LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Anne Vegter – Projectmedewerkers

20 mrt 2026

De macht van het misverstaan

door Johan Reijmerink




Anne Vegter stelt zich in haar nieuwe bundel Projectmedewerkers (2026) kritisch op tegenover het tijdsbeeld van de moderne samenleving waarin intermenselijke verhoudingen en de omgang met de aarde onder druk staan. De bundel bestaat uit twee afdelingen: ‘projectmedewerkers’ en ‘voor de vervuiling’. Het begrip ‘projectmedewerkers’ wijst er niet alleen op dat ze een zekere afstandelijkheid ten opzichte van het project ‘leven’ hebben, maar ook dat ze er geen zeggenschap over hebben. Ze zijn, zoals Jean-Paul Sartre het formuleerde, in het leven geworpen en tot vrijheid veroordeeld, en dat loopt niet altijd goed af.

De eerste afdeling heeft betrekking op familiaire verhoudingen. Een moeder maakt zich zorgen over haar zoon en de levensomstandigheden waarin hij zich heeft gemanoeuvreerd. Voorgeslacht, aanleg en/of milieu dan wel eigen keuze zijn hierin bepalend. Tegelijk spiegelt Vegter deze verhoudingen tussen moeder en zoon aan de lijdensgeschiedenis van Christus. Voorop de bundel staat een figuratie van het Stabat Mater. Een ‘Stabat Mater dolorosa’ is het Latijnse en kerkelijke gezang waarin het diepe verdriet van Maria tijdens de kruisiging van haar zoon Jezus Christus in woord en klank wordt uitgebeeld. Deze heiligende kruisweg wordt in twaalf zwartgedrukte seculiere gedichten onder langs de hemelblanke pagina in breed geplaatste kwatrijnen of terzinen uiteengezet. De alwetende verteller probeert greep te krijgen op de gedachte- en gevoelsstroom met betrekking tot de moeder, de zoon en de overige familieleden. De ‘projectmedewerkers’ zijn in deze familieopstelling ondergeschikt aan de denk- en gevoelswereld van een alwetende verteller. Het onopgeloste drama wordt ‘door de gulle golfslag van verrukking’ opgetild.

Van meet af aan wordt duidelijk dat de verteller in de eerste afdeling de gescheiden moeder aanwijst als de eerstverantwoordelijke voor haar zoon die zijn telefoon niet checkt, zuipt, zich onverantwoordelijk gedraagt tegenover zichzelf en anderen. Zij verkeert vanaf het eerste gedicht in angst over zijn lot, maar heeft een ‘onuitroeibaar geloof in de goede afloop’. Hij woont nog bij haar thuis. Ze heeft geen voldoende vertrouwen in een ander adres wat zou kunnen leiden tot ‘crisisreductie’. Vader is blijkbaar al uit het leven van moeder en zoon verdwenen. Hij roept uit op x: ‘het komt wel goed’. Zoonlief negeert alle oproepen en signalen. Ze ligt er ’s nachts van wakker: ‘hartslag veldslag kwartslag uitslag bijslag hartslag veldslag hartslag’.

Ze vraagt zich voortdurend af of er niet te veel van haar baby is gevraagd. Al snel ziet ze dat hij de weg is kwijtgeraakt. Er hing blijkbaar boven zijn wieg geen fee ‘om te voorspellen dat die kleine god / heel groot zou worden’. Ze probeert zich zo goed mogelijk te verhouden tot het onopgeloste, maar ze wil zich niet langer verantwoordelijk houden ‘voor de oude shit’. Ze weet zich gesteund door de wetenschap dat ‘voor 47% van de gebroken families’ het niet werkt ‘om via whatsappgroepjes in te checken bij elkaar’. De afstand blijft, hoewel groepssessies misschien wat ‘collectieve intimiteit’ kunnen bieden. Eenieder is met zijn eigen sores bezig: ‘laten we anders even een datum om een keer live samen’ te zijn.

De ontspoorde zoon ervaart hoezeer hij in een bijrol zit. Hij voelt zich verdwaald, mede door het leeftijdsverschil met zijn broers: ‘ik verdwaalde op de rand van en hoe zeg je // ongeneeslijk punt in de ruimte met fokking trek in een sigaret’, want ‘de ondraaglijke duizeling van het afzien maar ze zitten hier niet voor de poëzie’.

