LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Onsterfelijke versregels en dode gedichten

8 sep 2026

door Romain John van de Maele

 

De Engelse romantische dichter John Keats (1795-1821), die tijdens zijn korte leven slechts 54 gedichten heeft geschreven, was de auteur van een van de meest onsterfelijke versregels: ‘A thing of beauty is a joy for ever.’ Maar wie kent de volgende versregels? Het gedicht Endymion (1818) werd in het begin van de negentiende eeuw alleszins niet zonder gemor onthaald. In 1964 citeerde Mary Poppins de beginregel van Endymion in een Disney-film, en in 1971 werd die ook vermeld in het filmscript van Willy Wonka and the Chocolate Factory. Dat de lieflijkheid alleen maar toenam, zoals Keats schreef, werd door de Beatles weerlegd in de film Yellow submarine (1968): ‘A thing of beauty. Destroy it for ever!’ Maar een verwijzing hoeft niet zo destructief te zijn om te benadrukken dat onsterfelijke versregels citeren niet zonder gevaar is. Een andere stelling die vrij bekend is, luidt als volgt: ‘Beauty is truth, truth beauty.’ In die woorden herinnerde Keats aan de antieke filosofie, waarin het schone, het goede en het ware een eenheid vormden. De vaak geciteerde beginregel van Endymion is te vanzelfsprekend en algemeen om zonder commentaar geciteerd te worden.

Er zijn ook Nederlandstalige dichters die onvergetelijke regels hebben geschreven – ik denk aan Herman Gorter (1864-1927) die het verhalende gedicht Mei (1886-1889) met de woorden ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ liet beginnen. De volksmond heeft die versregel veranderd in ‘Een nieuwe mei, een nieuw begin.’ Maar wie leest vandaag nog de 4381 versregels? Kees Fens (1929-2008) isoleerde uit versregels vijf en zes – ‘In huis was ’t donker, maar de stille straat / Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat’ – het middendeel, ‘maar de stille straat vergaarde schemer’, en noemde die de mooiste woorden ooit in het Nederlands geschreven. In 1909 schreef Jan Greshoff (1888-1971) ‘Wat is een jonge lente zonder lied?’ Deze beginregel van Zangenlooze lente in de bundel Aan den verlaten vijver spreekt mij meer aan dan het geciteerde beginvers van Gorter. In mijn huidige levensfase denk ik vaak aan de beginregel van het gedicht De alchemist van Martinus Nijhoff (1894-1953): ‘Een oud man ben ik, die mij veel bezin.’ Maar die interesse maakt van mij geen kenner van Nijhoffs werk en evenmin een gedreven lezer van zijn gedichten.

Maar laat me toe om opnieuw de aandacht te vestigen op ‘A thing of beauty is a joy for ever.’ Het is een eenvoudige uitspraak waarin het onderwerp aan een gezegde gekoppeld wordt, en dat heeft heel wat gevolgen. Meestal wordt dit gezegde als een onomstotelijke waarheid geïnterpreteerd, maar is er sprake van een absolute waarheid?  Het onderwerp – iets moois – is zeer algemeen verwoord. Gaat het om een mooi landschap, een juweel, een bloem of een schilderij, of nog iets helemaal anders? Alleen wanneer het onderwerp en het predicaat duidelijk worden omschreven, kan de uitkomst (vandaag) nog als een geldige (nieuwe) stelling worden gelezen. Zoals de versregel luidt, wijst het predicaat op een contingent beginsel,  het veronderstelt immers een waarnemer. Wat de versregel vooral discutabel maakt, is de bijwoordelijke bepaling van tijd: ‘for ever’. De propositie kan voor meer dan één subject gelden, maar men mag vooral niet uit het oog verliezen dat een predicaat vrijwel nooit een exhaustieve weergave is van het onderwerp. Esthetische opvattingen evolueren – denk maar aan de Franse en Engelse landschapstuinen die als het ware een antithese van elkaar zijn – en vreugde kan op veel manieren worden bereikt. De kunstliefhebber zal met vreugde naar de werken van de Gouden Eeuw kijken of zich laten betoveren door het hevige kleurenpalet van Rik Wouters (1882-1916). Het is weinig waarschijnlijk dat diezelfde liefhebbers vreugde zullen uitstralen wanneer ze geconfronteerd worden met de sculpturen van Constantin Brancusi (1876-1957) of de kinetische werken van Jean Tinguely (1925-1991). Beeldhouwwerken zoals de sterk gestileerde ‘Mademoiselle Pogany’ (1913) en ‘Sleeping Muse’ (1908), en het proto-kubistische ‘The Kiss’ (1907-1908) van Brancusi veronderstellen een andere manier van kijken. En wat betekent vreugde? Kan vreugde zo algemeen zijn als in de versregel van Keats? Vreugde kan ontstaan door contact met een persoon, een object, een landschap, een dier, enz. Maar de reflexieve mens zoekt vreugde in zijn overpeinzingen, en wanneer die van metafysische aard zijn en hij geen wijsgeer is, zal hij er niet altijd in slagen die op een toegankelijke manier te verwoorden.

