LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

De klimaatdichters – Tongval van het verdwijnen

7 sep 2026

Poëzie als verzet tegen klimaatmoeheid

door Jac Janssen

-</span


Er zijn mensen die vinden dat je poëzie en politiek of welk ander activisme dan ook, gescheiden moet houden. Een gedicht is een autonoom kunstwerk en zodra je dat voor een of ander ideëel karretje spant, verliest het zijn kracht en geloofwaardigheid. Hoe nobel het doel ook moge zijn: boodschapperigheid verdringt de autonome kunstigheid van het gedicht.
Die opvatting was ook ik enige tijd toegenegen. Al kon ik nooit precies uitleggen waarom. Er waren immers ook steeds liedjes die juist door hun boodschap blijven hangen. Alle Menschen werden Brüder. Meneer de President. Ohio. Waarom mocht dat niet gelden voor gedichten? Er zijn ongetwijfeld vele voorbeelden te vinden van verzen die juist beklijven dankzij hun boodschap. De achttien doden van Jan Campert. Ga terug naar je eigen land van Babs Gons. Vul maar aan.
Voor alle duidelijkheid: ik vind die opvatting sterk achterhaald. Kijk maar om je heen: ook in de beeldende kunst tel je niet mee wanneer je werk geen maatschappelijk, feministische, ecologische en/of politieke boodschap uitdraagt. Zeker nu we de zesde massa-extinctie beleven door de invloed van de mens op (met name) het klimaat, staat elke vorm van wegkijken bijna gelijk aan medeplichtigheid. “Dat ben je al doordat je bestáát als mens,” wuiven velen van ons nu weg, om vervolgens gedachteloos op een vliegtuig te stappen naar een lang weekend Valencia.

De Klimaatdichters, ruim 270 woordkunstenaars sterk, zijn daarom naar mijn mening een meer dan logisch en zelfs noodzakelijk fenomeen. Toch kreeg ik ze pas met hun jongste bundel Tongval van het verdwijnen op mijn netvlies. En dat werd hoog tijd. Met instemming citeer ik uit hun Manifest op klimaatdichters.org: ‘We geloven in poëzie als verzet tegen klimaatmoeheid.’

Ik ben Meander dankbaar dat ik deze bundel mag redigeren. Tegelijk is het lastiger dan elke andere bundel die ik hiervoor recenseerde. Dat komt voor een deel vanwege de grote diversiteit: vijftig dichters dichten over 50 niet-menselijke wezens die op een of andere manier bedreigd worden door menselijke activiteit, of die zelf andere bestaansvormen bedreigen als gevolg van klimaatverandering. Vooropgesteld mijn enthousiasme, zitten er ook haken en ogen aan. Ik doe een poging beide te duiden.

Eerst de vorm van de bundel, prachtig uitgegeven door Pelckmans. Babette Wagenvoort maakte de tekeningen die veel méér zijn dan illustraties. Zij plaatst, zo lezen wij in het nawoord, de soorten in hun favoriete ecosysteem waar ze hoopt dat ze kunnen floreren. De vormgeving vind ik meer dan geslaagd. Niet alleen esthetisch, ook praktisch is goed nagedacht over het gebruik van deze illustraties. Zo bestaat de inhoudsopgave uit kleine tekeningen met eerst de onderhavige soort (tekening en naam), de naam van de dichter en de pagina. Erg handig, te meer daar de (titels van) de gedichten niet altijd vertellen om welke soort het gaat. Zo blader je steeds terug om te zien “waar gaat dit eigenlijk over?”

Daarin zit ook meteen een klein bezwaar. Het doet namelijk iets met de onbevangenheid waarmee ik lees, wanneer ik steeds moet opzoeken aan welk wezen dit gedicht een stem geeft. Of waar het “over gaat”; dat is een vraag waar menig dichter allergisch op zal reageren. Hier is dat anders. Neem het gedicht van Dorien de Wit waarmee de bundel opent:

WAAR WE BEGINNEN

dit is geen raadsel—– dit is een plek—– als een lichaam
een plek die belooftte verdwijnen— –zodra het graven begint

Het is geen toeval dat dit gedicht wit op zwart staat afgedrukt, want de soort waar het om gaat, mycelium, leeft ondergronds. Waar mij deze vormgeving aanvankelijk nogal gezocht voorkwam, begreep ik na herhaalde lezing hoezeer dit alles klopt. Het gedicht sluit zo af:

[waar jij]
uiteenvalt                                     zullen                       wij
bestaan                                 & weven                 & beginnen