De stuurloze broer wil met een andere broer om een potje x zonder winst spelen. Hij wil dat eerlijk en veilig doen, zonder bedrog en spuiten. De ik denkt dat zijn moeder in hem de nieuwsgierigheid herkennen zal. De rampzalige zoon zegt tegen de moeder dat hij ‘nu drie jaar clean’ is en het liefst omgaat met mensen die dat ook zijn. In de werkelijkheid is hij nog altijd de weg kwijt. Hij zou het liefst willen dat er geen vraag meer over zou worden gesteld. De andere zoon bewerkt in zijn kapperswinkel het haar van zijn moeder met ‘happyhairproducten’. Hij merkt dat ze trilt onder zijn handen: ‘geruislozer dan een besmetting rekken de manen de marges van haar geheugen en / de zachte nonchalance van de knippen’. Vegter is tot verrassende metaforen in staat om de onderlinge spanningen uit te drukken, ondanks de soms wat ingewikkelde formulering.

Het achtste gedicht vormt een terugblik op de familiegeschiedenis. Het leven van de grootmoeder en grootvader die al dood zijn, komt langs: ‘een zoon zal zeggen de cellen van mijn vrienden zijn bitches / maar die van mijn moeder zitten in een overdracht waar geeneens een woord voor is’. Moeder en zoon hebben gedeelde wortels. De verstandhouding tussen moeder en zoon is vanwege de scheiding al jaren moeizaam. Er zijn onderwerpen ‘die jullie liever voor jezelf houden een zoon zal / antwoorden je mag alles aan ons vragen maar wij gaan niet alles aan jou vragen’.

Gescheurde foto’s leveren onderling schichtige blikken op over het verleden. De je vraagt zich af ‘waarom haat ik / het om naar haar rug te kijken a i zal je op deze vraag een paar antwoorden aanleveren / – misschien sjokte je als kind achter haar aan thema’s afstand verlies’. Er spreekt onmacht en afstandelijkheid uit deze observatie. De spanningen lopen op. Misschien is het goed zoals a i voorstelt om haar een brief te schrijven.

Bij het gesprek over bepaalde onderwerpen vraagt de verteller zich af of de moeder zal vragen of ze over bepaalde onderwerpen liever niet wil praten zoals over seks. Het zal moeilijk zijn na al die jaren van spanning overeenstemming te bereiken ‘over een daadwerkelijke herinnering’.

Het twaalfde gedicht verhaalt over de vermoeidheid die over de genodigden van de familiebijeenkomst is gevallen. Het interieur zal worden gefilmd,

er zal een groepsmoment zijn er zal een verboden kwestie genoemd
worden er zal consent gezocht worden er zal een zoon z’n schouders ophalen er
zal een vriendin abrupt opstaan er een mentor voor aandacht pleiten er zal een
vrouw wachten op de gang er zal een moeder besproken worden een zoon zal zeggen

er zijn ouders we noemen ze ancestors daar gaan we over doorpraten
hij zal de vrouw nog niet zeggen jullie zijn van ons er zal geluid zijn van gelach
door de muur dringen

De kamer naast de festiviteiten is verhuurd: ‘even checken of iemand zich door doodzuipt’. Er is geen tijd nu voor wanhoop:’er zal iemand zijn die losgaat helemaal stuk er zal / de golf van wreedheden in de rapportages vermeld worden er zal een overheidsinstantie betrokken worden er zal een / verhoor plaatsvinden na de check-ups / er zal een god zijn zo dichtbij zo aanraakbaar zo slecht afgestemd er zal een god zijn zo angstig zo overprikkeld zo klein zo overgediagnosticeerd er zal een radicale god zijn’.

De tweede afdeling heet ‘voor de vervuiling’: vijftien aaneengesloten paginagrote proza-achtige verzen. Gaat het eerste deel over de chaotische toestand in familiekring die niet meer tot saamhorigheid is te brengen, het tweede deel gaat om een vergelijkbare chaos in het milieu die door toedoen van de mens als onverantwoorde hoeder wordt aangericht.