Bovendien zijn woorden en levensoriëntaties historisch verankerd, en indien zowel de schoonheid als de vreugde in Keats’ gedicht een absoluut karakter hadden en hebben, dan is de uitspraak vandaag niet meer of slechts voorwaardelijk geldig. De schoonheid en de vreugde moeten beantwoorden aan het levensgevoel van de eenentwintigste eeuw om als een onderwerp met een predicaat overeind te blijven. Het lijkt misschien paradoxaal om de versregel met een voorwaardelijke en onvoorwaardelijke lezing te associëren, maar zowel esthetische als existentiële normen zijn van tijdelijke aard. Er is geen eeuwige schoonheid en geen eeuwig kwaad of goed, wat in oudere geschriften ook beweerd mag worden. Wanneer de versregel toch zo vaak instemmend wordt geciteerd, dan heeft dat te maken met een horizonversmelting: zowel in de achttiende als in de eenentwintigste eeuw was en is er een verlangen naar schoonheid en vreugde. De verlangens worden weliswaar op een andere manier vervuld, maar het gaat om behoeften die vanuit een existentialistische en fenomenologische visie even belangrijk zijn als de basisbehoeften zoals voeding, kleding en huisvesting. Schoonheid en vreugde zijn geen onnodige streefdoelen, ze vervolmaken de mens die zijn wereld bewoonbaar en dienstbaar maakt.

Merkwaardig is wel dat onsterfelijke versregels vaak geïsoleerd worden uit gedichten die vandaag dood zijn. Ik denk aan ‘To be or not to be’ uit het toneelstuk Hamlet (1623) van Shakespeare (1564-1616). Vaak worden alleen de eerste zes woorden geciteerd, en wordt ‘that is the question’ als het ware overbodig geacht. De eerste vijf versregels verwijzen naar de existentialistische keuze tussen leven en dood, en ‘To be or not to be’ kan als een gebalde samenvatting worden gelezen. In die zin is de versregel veel universeler (maar ook abstracter) dan de uitspraak van John Keats. Shakespeare heeft zorgvuldig een predicaat vermeden, terwijl Keats het predicaat vervolledigde met de bepaling ‘forever’. Shakespeare schreef niet voor altijd, maar Hamlet is geen dood toneelstuk: het wordt nog altijd gelezen en opgevoerd. Bovendien was hij de bedenker van uitdrukkingen die vandaag nog worden gebruikt. Ik denk aan ‘brave new world’ uit The Tempest (1611), een uitdrukking die door Aldous Huxley (1894-1963) werd gebruikt als titel van een dystopische roman (1932), en ‘good riddance’ – opgeruimd staat netjes – in Troilus and Cressida (1609). Ook in het Nederlands taalgebied zijn versregels uit dode gedichten overeind gebleven, zoals ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’ Maar wie kent het vervolg van dat gedicht, en hoeveel van de doorleefde gedichten van de getergde Willem Kloos (1859-1938) worden vandaag nog gelezen? Zijn naam is alom bekend zoals die van Oscar Wilde (1954-1900), de ‘dichter van Reading’ zoals Jacob Israël de Haan (1884-1924) in een ode aan Wilde schreef. Van Wilde stamt de uitspraak ‘All art is quite useless’ (Dorian Grey, 1891). Ook die stelling is te absoluut en ze wordt bovendien ondergraven door het veelvuldig citeren van onsterfelijke versregels uit dode gedichten.

 

 

afbeeldingen:
John Keats © ThoughtCo
Rik Wouters © Fine Arts Museum

 

     Andere berichten

Ode aan Wim J. Simons & De Beuk

door Ko van Geemert   Nadat ik halverwege de jaren zeventig met het schrijven van gedichten was begonnen, wist ik van geen ophouden...