‘Onbeschoft omgaan met taal’
door Ellis van Atten
De van oorsprong Duitse Christina Flick kwam voor haar studie Mime aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten naar Nederland. Ze werkte de afgelopen jaren met verschillende makers en collectieven (o.a. theatercollectief Schwalbe en Copycats) in het performance/theater veld en geeft regelmatig les op haar voormalige opleiding. Ze studeerde in 2024 af aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. En ze schrijft poëzie, in juli 2025 kwam haar eerste bundel Oceandiva bij uitgeverij Van Oorschot uit.
foto © Arno Bosma
Hoe stel je jezelf het liefst voor?
Mijn makerschap vertrekt vanuit een nulpunt, in de Mime spreek je hierbij van de Zéro. Voor mij is dit het moment van waaruit alles begint, of kan beginnen. Het is een fysieke toestand (voor de performer op de vloer) waarin je probeert niets te doen, niet te presteren maar wel volledig aanwezig te zijn. En te onderzoeken wat dat op dat moment kan betekenen.
Ook als ik schrijf is dit mijn basis en moet ik hier regelmatig naar terugkeren. Bijvoorbeeld tijdens een wandeling door het park. Dan kan ik oordeelloos waarnemen en vallen mij dingen op, zoals een kraai die over een bevroren muurtje loopt terwijl auto’s op de ring suizende lichtsporen achterlaten Ik moet in een toestand van extreme openheid zijn hiervoor om vanuit deze vaak in de schemering plaats vindende ontmoetingen en observaties tot het papier te komen.
Daarbij geloof ik enorm in het door elkaar heen gefluister van mijn schrijvende, creërende collega’s. De troost die schuilt in het gegeven dat je elkaar hoort, inspireert. In die zin stel ik mezelf graag voor als verzamelaar, zoals ook in mijn bundel een verzameling van stemmen, personages, ontmoetingen, citaten voorkomt.
–
tegen I zeg ik
wie bloemen wil ga naar een park
–
maar ze wil bloemen
opdat niemand haar donkerte ziet
–
voor I’s moeder koop ik een bos prachtig te duur as valt
–
van honderd sigaretten op gele bloesem
–
ik mis ook de wachtkamers in I’s stad wat doet het wachten met onze muren
–
wel er zijn geen bloemen daar nog iets over I
I vecht met haar tanden wij beiden vechten
hoe het ons is geleerd we leven nog
–
waarom zijn er geen bloemen vraagt mijn mooie moeder
–
lang heb ik I niet meer gezien ik mis ook de balkons in I’s stad
–
I stuurt berichten vandaag zat de meeuw weer op de reling ik gaf haar suiker en thee
–
ik geloof weer in god en in mensen
Hoe kom je van mime-spelen naar schrijven?
De voeding is hetzelfde. Als ik theater maak, heb ik mijn blik nodig. Mime gaat over kijken, over observeren, en ook over lef, springen in het onbekende, het ongemakkelijke, geloven in het lichaam dat een verbeelding in zich draagt. Van waaruit iedere vorm mogelijk is. Die vrijheid, die de Mime uitdraagt en die daardoor tot zo verschillende kunstenaarspraktijken en -richtingen leidt, vind ik verwant aan het schrijven van poëzie. Ik denk dat het fragmentarische, soms onaffe, opene van poëzie het meest correspondeert met mijn brein. Het staat los van wat dagelijks van je gevraagd wordt: communiceren op een duidelijke, de gedachten afmakende manier. Bij de Mime vond ik dit op een fysieke manier. Naast het performen heb ik altijd ook geschreven, geprobeerd taal te maken van wat ik zag, dacht, ervoer. Wel, het uitbrengen en uitspreken van mijn teksten is nieuw, een stap op een nieuw terrein. Maar de innerlijke processen zijn met elkaar verweven, misschien zelfs gewoon één.
In 2025 kwam je eerste dichtbundel uit. Wat was voor jou aanleiding om de bundel te schrijven en te publiceren?
De aanleiding was de onoverzichtelijke, groeiende hoop gedichten, eenlingen op mijn bureau. Wat zou er gebeuren als ze buren zouden worden van elkaar, in een bundel? Menno Hartman van Uitgeverij Van Oorschot nodigde me zes jaar lang alsmaar uit om met mijn eenlingen aan tafel te komen. Ze lagen dan geprint en gestapeld tussen ons in en leken steeds stelliger te worden in hun gezamenlijke bestaansrecht.
Maar hoe de gedichten die niet voor elkaar zijn geschreven en op totaal verschillende momenten worden gelezen, toch te structureren? In een theaterstudio gooide ik de geprinte versies in de lucht, benieuwd hoe ze zouden vallen, legde ze in een diagonaal, in eilanden op de vloer. Tot ik het op een gegeven moment wist. Door de volgorde te bepalen, begonnen de gedichten weer van binnenin in beweging te komen. Toen de vastigheid me toch weer ging irriteren, kwamen de voetnoten in mijn bundel. Dat was enorm bevrijdend, aan de onderkanten van het gedicht weer te kunnen schetsen, daarmee kon ik het onaffe weer meer toestaan.