Aan het begin geeft Vegter het woord aan een bokje als offerande dat nog iets wilde zeggen ‘over de gezondheid van de ziel’. Het bokje zag ‘hoe de ziel als een slet achteloos weggelegd / (…) in mijn babytijd was liefde een werkwoord’. De boeren starten hun werk ‘maar de verwoestende preek van de dominee / dreef de bok tot kortsluiting over willekeur en toeval’. De dialoog tussen het bokje, de natuur, en de ik als baby – ‘het sloebertje van god’ – legt het bloeden van zijn handen uit: ‘je geboorte was je eerste en meteen / je beste kunstwerk’. Wolven vormen ondertussen een bedreiging voor de schapen; jagers schieten met behulp van hun honden wilde zwijnen af. Dat noemen ze ‘gebruiksbeleid’.

Dan volgt er het bizarre verhaal van iemand met valwonden die in een bus ligt als een gewond dier onder een jas. Iedereen wil zich bemoeien met de complexe geschiedenis die onder het dek verborgen ligt. Wat te doen in geval van oorlog onder vergelijkbare omstandigheden? In ons hart leeft aldus Henri Bergson het verleden voort, en toch verdween hij ‘heelheidshalve op de achtergrond’, zozeer zijn we bezeten van het beheersen van het heden. Alleen reist de ik verder en komt dierenvrienden gewapend met laarzen en spuitbussen verf tegen. Hij ervaart het als een innerlijke verwonding. De ik zoekt ‘dreigende dingen / die zich verhouden tot mijn angst’. Enige ironie is Vegter niet vreemd als: ’vegter weet dat planten ons judgen / (op ramkoers) ja lach maar’. De jongeling wordt ‘onderdeel van een / afspraak die we af wilden zeggen’.

Het dichtnaaien van lippen als vorm van verzet wordt verlaten toen het inzicht kwam ‘hoe het verband hield met het / ander op [goede!- JR] vrijdag’. De lippen als vlinders van de geest maakten ze ‘waakzaam tijdens / het weekeinde toen hernaaide ik’.

De indiener van een verzoekschrift maakt de ik duidelijk dat zijn geboorte en ziekte van hemzelf zijn. Hij heeft uw speciale vaardigheden nodig, omdat het debat nog in de kinderschoenen staat. ‘veilingmeester klimaatgod giechelt o arme wereld / je recht is een leemkuil metalen zorgvuldig werden / verzameld het regenrecord maar gebroken worden / verslaafd aan het weerwerk en niet zo’n beetje/ fast vortex’. Er volgt voortdurend gesoebat met de klimaatgod. Wat we doen is dat ‘we versleepten continenten we zeulden met soorten / ik zeg eet geen rund er is genoeg te helpen zonlicht / heeft een prijs er is genoeg troep en als het niet breekt / doet het niet mee klimaatheld!’

Oproep aan eenieder: laat ‘instagram en facebook dat zo 2025’ is voor wat ze zijn. Lees ‘life & likes van zoönosen’. Skip geen astronomische bedragen. Vind revoluties geen aanval. En ‘geef onverwekte kinderen het woord.’ Liefde is ‘das erhabene om onze verlorenheid de toekomst in te dragen’.

Er is nog hoop: ‘de wetenschap beweerde nooit dat zij ons kan redden / wat vergeten werd: wetenschappers worden geboren als baby’s / sabbelen driftig op verfrommelde vuistjes / of faust werd ingebakerd laat de verbeelding over / aan de verbeelding zijn oceanische verlangen naar feiten / duidt op inbakering om op stoom te komen’. God trok zich ondertussen terug en de roofridders presenteerden zich daarna: ‘o monsters peerreviewers jullie testen de prilste wetten’, zoals feiten die vereenzamen zonder triage, de wijsheid van menigten is geen statisch doel en vervallen coherentie veroorzaakt onzekerheid.

We hebben in deze bundel van Vegter van doen met zorgvuldig ingepakte en versleutelde poëzie. De schoonheid ervan openbaart zich in verrassende metaforen en snelle opeenvolgende situaties, gezien vanuit de alwetende verteller. De langs flitsende beeldopeenvolging overschaduwt soms de verstaanbaarheid. Projectmedewerkers is een uitdagende bundel ondanks de hechte stapeling van gedachten en gevoelens waarin de macht van het misverstaan over het project leven zich manifesteert.
____

Anne Vegter (2026). Projectmedewerkers. Querido, 88 blz. € 20,00. ISBN 978 9021497945

     Andere berichten

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Een relatie die niet kon blijven bestaan door Yolandi de Beer - - Ellen Deckwitz (1982) is een van de meest toonaangevende stemmen in de...