LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Pieter Sierdsma – Losgemaakt

18 mrt 2026

De spatie als rust en valkuil

door Jac Janssen




De bundel Losgemaakt van Pieter Sierdsma opent zo, en let op het al dan niet gebruik van de spatie in titel en eerste versregel:

losgemaakt

los gemaakt uit de vloot
van de brede schaar wolken
die een dommelig verband onderhouden
drijft een wakende verkenner
licht van gewicht fluwelen gondel
boven de kudde witte ruggen
zwaar gevulde buiken
die traag voortkruipen

een wachter van de drom
die de koers verkent voor het veld
dat ze met een groot gemak innemen
een lichte veer vooraan traag door
de zon geladen wufte waker
onbezorgd dwalend
rondom de donzige randen die
verpluizen tegen blauwe lucht
zo loos te gast in het leven
zonder tijd naar niets streven.

Er gebeurt meteen van alles in de eerste regels en daarna. Die wakende verkenner bijvoorbeeld, is niet alleen losgemaakt maar ook ‘los gemaakt’ ofwel losjes voortgebracht uit ‘de vloot (…) wolken’. Zo gaat dat bij wolken: ze maken zich los van de grote massa en vormen nieuwe wolken die almaar van vorm veranderen. En die ‘schaar’ in regel 2, staat die daar toevallig in plaats van ‘schare’ of knipte die juist een spatie tussen vloot en verkenner? Bemerk ook de tegenstelling ‘dommelig’ en ‘wakend’. Wanneer dit gedicht poëticaal bedoeld is, en dat lijkt er wel op, dan is de dichter wellicht de verkenner die los drijft van de wolk en ‘de koers verkent voor het veld / dat ze met groot gemak innemen’. Zo tuimel ik van de ene vraag in de volgende. Die ‘ze’, de wolkenvelden, is dat ons alledaagse taalgebruik misschien? Zijn dat de woorden die we gedachteloos gebruiken, elke dag weer?

Voor mij is dit gedachtenspel illustratief voor het geheel van deze bundel. De stijl ademt een tot rust gekomen aandacht voor het alledaagse, de thema’s neigen naar verstilling en observatie. Er gaat geregeld een wat bedaagde, bijna bezadigde sfeer vanuit die alleen een dichter met veel verleden kan oproepen. En tegelijk roepen die soms schijnbaar achteloze, dan weer poëtische zinnen zóveel vragen op dat ik het overzicht kwijtraak.

Zo veranderlijk als de wolkenhemel zelf, zo vervlieden de gedichten in deze bundel. De onderwerpen, zo begrijp ik uit het openingscitaat van de Ierse dichter Yeats, zijn datgene wat zich niet aan ons opdringt, het onnadrukkelijke. Een spiegeling in het water, de rust van een begraafplaats, de vele gezichten van de zee, de tijd zelf en paradoxaal genoeg ook het tijdloze. Zoals die wolkenlucht uit het openingsgedicht. De laatste regels ervan suggereren een boeddhistische levenshouding. Laat het streven varen en het tijdloze dient zich aan. Maar ook in deze strofen dringen zich vragen op. Die ‘wakende verkenner’ is even later een ‘wachter van de drom’. Dat lijkt tegenstrijdig. Maar nu ik erover nadenk: een verkenner gaat eerst vooruit om te zien of de kust veilig is, en wacht daarna op de rest van het peloton om zijn bevindingen te delen. Dus de paradox zit in de verkenner besloten.

De gedichten bestaan meestal uit vrij associatieve beschrijvingen van ogenschijnlijk alledaagse zaken. Zoals het ‘water van de Amstel’, een stadsgedicht met de blik naar omlaag gericht, tussen de kaden. De mensen in deze verzen verstoppen zich tussen de regels. ‘Jij en je ziel lopen niet in de gaten’ (p. 16 ‘cirkels van de stad’).

Er worden intrigerende vragen opgeworpen, maar op nogal wat gedichten krijg ik maar langzaam vat. Soms ook omdat ik de grammatica niet snap: ‘een gedacht zeilt als onderpand / van in een grashalm’ ( p 18). ‘Van in’? Is dit gewoon een redactiefout?

Vanaf p. 19 krijg ik iets meer toegang gegund. ‘avondpad’ (de dichter vermijdt hoofdletters, ook in titels en ook na een punt) neemt ons mee in een vredige en romantische fietstocht (‘hand in hand’). De beelden worden pastoraler, zoals in ‘vlucht over de akker’ op pagina 21 dat ik in zijn geheel citeer:

vlucht over de akker

een kleine zwerm vogels roffelt
over de vers geploegde akker
een smalle schroefdraad die kort
schaduw over de bodem veegt
een snel geworpen plengoffer
onder de vaart van kleine vleugels
die met de rimpeling van donker water
verloopt en zonder een gedachte
weer opdroogt.

