LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Eva Gerlach – Schipper mag ik overvaren

1 jul 2026

Pijn verwerkt in poëzie

door Taco van Peijpe




Voorin deze bundel staat het oude kinderliedje:‘schipper mag ik overvaren, ja of nee / moet ik dan ook tol betalen, ja of nee (…)’. De mistige omslagfoto toont een half vergane boot, het water staat er in. Voert de overtocht naar de onderwereld? Op de tocht door deze bundel is de dood nooit ver en dat er een tol betaald wordt is duidelijk. De onderling sterk samenhangende gedichten gaan over de reeds lang overleden moeder van de dichter, zo vertelde zij in een radio-interview van de VPRO. Ze geven uiting aan de pijn die de dochter naar eigen zeggen heeft ervaren door het gedrag van de moeder, die haar vaak niet zag staan en zelfs duidelijk liet merken dat zij ongewenst was. Die pijn is voelbaar gebleven ook na het overlijden van de moeder.

Het vertelperspectief wisselt, soms ook binnen één gedicht. Het vergt nauwkeurig lezen om te weten of de ‘ik’ de dochter is of de moeder en of de ‘je’ wordt aangesproken door een van deze twee of door een buitenstaander. De tien afdelingen volgen globaal een tijdslijn vanaf de kindertijd van de dochter tot lang na het overlijden van de moeder. Binnen de gedichten verspringt soms de tijd van het heden, waarin de gedachten van de dochter spelen, naar belevenissen en stemmen van vroeger.

Eva Gerlach weet met weinig woorden veel te zeggen. Het taalgebruik is geconcentreerd, wat gemist kan worden is weggelaten. Dat geldt ook voor de interpunctie. Waar een punt geplaatst is heeft dat een speciale bedoeling, er wordt een pauze ingelast, waarna iets nieuws komt. De eenvoudige en vaak verfrissend ongrammaticale zinnen zijn volgeladen met betekenis. Om die te vinden is herhaald lezen nodig, te meer omdat de ritmische verzen verleiden tot dóórlezen. Hierdoor en door onopvallend binnenrijm en assonantie is ook de eerste lezing al een mooie ervaring.

De eerste afdeling draagt de onheilspellende titel ‘BAAR’, maar een dode komt hier nog niet in beeld, de titel is dubbelzinnig. In deze afdeling vertelt het enige gedicht, dat geen titel heeft, over het levensbegin van de dochter.

Je zette haar rechtop ze wist van niks
vroeg of ze wakker was je moest haar zogen
ze deelde zich in spatten licht je zocht
door alle dekens maar ze was gevlogen
kronkelde buiten schot sloeg neer als hagel
je bril aan poeier ze giechelde zich
zacht smolt je ogen in je mocht
haar baren

De eerste regel is gericht tot de jonge moeder maar ook tot de lezer. Met ‘ze wist van niks’ wordt het onheil aangekondigd dat het argeloze kindje later zal overkomen. De moeder ziet het kind als een opgelegde last, zij ‘moest haar zogen’. De dichter stelt daar in de laatste zin een andere opvatting tegenover. De moeder zou dankbaar moeten zijn: ‘je mocht haar baren’ Midden in het gedicht onttrekt het dochtertje zich aan de waarneming van de moeder en slaat haar bril stuk. In volgende gedichten keert herhaaldelijk het beeld terug van moederogen die het kind niet zien staan. De twee voorlaatste regels nemen een aanloopje naar het slot. Het kindje giechelt, wordt zacht en komt binnen bij de moeder, die haar mocht baren.

Het tweede gedicht, ‘KIEK’, beschrijft een foto waarop de moeder haar dochter aftroeft in een wedloop.

KIEK

Je loopt alsof je zo gaat vliegen Los
meisjeshaar wijduit Rok schaamteloos
tussen dijbenen door geknoopt Je kan

nooit dood je loopt rechtop tegen de wind
armen één voor één achter Kantelhoofd
Tanden bloot ogen halfdicht Schijngezicht
barstensvol uitgebroken ochtendlicht

Je laait je hebt gewonnen In de rand
pleisterknie halve hand het struikelkind

De moeder triomfeert, geniet van haar vrijheid door met wapperend ‘meisjeshaar’ (niet: moederhaar) haar kind voorbij te hollen. Zij maakt zich ‘Los’. Het ritme van de tekst maakt hier een korte pauze na de heffing op het woord aan het eind van de regel, zoals een schommel op het hoogste punt, voordat de volgende regel begint met weer een heffing op de eerste lettergreep van ‘meisjeshaar’. ‘Los’ is de moeder zelf, los wappert ook haar haar en ‘Los’ zal later in de bundel verschijnen als de titel van de negende afdeling, waarin openingen worden gemaakt naar verlossing van de pijnlijke herinneringen. Het gedicht toont ook de donkere kant van de moeder, met ontblote tanden, halfdichte ogen, die de dochter niet willen zien en een gezicht waarin het stralen slechts schijn is. Buiten beeld is het ongewenste kind, aangeduid met enkele strompelende woorden.