Ik geloof dat alles bijdraagt aan de inhoud, inhoudelijk is, dus ook uiteraard het ontwerp, de omslag, alles wat de papieren ruimte met de gedichten deelt. Ik had enorme twijfels over het schrijversportret, dat gewoonlijk op de achterkant te vinden is. Het is verleidelijk, de ‘ik’ in een tekst te plakken op de schrijver. De ‘ik’ in de bundel mag een eigen leven leiden, zoals ook de jij, de initialen, de moeder en het kind. Ik ben de uitgever dankbaar dat de bundel zonder biografische informatie mocht verschijnen. Een klein experiment.
Z wijst naar een jumbo die in de plaats is gekomen van een deen
iets later meldt mijn pinpas kein guthaben
nog iets later beweert een voice-over iedereen denkt hetzelfde
aan de rand van een afgrond
boodschappen van het laatste uur mijn koffie is koud mijn ziel vraagt zich het
volgende af in hoeverre weet mijn pinpas iets over goed
of slecht ben ik zelfs wel
op de morele hoogte van mijn bestaan waarom lijk ik niet meer op mijn moeder
–
in de metro heb ik de handschoenen
van een kind gejat opdat mijn kind
–
ik denk dat het binnenkort sneeuwt
–
. in de metro overvalt me mijn
. dagelijkse voednood
. dwz
. honger
. ongete
. md
. in de metro leest een onbekende
. een boek vochtige ogen had
. haar graag iets gevraagd om
. haar stem een antwoord
. maar ik vervaag ben
. niet meer wie ik was
. ook haar tranen nauwelijks
. nog te zien op de voering van
. de bank van voordat ze
. uitstapte misschien
. wil ik steeds omhelzen wie er
. niet meer is
. aantekening van
. een spook wellicht
. kan dat nu
Welke rol speelt meertaligheid in je dagelijkse leven én bij het schrijven van poëzie?
Ik geloof in taal als een hongerig beest dat zin heeft in nieuwe vondsten en zich voedt via andere talen, misverstanden en fouten. Toen ik naar Nederland kwam sprak ik met mijn veeltalige medestudenten vooral Engels. Dat dachten we tenminste. Later bleek dat we totaal onverstaanbaar waren voor de ‘echte’ Engelssprekenden. Dat intrigeerde me: we vormden een eigen taal door de noodzaak die taal überhaupt als drijfveer heeft, namelijk communiceren. Doordat Engels niet onze taal was, voelden we ons vrij, vergaven we elkaar misverstanden, gingen we al bij voorbaat met humor met elkaar in gesprek. Toen ik Nederlands begon te spreken, wilde ik ook in deze taal mijn gedichten schrijven omdat ik ze graag wilde delen met de mensen in wiens landschap ze waren ontstaan. Het was een hardnekkig verlangen, en ik werd erin gesteund door de docenten en studenten van de Schrijversvakschool.
Ik ben veranderd in mijn houding, ik ben onder andere onbeschofter geworden. Ja, eigenlijk heb ik ontdekt hoe fijn het is onbeschoft te kunnen omgaan met taal, hoe nodig. Ik denk dat zij het zelfs wil, dat we onze vrijheid nemen met haar. Juist omdat Nederlands niet mijn eerste taal is, ik haar klanken en woorden niet met de moedermelk heb opgezogen, doe ik mooie ontdekkingen. Als ik een woord verkeerd uitspreek, vind ik ineens een andere betekenis in dat woord. Ik hekel ondertussen het denken in ‘mijn’ taal, het bezitterige ervan. Taal is de realiteit van al haar sprekenden, onafhankelijk van hoeveel woorden je kent.
trappenhuis je stem op iedere verdieping in
hetzelfde volume
de tweede drijft een karper
naast een megalomane zon in het meer
bij de kiosk koop ik melk in een plastic
zak ze hebben geen flessen
ze weten niet waar je
bent de derde begroet Z
me
met een scherf snijd ik haar van voor naar achteren
open het kan haar niets schelen in tegendeel
ze fluistert frühling
als we eenmaal thuis zijn staan de bomen in bloesem
–
. aantekening van een
. spook only when
. foxgloves rise we
. can forgive
Waar droom je van als dichter?
Poëzie speelt altijd al een rol voor mij, ze troost me, voedt me. Onlangs stuurde een vriendin een foto dat mijn bundel bij de openbare bibliotheek van Amsterdam ligt. Dat was een glorieus moment, misschien het hoogst haalbare. Daarvan droomde ik toen ik begon te denken aan een bundel. Bibliotheken behoren tot mijn favoriete plekken, hun bestaan ontroert me regelmatig. De gulheid van een verwarmde plek in de stad, waar ‘s ochtends schoon wordt gemaakt zodat je je er comfortabel voelt zonder te hoeven consumeren of presteren. Ik droom ervan dat er steeds meer bibliotheken komen of soortgelijke, gulle plekken, waar we met z’n allen kunnen lezen, schuilen, schrijven. Mijn schoonmoeder vroeg laatst of mijn gedichten ook in braille worden uitgegeven, ook dat is deel van deze droom.
–