Hier speelt Sierdsma een invoelbaar spel met klanken, zoals de alliteratie van ‘vogels’, ‘vlucht’, ‘vers’, ‘veegt’. Het ‘roffelt’ is origineel en adequaat. Het binnenrijm met de korte ‘o’ wordt voortgezet. Meer binnenrijm zien we bij ‘geploegde’ en schroefdraad’, die laatste allitereert mooi met ‘schaduw’ in de volgende regel, maar vergt al iets meer voorstellingsvermogen. Dan het ‘plengoffer’ en wat er in de volgende regels mee gebeurt; het is wervelend en beeldend en muzikaal en zet de luie lezer aan het werk.

Verderop volgt een vierluik over de zee: bij nacht, ’s morgens, in de middag en bij avond. Hier voelt deze dichter zich duidelijk in zijn element. Een woord als ‘blak’, waar het derde deel mee begint moest ik opzoeken (‘vlak water’). Onwillekeurig doet deze reeks me een beetje denken aan die typische Hollandse schilders gespecialiseerd in zeegezichten, zoals leden van de Haagsche school.

Zo meende ik in het gedicht ‘blauw’ in de vooroorlogse sferen terecht te komen van Hendrik Marsman (Tempel en kruis) – die overigens weer leek te leunen op het alomtegenwoordige blauw in het werk van Georg Trakl, de getraumatiseerde Duitser die de Eerste Wereldoorlog nooit te boven kwam. Een fragment uit ‘blauw’:

de pilaren van de tempel
staan recht op het blauw
eeuwenlang onderzocht
door wind en het licht
(…)
koninklijk handhaaft de tempel
voor de god van de zee
het opgaand rijzen
met als gevolg door het grijs sluipend
rumoer van de nacht verdwijnen
de tempel verbreekt geen schakels
van de aarde zee en lucht
(…)

Er is een duidelijk verschil met het strak ritmische expressionisme van Marsman. Sierdsma’s gedichten zijn losser, volgen een eigen lijn van associaties in beelden die lyrisch hun werk doen, ook al zie je het niet meteen voor je. Het ‘losgemaakt’ van de titel wordt eer aangedaan. Maar soms staan er regels te veel, naar mijn mening. Zoals: ‘met als gevolg door het grijs sluipend’ lijkt mij een overspannen samentrekking, en ‘de tempel verbreekt geen schakels’ bevat een onnodige ontkenning. Het lijkt of de dichter hier zich liet meeslepen door een drang naar volledigheid, waarbij hij deze lezer uit het oog verliest. Soms gaat het woordspel met hem op de loop. Associaties gaan een eigen leven leiden en leiden af van wat een gedicht wil beweren. Of zit ik mis en wil het gedicht niets ‘beweren’, maar slechts zijn?

Over het taal- en woordgebruik. Veel gekozen woorden zijn ‘licht’, ‘zee’, ‘avond’, ‘stof’. Minder frequent maar wel kenmerkend zijn typisch ‘poëtische’ woorden zoals ‘bombazijn’, ‘zilverlicht’, ‘medicijnfiolen’, ‘kristallen’, ‘lood’, ‘blak’. Dat kun je archaïsch en ouderwets vinden, ik hou er wel van als een dichter slapende woorden wakker kust. Voor een bundel die contempleert op het onaanzienlijke, het onspectaculaire, valt er in de taal meer dan genoeg te beleven. Al mis ik hier en daar een bepaalde lichtheid en toegankelijkheid.

Het is al met al een intrigerende bundel waarin genoeg te ontdekken valt, mede doordat veel gedichten zich pas bij de zoveelste lezing laten doorgronden. En geregeld raak ik betoverd met fraaie formuleringen en beelden, zoals deze regels op p. 36: ‘het licht heeft alles geraakt /een lage zee overschrijdt / hetzelfde zand / de dunne ruis spoelt / tijd zonder veel duur / in een onmerkbaar uur’.
____

Pieter Sierdsma (2025) Losgemaakt. Uitgeverij Liverse, 60 blz. € 17,95. ISBN 9789464939293

     Andere berichten

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Een relatie die niet kon blijven bestaan door Yolandi de Beer - - Ellen Deckwitz (1982) is een van de meest toonaangevende stemmen in de...