De route naar het gezicht van de man
door Ali Şerik
–

–
Het eerste gedicht van masc:r begint met de regel: ‘ik ben zeven jaar & zonder gezicht geboren’. De geboorte wordt beschreven: geboren uit het zout. Het lichaam is transgressie, is mineur; een lichaam dat brute exegese is, uit klei vervaardigd, een droom, een catastrofaal dier in het donker, een bloeddorstige, gevallen afwijking. Halverwege het gedicht staat: ‘ik ben tachtig jaar & zonder gezicht’. Er is sprake van een littekenthuisland, mannen vergruizelen en dopen. Hij is offervlees op het altaar van bange mannen. Hij gaat door het leven met een lichaam dat een zandstorm is. De dichter is een spiegel waarin eerst de wereld wordt weerspiegeld en waarin hij daarna zichzelf zoekt. ‘(…) & ik heette dean & ik heette roystan & ik heette jacob & ik was vernoemd naar alle vaders van mijn bloedlijn & het lichaam is het water van een druppelvormige oceaan’ [p.10]. Bij het lezen komt bij mij de vraag op: waar wil de dichter naartoe? Waar is hij naar op zoek? Het gedicht eindigt met de regel: ‘(…) ik ben geboren zonder gezicht & spreek hiervan.’ [p.10].
Het is een bundel waarin als het ware een vragenlijst wordt ingevuld over wat identiteit is. Het bezitten van een lichaam vraagt om een route, om te begrijpen wat men werkelijk bezit en wat het lichaam van nu heeft geërfd van alle lichamen vóór hem. Bestaat er een universeel verlangen naar wie wij zijn, of is het niets meer dan een psychologische vraag van het bewustzijn? Bowen komt met beelden die als vloedlava uit een vulkaan stromen.
Het gedicht op pagina 15
nerie van het vlees te horen werken. een wonderlijk inequilibrium
zet zijn borstkast uit. dan het lichte ineenstorten that sinks me
into him. mijn rechterwang is zijn deining. ons verzamelde adem-
halen, een kantlijnkrabbel in het logboek waarin telkens weer een
dag, een verzameling coördinaten, die verhaalt waar wij geweest.
of hoeveel storm is overleefd om hier voor anker te kunnen gaan.
i’ve known him my whole life, you know. maak mijzelf ongedaan
om in hem op te lossen. i could love him into survival, maar ken
mijzelf als onbetrouwbare getuige. he’s an unmade bed of a man
& ik wentel in hem. haal bakzeil wanneer de koers wordt aange-
past & geef geen krimp wanneer we kapseizen. ik moet blijven
herhalen whatever ritual harmed us, to remember dat niet enkel
onze deep cuts heilig zijn. our tenderness is a gospel of ruins van
whatever beschut moet voor mijn vaders daylight, mijn grootva-
ders daylight of de schemering that made me home.
Achter in de bundel staat wie Dean Bowen is: dichter, schrijver, performer, programmamaker en criticus. Hij debuteerde met Bokman (2018), dat genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij was stadsdichter van Rotterdam in de periode 2019–2020 en ontving in 2025 de Johnny van Doorn-trofee. In deze bundel lijkt Bowen op zoek te zijn naar een gezicht: is het het gezicht van een jongen, van zijn voorouders? Een man die telkens een uitnodiging krijgt om ergens bij te horen, kan hij daar naartoe? Hoe ga je de straat op als je geen gezicht hebt? Of wordt er subtiel beweerd dat wij niet met een gezicht de straat op gaan, maar met een masker waarachter wij onze identiteit verbergen?
Is dat ook de reden dat deze bundel tweetalig is geschreven? Past Bowen in deze bundel niet in één taal, voelt hij zich nergens volledig thuis? Hebben de gedichten daarom geen titel en geen strofen, alsof hij wil zeggen: ik heb al verschillende namen gehad, maar mijn ware naam nog niet gevonden. Ik heb slechts een romp van beelden en dichtregels, zonder einde. Begint daarom de bundel met het citaat van Herb Goldberg: ‘perhaps the male has become an artist in the creation of many hidden ways of killing himself.’
Het verlangen naar identiteit en mannelijkheid is een diepe put waarin mannen worden gegooid. Waar begint mannelijkheid in onze samenleving en waar mag zij eindigen? In hoeverre schuurt zij met het vrouwelijke? Om een antwoord te vinden moeten we misschien bij God beginnen, die naar zijn evenbeeld de man heeft geschapen (van mij mag God ook een vrouw zijn). Of vraagt de wereld van nu om een andere mannelijkheid en een ander gezicht? Het vormen van een nieuw gezicht is geen vraagstuk met een duidelijk eindpunt. Ondertussen wordt men meegesleurd door vormloze honger, door wonden, door een spijkerachtig landschap en door ondragelijke woede. Dan komt het moment waarop je een man moet zijn: ‘(…) sta op & be capable of war & be a man. sta op & go to prison & become a man. sta op & return & be a man. sta op & make a million dollars & be a man.’ [p. 21].
