door Ko van Geemert
In 1988 begonnen Paul Haenen (dominee Gremdaat, Margreet Dolman) en zijn vriend, man, partner, compagnon Dammie van Geest een blad – Mens en gevoelens – en ze vroegen of ik het leuk zou vinden daaraan mee te doen. Welzeker!
En zo droeg ik (véle jaren) met plezier een serie verhaaltjes bij, aanvankelijk onder de titel Wel & Wee van de dichter G, later werd dat Reis mee met de dichter G.
–

Mijn eerste stukje in die eerste jaargang ’88 begon zo. (Men verlieze alsjeblieft niet uit het oog dat ik toen natuurlijk zo’n veertig jaar jonger was…)
“Ten minste één maal per vakantie krijg ik het: dat onverklaarbaar verlangen me te storten in het onbekende nachtleven. Hierbij probeer ik me uiteraard zo veel mogelijk te mengen met de plaatselijke bevolking, hoe moeizaam dat soms ook verloopt. In Hongarije had ik derhalve het taalgidsje Hongaars op reis meegenomen.”
Na enige omzwervingen belandde ik in een caféachtige ruimte waar ik een aardige vrouw ontmoette. “Dit was mijn kans. Uit Hongaars op reis koos ik wat toepasselijke zinnen, die echter geen enkele bel bij haar deden rinkelen. Ook op grof geschut als: ‘Mag ik een eindje meelopen? Ik houd veel van u. De groeten aan uw man’, bleef ze mij vriendelijk doch niet begrijpend aankijken. Nu had ik nog één pijl op mijn boog.”
En dat was het Hongarijenummer van het tijdschrift De Tweede Ronde, waarin Hongaarse teksten stonden met vertaling in het Nederlands.
Ik liet haar een van mijn lievelingsgedichten Trots lezen, van Imre Péntek (vertaling Erika Dedinszky):
TROTS
geen mens heeft het ooit voor me opgenomen,
ik moest het zonder aanbevelingsbrieven stellen,
niemand belde ter wille van mij zijn relaties,
tussen minzame bureaus ging het nooit over mij,
geen VIP viel ooit onverwachts mijn kamer binnen,
familie op sleutelposten had ik evenmin,
geen krant liet mij toe in zijn kolommen,
dus zeg ik terecht met taaie trots:
ik werd een nul, maar wel op eigen kracht.
–
“Hierna glimlachte ze wat en keerde zich definitief van mij af. Pas later vermoedde ik hoe dat zo gekomen was. Waarschijnlijk had zij mij geheel vereenzelvigd met de hoofdfiguur uit het gedicht – een ‘nul’ ontmoet men niet graag.”
Een jaar later ging een van m’n stukjes over Erik Satie. Daar had ik een fikse aversie tegen omdat plotseling ‘iedereen’ het had over de grandioze Satieplaat van Reinbert de Leeuw. Ik hoefde niet meer.
Maar op een avond verdween die aversie.
“Die avond begon, zoals vaker, in het café om de hoek. Aan de bar raakte ik, zoals vaker, in gesprek met een vriendin.
De laatste ronde sloeg toen wij nog verre van uitgesproken waren en we besloten dat ik nog even met haar mee naar huis zou gaan. Daar aangekomen maakte zij een voor mij verrassende move door achter de piano plaats te nemen.
Wat ze speelde vond ik heel mooi.
Het bleek te gaan om Saties Gnossiennes, naar ik later begreep een van zijn meest gespeelde composities.”
Ik vond het zo prachtig dat ik de volgende dag naar de winkel ging om de plaat van Reinbert de Leeuw te kopen. En niet lang erna schreef ik dit gedicht:
–
SATIE
Het kon niets zijn, te velen waren voor geweest.
Tot aan het uur waarop men alle deuren sluit.
Jij nam mij mee en speelde, aarzelend
De oplossing, voor mij bestemd.
Langzaam komt dit raadsel nu de muren uit:
De stilte heeft, voorgoed, geluid.
–
De derde geschiedenis (uit 1999) speelt zich af in de Sovjet Unie van 1976. Mijn vrouw en ik maakten een rondreis door de toen nog zeer communistische Sovjet Unie. Op een gegeven moment kwamen we in Alma Ata (het tegenwoordige Almaty) met de Medeo kunstijsbaan, waar Ard Schenk zo snel z’n rondjes had gereden. Ard Schenk was in die tijd een superster, bij de winterspelen in 1972 had hij drie gouden medailles gewonnen.
Ik wilde die baan wel eens zien. M’n vrouw had wat last van haar voet en bleef in het hotel. Later die middag was ik terug in het hotel.
“Ik loop naar boven en klop op de deur. Geen gehoor. Ik klop nog eens en nog eens. Roepen en nog harder roepen. Niets. Bij de receptie spreekt niemand Engels, Duits, Frans – slechts Kazachstaans, dat ik niet beheers. Na enige tijd verschijnt een jonge vrouw die wat Frans spreekt. Ze verzoekt me mee te gaan. Als ik haar goed begrijp is mijn vrouw vanuit het hotel naar een ziekenhuis vervoerd.
Na een kwartiertje lopen bereiken we een monumentaal, enigszins vervallen gebouw. Mijn begeleidster legt de mensen daar wat uit, daarna worden we geheel in het groen gehuld: groene jas, muts, doek voor de mond. Zo stappen we in de lift.
Boven vinden we mijn vrouw, liggend op bed. Haar been is van voet tot lies in het gips gezet. Er zijn allerlei onduidelijke onderzoeken gedaan.
De enige woorden die ze verstond, waren: ‘Chewing gum?’.
Mijn ‘gids’ heeft zich inmiddels al lang uit de voeten gemaakt.”
We zijn in een nachtmerrie terechtgekomen.
Ik sla een hoop ellende over en maak een sprong naar de volgende ochtend. Na een vreselijke nacht ga ik vroeg naar het ziekenhuis, dat overigens een mannenziekenhuis blijkt te zijn. “Een jonge arts verschijnt. Hij neemt haar mee. Na een minuut of twintig komen ze terug. Het gips is vervangen door verband. De arts kijkt zorgelijk, ze mag absoluut niet weg, zoveel is duidelijk, er moet nog veel onderzocht worden.
–

–
We besluiten dat het genoeg is geweest. We vinden een gammele (brand)trap, ik draag haar op mijn rug, samen strompelen we naar het hotel.
Daar vinden we de bus al die ons naar het vliegveld moet brengen. Op de luchthaven staat een ambulance. Niet voor ons, godzijdank.”
In het vliegtuig komen we bij toeval in contact met een Nederlandse huisarts. Hij denkt dat mijn vrouw last heeft van een allergische reactie op een insectenbeet. Hij heeft wel een pilletje. Binnen een paar uur heeft ze nergens last meer van.
Bij het stukje plaatste ik het sonnet van Jan Kal over Ard Schenk, uit Jans bundel Fietsen op de Mont Ventoux (1974). Hier de eerste strofe:
“Ard, zoon van Klaas, bravo, bravo, bravo
Hollandse koeienjongen op de schaats.
Drie maal behaalde jij de eerste plaats,
hardrijder van Olimpies topniveau.”
Volgende keer in ‘Mens en gevoelens (2, slot)’ nog een drietal bijdragen uit de oude doos van Reis mee met de dichter G.
illustratie (1999) © Frank Muntjewerf
–