Een paar bladzijden verder lijkt dit tafereel te herleven. De moeder spreekt vanuit het graf in een gedicht, waaruit ik de laatste regels citeer.

EEUWIG

‘(…)
Ik ben eeuwig wie dan ook mooier dan groter dan sterker dan
rijker dan blijer gewiekster geliefder! een Renner van nooitmeer
—                                                                                        —naar
nergens maar waar dan ook hoe dan ook voet na voet tel voor tel
—-                                                                                  –feller o!
—                                                                                  —sneller!
dan jij’

De aanhalingstekens die de hele tekst van dit gedicht omgeven hebben een bijzondere functie. Niemand kan weten wat werkelijk de gedachten van de moeder zijn geweest. Maar poëzie schept haar eigen werkelijkheid. De dichter speelt hiermee, door de dode moeder te laten denken dat ze rent ‘van nooit meer naar nergens’. Daarmee plaatst de dichter zich alsnog boven het zelfvoldane personage, dat nergens meer is en nooit meer ergens kan komen. Maar de kwelgeest van vroeger blijft ‘hoe dan ook’ feller en sneller.

De derde afdeling laat zien dat de moeder slachtoffer is van mishandeling door de vader, die op zijn beurt door angst en een gevoel van eenzaamheid wordt gekweld: ‘Je ziet hem staan Gedrocht rond hart van steen / dat slaat en slaat want lam blind bang alleen // als jij’ (uit ‘TRUC’). Het gedrocht slaat, maar het bange hart slaat ook.

In de vierde afdeling blijkt telkens dat de moeder haar dochter niet wil zien. In het volgende gedicht begint de dochter zich te verweren tegen de pijnlijke herinneringen aan die situatie.

REGELS

Als je me roept hoor ik je niet
Ik doe alsof ik je niet zie

Ik haal mijn duim over het mes
strooi zout op het uitgesneden vlees

zoals jij toen ik bang omdat
ik niet begrijpen kon waarom

ik zo lang bloedde uit geen wond
Roodrokje ik naast je stond

Als reactie op de harteloze houding van de moeder probeert de dochter haar te negeren. De eerste strofe staat in de tegenwoordige tijd en laat zich lezen als een afkeer van de dochter in het heden jegens de reeds overleden moeder. De roep van de moeder komt dan uit het graf, net als in het hiervóór aangehaalde gedicht. De dochter richt haar aandacht op de pijn die zij nog voelt. De tweede strofe drukt dit uit door eens schrijnend beeld van zelfverwonding. Dan wordt een sprong in de tijd gemaakt naar een moment waarop de dochter als opgroeiend kind vergeefs steun zocht bij haar moeder. Het meisje was angstig geworden, getroffen door haar beginnende menstruatie (in Vlaanderen en delen van Nederland ook bekend als ‘regels’, vgl.Frans: ‘règles’). In plaats van haar gerust te stellen strooide de moeder zout in de wond. In de laatste strofe kan het lange bloeden ‘uit geen wond’ naast de fysieke bloeding ook nog duiden op de geestelijke kwelling. Eenzaam en met op haar rokje een doorgelekte vlek van haar eerste stonden, ‘stond’ Roodrokje daar, net als Roodkapje door haar moeder het bos in gestuurd.

Het volgende gedicht beschrijft een vergelijkbare situatie.

VLIES

Je dronk je thee Ik stond voor je wiegde wachtte
tot je iets zei Ik had je laten zien
waar het blauw waar rood ook waar mijn rok
gescheurd was voet verstuikt Je zweeg je zat

zoals je ’s middags altijd zat alleen
bij het raam stapels proefwerk linksrechts Je keek
met dichte ogen rechtuit door me heen

nam het duopotlood zei Was je Die rok
kan in het vuilnisvat Er staat nog thee

Er was de dochter iets vreselijks overkomen, zij wilde getroost worden, ‘wiegde wachtte’. De moeder gaat helemaal op in de stapels correctiewerk, ze zit er ‘linksrechts’ middenin en wil de dochter niet zien. In plaats van te troosten neemt ze haar correctiepotlood ter hand en corrigeert ze ook de dochter: ‘Was je’ . Dat ‘duopotlood’ heeft aan de uiteinden twee verschillend gekleurde punten. Die zitten aan elkaar vast, maar wijzen uiteen. Contact is uitgesloten, net als bij moeder en dochter. De moeder had thee gezet voor zichzelf. Ze schenkt de dochter niet in. De slotzin: ‘Er staat nog thee’ is een wenk om op te hoepelen. Ik vind het bijzonder knap om zo’n eenvoudig huiselijk zinnetje zó te plaatsen, dat het voelt als een klap in het gezicht. De titel van dit gedicht ‘VLIES’ vat ik op als een aanduiding van beperkt gezichtsvermogen (van Dale). De moeder kijkt, maar ziet haar dochter niet staan.