Maar hoe word je een man in deze tijd, waarin je door de oermens in jezelf wordt verscheurd? Wordt de uitdrukking ‘wees een man’ nog gebruikt als aansporing om verantwoordelijkheid en besluitvaardigheid te tonen, met moed en kracht in moeilijke situaties? Is deze bundel een aanklacht tegen een tijd waarin de man zijn weg heeft verloren, een afstand die almaar groter wordt, van het zevende tot het tachtigste levensjaar? Wat heeft de man in die tussentijd meegemaakt? Heeft de mannelijkheid tot nu toe standgehouden? En willen wij misschien iets van die mannelijkheid aan de vrouwelijkheid overdragen? Wordt de ruimte tussen beide steeds kleiner?
Tegen het midden van de bundel treffen we zes zwarte pagina’s aan waarin een jongen wordt beschreven die zijn weg probeert te vinden in tegenslagen en verdriet. Een wereld waarin het lijden elke dag wordt voortgezet. Wat doet een jongen die zich niet thuis voelt in de wijk waarin hij woont? Waar meisjes alleen naar andere jongens kijken? Een wereld waarin verdriet zijn tranen niet kan afvegen en waarin elke dag een voortzetting is van de vorige. Een kind wordt jaloers op andere kinderen en ontmoet geen liefde, terwijl het verlangen naar seks en genegenheid een antwoord zoekt. Dan wordt het makkelijker om de wereld de schuld te geven voor alles waarin hij vastloopt. Radicalisering opent zijn zwarte vensters. Radicaliseert iemand wanneer hij zijn wortels niet kan laten schieten in de wijk waarin hij woont? Wanneer haat elke dag met de lepel wordt opgediend? Wanneer fantasieën over eigen roem beginnen te groeien? Door vervreemding en sociale isolatie kan radicalisering ontstaan. Jaloezie bereikt haar hoogste punt. Door obsessief denken en fantaseren over wraak ontstaat een nieuw, angstaanjagend gezicht.
Gedicht op pagina 38
voor het alleen dat ik zal zijn wanneer mijn hoeders kwijt & ik
opgekruld tot foetus, een witgebleekt remnant in de vensterbank.
ik ken mezelf a fear they need to be true. een verwachting die
zich doorheen het beton van mijn stugge devotie aan de zelfkas-
tijding openbloesemt. dus leg ik bloot deze monstrous expres-
sions. the flower is een veilige beschaving. better the devil you
know than the devil you dont, dus organiseer ik de negatieve
ruimte die de contouren van mijn schouders, tanden of pik uit
die wereldse organisatie krast. you’re a familiar god or shaped in
its glorious image. a bad vader/zoon/broer/mensfiguur. mijn dag-
dromen slinken. mijn sluimer is verdacht. hidden in one desire
is often anther & i’ve become animated in that gothic lullaby.
alles wat ik aanraak laat een blauwdruk van mij achter. ik hoor de
nagalm. how typical of you. love you. laf you. mijn kapseizen is
afgestemd op de playlist waar we jaren aan bouwden. them hid-
den gems be flowers too, you know. erin gewiegd om de kartel-
randen van mijzelf naar binnen te doen krullen. a boy is better to
be weaponized against himself. zo is de schade te overzien. zo is
zijn lans te breken.
Nu wij het einde van de bundel naderen, moet er inhoud worden gegeven aan de gedachten en gevoelens van het individu. Het lichaam moet om zich heen slaan om zich te verzetten tegen een wereld die niet onmiddellijk te begrijpen is. Je hebt een marktplaats van ideeën nodig: een plek waar alles wordt verzameld, van wapens tot vandalisme, van wraakzucht tot bodemloosheid, tot de nectar voor verloren zielen. ‘(…) maar sta je vrezen toe, zoals ook ik. & we rusten op een lange geschiedenis, mijn lief. we zijn beschermd voor alle mensen hier & eager for company. let’s take on a shape together.’ [p. 44].
Bowen gaat niet zuinig om met zijn woorden: hoe meer, hoe beter. Tijdens het lezen komen steeds nieuwe vragen op, die weer overlopen in andere vragen. Toch wordt het lichaam gevuld met liefde en verwachting. ‘(…) be gracious, mijn lief. we hebben een geheugen te lang of een lont te kort. bleken een woekerend leidmotief in de naweeën van onze krijsende aria’s. dichter bij het buurtgevoel raakten we niet.’ [p. 54].
Gedicht op pagina 47
gehavend lijf. molding your translucent mind into borderland. ik
schenk je een vorm, to find another. laat het water. val in stuk-
ken wanneer vingers in a clenched fist, vol van iets om je in mee
te slepen. alweer.
Dean Bowen gaat te werk als een tekenaar die met felle kleuren werkt. Elke zin is bijna een afbeelding. In de tweede dichtregel pakt hij geen nieuw tekenpapier; nee, hij tekent over de bestaande tekening heen een nieuwe illustratie. Laag voor laag wordt het gedicht gevormd, terwijl de onbegrijpelijkheid zich langzaam indrinkt. Alsof je laag voor laag dichtregels begraaft tussen God en de mens die hij heeft gecreëerd.
masc:r is een bundel waarin de lezer op het hoogste punt van een achtbaan zit en gillend naar beneden stort. De stem van de dichter is als een waterval die beneden als regen op de rotsen neerstort.
____
Dean Bowen (2026). masc:r. Uitgeverij Pluim, 64 blz. €24,99. ISBN 9789493420540