Zo bezien klopt alles aan dit gedicht. Daar zit echter een keerzijde aan. Wat in mijn ogen de leesbaarheid niet altijd ten goede komt, zijn de vele beschrijvingen die dit en meerdere andere gedichten in deze bundel kenmerken. Juist omdat de dichters hier ‘gedichten vanuit niet-menselijk perspectief’ schrijven, ziet een aantal van hen zich genoodzaakt zich uit te putten in beschrijvingen. Om maar in de buurt te komen van hoe het is om dit wezen te ‘zijn’, ook al beschikt het niet over de menselijke taal. Daarmee legt de dichter zichzelf een bovenmenselijke taak op. Het is niet dat ik het geciteerde geen goed gedicht vind; wel dat het extra inspanning vergt om het te doorgronden. Net zoals het de dichters in deze prachtige en veelzijdige bundel buitenmenselijke inspanningen heeft gekost om zich de taal van een niet-menselijk wezen eigen te maken. Op zich niks mis mee maar wel een extra drempel, zeker wanneer je een boodschap wil overbrengen.

De gedichten zelf vervallen gelukkig zelden in boodschapperigheid. En als lezer word je niet aan je lot overgelaten in je poging tot begrip van deze planeetgenoten. Na de gedichten volgen nog 36 pagina’s met informatie waarin de leden van de kerngroep van de Klimaatdichters ‘onderzoeken hoe we via poëzie dichter bij niet-menselijke soorten kunnen komen’. Dat leidt tot verklaringen zoals die van Margot Delaet (die schrijft over de Indische meelmot): ‘In onze bundel draaien we de rollen om, is de mens plaagdier van de planeet. Dat is belangrijk, terecht, gegrond, maar de mens enkel voorstellen als dader is de mens weer boven en buiten de natuur zetten.’
Verderop zegt ze: ‘Dit is politieke poëzie, niet vanuit de idee dat ze zal wegen op het beleid, maar omdat poëzie een manier is om met de dingen om te gaan.’
Ik kon het niet beter zeggen.

Daarna volgt een afdeling ‘Bio’s en soorten’ waarin elke dichter zich kort voorstelt plus de soort die hier van stem werd voorzien; opnieuw met een tekening erbij. Verhelderend, omdat een aantal dichters hierin ook uitlegt wat er aan de hand is met een soort en waarom ze voor deze soort hebben gekozen. (Anderen doen dat niet en geven alleen een beschrijving.) De bio’s maken zichtbaar dat veel van deze auteurs niet alleen dichter is maar bijvoorbeeld ook vertaler, strafrechtjurist, student, psycholoog, hoogleraar, performer, bioloog of filosoof. Dit gezelschap is niet van gisteren. Evenmin als deze bundel die vele stemmen laat klinken die, als we niet uitkijken, morgen niet meer te horen zijn.

BEZOEK

terwijl ik mijn logge lijf wring in de kleinst mogelijke
beweging, bots ik tegen glazen wanden
van onvermogen, zoek ik met uitpuilende blik
verkoeling in de ogen van wezens op twee poten
alsof zij ijsschotsen zijn
zie mij

met mijn borstelsnor het zand uitkammen
in hun hoofden, tussen mijn lippen hun voedzame gedachten
kraken, zodat daden uit hun schelpen worden gebroken

zij zijn eilanden, waar ik niet bij kan
hun overwegingen van plastic

Het gedicht van Shari van Goethem citeer ik (vrij willekeurig overigens) in zijn geheel, om te tonen dat de weinige kanttekeningen die ik had bij deze bundel, zeker niet voor elke bijdrage opgaan: Kunt u raden welk wezen hier aan het woord is? Zo niet, dan raad ik u aan spoorslags deze bundel aan te schaffen. Want het is een veelzijdige, prachtig vormgegeven, zorgwekkende, hoopgevende en inspirerende bundel die ik vele lezers toewens. Niet omdat het doel de middelen heiligt, maar omdat op zovele wijzen liefde- en gewetensvol tot uitdrukking wordt gebracht wat er onherroepelijk aan niet-menselijk leven verloren dreigt te gaan. Leven waarmee wij mensen veel sterker vervlochten zijn dan we in het dagelijks leven beseffen. Wat betekent de teloorgaan van een soort? Dat weten we niet, maar we moeten onze verbeelding gebruiken om te proberen ons dit voor te stellen. Hier gebeurt dat met gedichten die boven hun eigen belang uitstijgen. Urgent en noodzakelijk, en ook nog een lust voor oog en oor.
____

De Klimaatdichters (2026). Tongval van het verdwijnen. Uitgeverij Pelckmans, 141 blz. € 22,00. ISBN 9789462348530

     Andere berichten

Babs Gons – Wie zijn we morgen

Babs Gons – Wie zijn we morgen

Poëtische moraliteit door Johan Reijmerink - - Het kunstwerk, het schilderij, het gedicht, de roman, het muziekstuk worden niet zozeer...

Han van der Vegt – Eenzame goden

Verborgen schrijfsels uit de onderste la door Hans Puper In de verantwoording van zijn nieuwe bundel Eenzame goden schrijft Han van der...