De sfeer verandert geleidelijk in de loop van de bundel. De dementerende moeder kan nauwelijks meer spreken. ‘Waaheen jij? Hoehaje? Hoe kèn!’ waarop de dochter denkt: ‘Wie ben ik als jij Niemand bent’ (uit ‘WIE’ ). De persoon van de moeder is belangrijk voor de persoonlijkheid van de dochter. Deze wordt aan het wankelen gebracht nu de moeder een persoon is die ‘Niemand’ heet, met een hoofdletter. De dichter komt hierop terug in de laatste regels van het slotgedicht, dat ik straks bespreek.

In zevende afdeling ‘SLEEPVOET’ begint het te spoken: ‘Wakker. De deur is open, het ganglicht aan, / ik zie je schaduw meer dan levensgroot / de trap afgaan. Je hinkt, je bent niet dood, (…)’. De bovenaardse sfeer zet zich door in het volgende gedicht, op het eerste gezicht een uiterst beknopte samenvatting van het laatste avondmaal, het verraad van Judas, de verloochening door Petrus en de kruisdood van Jezus.

ZWIJG

Aan tafel. ‘Een van u zal mij verraden
eer de haan. Zwijg tot ik weer levend word.’

Ik kus je, in je handen springen gaten.
Al je haar valt in één keer op je bord.

De context van deze bundel brengt mij tot de volgende interpretatie. De kus is een judaskus. De dochter doorbreekt de zwijgplicht en pleegt verraad door de harteloze praktijken van de moeder na haar dood te openbaren. De boze geest die haar nog zo lang kwelde valt machteloos voorover. Nooit meer zal de moeder haar ‘struikelkind’ met wapperende haren voorbij rennen. Zij die ‘eeuwig sneller en feller’ dacht te zijn is definitief verslagen. Door deze kus heeft de dochter zich ook met de feiten verzoend. Dit komt tot uitdrukking in de volgende regels in het gedicht ‘LOS’: ‘we komen tevoorschijn / als sterren wanneer de zon weg is we zien wie we / waren we zijn wie we zijn // (…) ik zie je ik maak je // levend kom buiten laat los’. Deze positieve stemming blijft overheersen in de volgende gedichten en mondt uit in een gevoel van berusting en bevrijding op een wandeling bij het Friese terpdorp Ferwert.

FERWERT

Het wijde land waarin ik met je loop
zoals mijn kind met haar kind binnenin
dat zwelt en zwelt zoals jij krimpt en en.

Er is een einde aan zoals. Er is
wat er nog is en onherroepelijk
bestaat gezocht of niet

het voorziene eindeloze het opstaande
neerslaande riet het krompelblad de distels
de V van verte in de vogelzwerm

en wat nu nu en nu en nooit meer, sloten
kaalgezweept, licht van nergens, blind
door storm heen raden waar en wie je en

Hoe wat ik loslaat terugkomt, hoe wat terug
meteen gevlogen is, hoe in de kring
van dag aan dag ik sta en niemand ben

en rondom alles zie en niks herken

De bittere opstandige toon die in het begin van de bundel overheerst is verdwenen in dit gedicht, waarin de ik tot zichzelf komt op een rustige wandeling door een weids landschap. De beklemming die mij als lezer had bevangen bij eerdere gedichten maakt hier plaats voor een gevoel van aanvaarding.

De laatste afdeling, bestaat uit het gedicht ‘KRING’. De titel is net als bij de andere afdelingen ontleend aan een sleutelwoord uit de tekst. Kringen in ruimte en tijd zijn al impliciet aanwezig in de eerste strofe. In het wijde land loopt de ik met haar dochter en in die dochter zwelt een kind. De moeder van de vertelster, die in vorige gedichten een kwelgeest is gebleken, krimpt geleidelijk in de tijd. In de vijfde strofe staat de vertelster verloren in de kring van de tijd (‘de kring van dag aan dag’) en van de ruimte (‘rondom alles’). Voor haar roept het landschap met krompelblad (gekruld blad), distels en een vogelzwerm geen mooie herinneringen op. Zij is ‘niemand’ en herkent ‘niks’, wat niet verbaast nu we weten hoezeer haar is voorgehouden dat ze er beter niet zou kunnen zijn. Ondanks de vertwijfeling aan het slot vertolkt dit gedicht een positieve gedachte. De kringloop van het leven zet zich voort in het kind van de dochter. Er is afgerekend met het verleden. De ‘V van verte in de vogelzwerm’ in de derde strofe duidt op de mogelijkheid om het leven in vrijheid voort te zetten.

Eva Gerlach heeft weer een heel mooie bundel geschreven in verrassende taal met sterk geconcentreerde gedichten die samen een eenheid vormen.
___

Eva Gerlach (2026). Schipper mag ik overvaren. De Arbeiderspers. 80 blz. € 19,99. ISBN 978 9029544894

     Andere berichten

Josse Kok – Schulp

Josse Kok – Schulp

Omdenken in poëzie door Tom Veys - - Op één of andere manier doen veel gedichten van Josse Kok denken aan ‘Omdenken’, de website die je...