Acupunctuurnaalden die de ziel aanprikken
door Ali Şerik
Deze bundel vraagt om een inleiding. Alleen al de uitzonderlijk lange titel: Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij, zet de toon. Meteen valt op dat de pagina’s niet genummerd zijn en dat een inhoudsopgave ontbreekt. Dit roept de vraag op of de bundel gelezen wil worden als één doorlopend gedicht. Er zijn geen afdelingen, geen afzonderlijke titels, geen hoofdletters, er is geen interpunctie. Viermaal wordt de tekst onderbroken door afbeeldingen van A Kiss van Anna Morosini. Wie eerst de beelden bekijkt, zou kunnen denken dat deze bundel een reis aankondigt langs de lippen van liefde, hart en ziel.
Aan het begin staan twee leestips: ‘De eerste reis is de allesomvattende, je leest alles, stelt je bloot aan alle stromingen. Bij de tweede reis maak je sprongen, laat je je meevoeren door de getijden van versmelting en sla je de verscheurende over. Je leest enkel waar de zinnen naar elkaar toestromen, uitgelijnd naar het midden.’ Deze aanwijzingen suggereren zowel het ontstaansproces als de leeswijze: een totale onderdompeling of een selectieve, intuïtieve tocht.
Op haar website presenteert Maya Wuytack zich als dichter en theatermaker. Ze studeerde Dramatische Kunsten aan het Herman Teirlinck Instituut en aan het Koninklijk Conservatorium Gent (KASK). Ze schrijft, speelt en regisseert poëziefilms en podiumproducties waarin dans, beeldende kunst en muziek elkaar ontmoeten. Eerder verschenen de bundels Ontbreekbaarheid (2016) en Moederdicht (2021). Haar poëziefilm Beyond the Body ontving meerdere internationale prijzen.
de wezenlijke
‘aanraakbaar ben ik hier
en wacht op jou
op een teken
dat aan jou voorafgaat’
–
de nachtwandelaar
‘jij en het onbegaanbare
zwerven in mij’
–
de oorspronkelijke
‘als een landkaart in de droom
van de duif op terugtocht’
–
de omhelzende
‘een gedicht aan de binnenkant
van een vogel geschreven’
–
de wederziel
‘hoe je wenen in mij weent
hoe je juichen in mij juicht
hoe ik geen ander ben
maar een verlengde
van jouw verlangen’
Bij het lezen stuit je op een lange reeks van bijna tweehonderd zelfstandige naamwoorden. Elk zelfstandig naamwoord opent later één of meerdere strofe en fungeert als vertrekpunt. De strofen zijn meestal kort, opgebouwd uit spaarzaam gekozen woorden, rijk aan suggestie en kwetsbare gedachten tussen aanhalingstekens. Elke strofe draagt het karakter van een poëtisch aforisme. Lichamelijke ervaring en onderbewustzijn spelen daarin een centrale rol.
De poëzie van Wuytack draait om taal en ritme, om beeldspraak en symboliek. Ze schept een sfeer waarin talloze vragen opduiken, vragen die toegang zoeken tot de innerlijke wereld en tot het vermogen tot hartstocht. Een helder, lineair verhaal ontbreekt. De strofen komen als een waterval over de lezer heen, als acupunctuurnaalden die de ziel aanprikken. Woorden voeren weg van de tastbare werkelijkheid en laten je zweven, waar het hart het tijdelijk overneemt van het verstand. Logica wordt opgeschort. Tussen de regels ontwaakt iets sprookjesachtigs dat zich losmaakt van het alledaagse.
De bundel is doordrenkt van verlangen, de honger van huid en lippen, maar ook het gemis ervan. Er is angst om niet meer bemind te worden en tegelijk het onvermogen om zelf lief te hebben. Elke strofe staat op zichzelf als een klein gedicht. De verticale ordening weerspiegelt een innerlijke gemoedstoestand. Zoals in de leestips wordt aangegeven, kun je strofen overslaan zonder het gevoel te krijgen iets essentieels te missen. Is dat een bewuste keuze van de dichter?
‘ik zou wel gek zijn je te verklaren
dat ik een onophoudelijke
onomkeerbare, onuitwisbare
bijna noodlottige liefde voor je voel’
–
de zelfredzame
‘niemand kan zonder liefde
zelfs wie zonder kan
bedenkt zich geregeld’
–
de onschuldige
‘microscopeer mij
je zal in mij geen belediging vinden’
–
de ontketende
‘alleen de zoete coma van het onhoudbare
dat uiteenspat als een nieuw sterrenstelsel
dat zichzelf nooit meer bijeen kan rapen’
De bundel begint en eindigt met een willekeurig strofe. In theorie zouden de strofen uitgeknipt en herschikt kunnen worden. De volgorde lijkt ondergeschikt aan de kern. Het is vergelijkbaar met het beschrijven van een hond: je kunt beginnen bij de kwispelende staart, de hijgende bek of de ondoorgrondelijke ogen, het blijft dezelfde hond. Zo behouden de strofen hun essentie, ongeacht hun plaatsing.
Wel ontbreekt er spanning tussen de zorgvuldig vormgegeven fragmenten. Daardoor is het achteraf moeilijk te zeggen welke passages zich blijvend in het geheugen hebben vastgezet. De bundel kan met zijn strofen zelfs van achter naar voren gelezen worden zonder dat het gevoel ontstaat iets te missen.
‘een zoeklicht
waadt door ons weten
onder onze huid
die pas bestaat
als ze wordt aangeraakt’
–
de naar adem happende
‘de razende nabijheid
verraadt noch voorspelt’
–
de bewogene
‘jij bent de plek
waar je hand rust
waar de storm zich neerlegt’
–
de nachtwandelaar
‘voorouderlijk als stilte
in onderwaterstenen
jij
volkomen oneindig
begin’
–
de oorspronkelijke
‘zoals je in een diepe heldere bron kunt zien
dat je de bodem niet kunt zien’
Deze uitgave bezit een geheimzinnige schoonheid die de lezer zelf moet ontdekken. Achter elke strofe schuilt een wereld van innigheid, vertrouwen en lichamelijke nabijheid. Er spreekt een intuïtieve wijsheid uit, een wijsheid die ontstaat uit voelen, aanraken en proeven. Elke lezer zal deze bundel anders ervaren. De strofen lijken op appels aan dezelfde boom, ze delen een oorsprong, maar elke vrucht heeft zijn eigen smaak.
Maya Wuytack (2026). Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij. PoëzieCentrum, 88 blz. € 22,00. ISBN 978905655452111




