoe effectief het spaarzaam en onopvallend gebruik van alliteratie en klankrijm kan zijn.
Het volgende gedicht spreekt mij bijzonder aan omdat het een herkenbaar gevoel oproept en aan de lezer alle vrijheid laat om zelf te bedenken waar dat gevoel vandaan komt.
–
dit geluk vandaan komt
plots schiet het op uit de tuin
–
het heeft haast
iets van een vallende ster
–
het snijdt een snelweg
van boom tot boom
–
een hangmat voor de hemel
een streep door de nacht
–
ik draag het op de lippen
als een dichter
Het geluksgevoel vliegt snel door het gedicht. Het snelle ritme in de tweede regel (een herhaalde dactylus) brengt er vaart in. De ‘haast’ waarmee de derde regel eindigt verandert van betekenis na een goed getroffen enjambement, een ster verschiet, het geluk passeert een snelweg en trekt een streep door de nacht. In een flits van weinig woorden is het gevoel voorbij gevlogen. Dan dringt het door dat het ging om geluk dat een dichter op de lippen draagt. De korte strofen laten veel ruimte om de aangestipte beelden in gedachten aan te vullen, bijvoorbeeld als volgt. Eerst is er een uitbottende tuin, het is lente, veelbelovend; dan zien we omhoog, daar valt een ster, we mogen een wens doen. Er gaat iets snel van boom tot boom, een eekhoorntje? Of is het die ster van daarnet, die een streep door de nacht trekt? We kijken door de boomtakken omhoog, zien een hangmat onder de hemel en/of bestemd voor de hemel. Ons hemels gevoel kan tot rust komen, de dichter zingt voor ons. In de laatste regel heeft de dichter een aardige zelfrelativering aangebracht, er staat niet: ik als dichter, maar: ik als een dichter. Dat wil zeggen: zoals een dichter zou doen of zelfs: alsof ik een dichter was. Hier is overduidelijk een dichter aan het woord.
Ann Van Dessel (1961) is dichter en schrijfdocent. Traagkracht is haar vierde bundel; daarnaast schreef ze samen met anderen enkele bundels. Zij maakte ook de mooie illustraties die bij de verschillende afdelingen horen. Zie voorts het interview. In de bundel zijn van alle gedichten Franse vertalingen opgenomen van de hand van dichter en vertaler Bernard de Coen. Mijn kennis van het Frans schiet tekort voor een verantwoord oordeel, maar het lijkt me heel knap gedaan.
____
Ann Van Dessel (2025). Traagkracht. Uitgeverij P. 64 blz. € 19,50. ISBN 9789464757910



