LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Hilde Pinnoo & vrienden – Ik denk dat ik toen al van je hield

6 jul 2026

Troost door samenspraak

door Anneruth Wibaut




Ik denk dat ik toen al van je hield is ontstaan uit een verzoek aan de dichters en schrijvers in de vriendenkring van Hilde Pinnoo om aan deze bundel mee te werken. Vijfentwintig onder hen kozen een van haar gedichten en gingen ermee in dialoog en zo ontstond een mooie bundel met duo-gedichten, die ook meteen een kleine, maar fijne bloemlezing is uit het werk van Pinnoo. Een ontroerend gebaar, zo’n vriendenboek voor de ‘grote dichter, de intelligente vrouw en de vinnige gesprekspartner’ (aldus de flaptekst) die door de ziekte van Parkinson steeds meer wordt overstemd. Het is een pijnlijk proces hoe die sluipende ziekte allengs bezit neemt van een mens, bepaalde handelingen onmogelijk maakt, soms wanen veroorzaakt, verwarring sticht. Poëzie biedt een beetje troost aan de machteloos toeziende vriendenkring en de lezer van deze bundel.

Het blijft niet bij een aardig gebaar richting Pinnoo, de wisselwerking tussen de gedichten zorgt voor verdieping, verrijking en verheldering, zoals meestal gebeurt wanneer kunstenaars reageren op elkaars werk en met elkaar in gesprek gaan. Lees bijvoorbeeld het duo ‘Ring’:

Ring

Hij bood me zijn ring
van watermunt, zijn steen
van vloeiend vuur. Ik kuste
hem en klampte me vast

aan de kromming van zijn
vinger. Als hondsdagen
was hij, een avond
met roerloos blad,

een nacht die steeds langer
mocht duren. Witter
dan de maan was hij
en even zelfverzekerd.

Hij was mijn zomer,
de enige die altijd terug
zou keren zonder iets
te vragen.

Hilde Pinnoo [pag. 26]

Dit gedicht loopt, zoals gewoonlijk bij Pinnoo, als een trein. Voor mij spreekt het gedicht van de spanning tussen vrijheid en gebondenheid in de vriendschaps- of liefdesrelatie. De ring die geboden wordt is niet die van de plechtige belofte voor de trouwambtenaar, maar van watermunt. Dat is een fris smakend kruid dat op de oevers van rustige binnenwateren groeit. Met het andere geschenk, een ‘steen van vloeiend vuur’, wordt met water en vuur de tegenstelling bekrachtigd tussen rust vinden bij elkaar of juist in vuur en vlam staan. De ik klampt zich vast, lijkt onzeker over de bestendigheid van de relatie, de hij is zelfverzekerd als een kalme en eindeloos durende zomernacht. In de laatste strofe lost de spanning op, want hij is ‘de enige die altijd terug / zou keren zonder iets / te vragen’. Zo wordt het uiteindelijk een lofzang op de onvoorwaardelijke liefde of vriendschap, waarin men elkaar vrij laat en vasthoudt tegelijk.

Joris Iven laat in zijn antwoord op Pinnoo maar meteen in de eerste strofe alles vallen wat we niet nodig hebben. Alsof hij daarmee zegt dat vastklampen nergens voor nodig is. Waar het om gaat is het koesteren van elkaar, van de herinnering, zelfs die aan de verveling ‘van lange zondagmiddagen.’ Onder vrienden en geliefden gebeurt dat als vanzelf en zijn de herinneringen altijd zonovergoten. Dan zijn de nachten te kort, maar de dierbare blijft zoals zij was, Parkinson of niet.

Ring

Wat we niet nodig hebben,
valt ons zo van de vinger.

Wat we koesteren, is wat
veraf is, onbereikbaar lijkt,

maar niet is. Ik heb je zo
vaak in gedachten gekust

en herinner me de verveling
van lange zondagmiddagen.

De nachten duren te kort en
de maan gaat onder, maar

voor jou is het altijd zomer
en ik zal blijven komen.

Joris Iven [pag. 27]

Meewerken aan zo’n bundel, een combinatie van je laten inspireren door een collega dichter en tegelijk een ode aan haar brengen, kan niet anders dan inspirerend zijn. En wat krijgt de lezer? Ten eerste een mooie selectie uit het oeuvre van Hilde Pinnoo. Voor wie haar werk nog niet kent is dat een prima manier om dat gemis goed te maken. En wie voor het eerst kennismaakt met de vijfentwintig dichters die op haar hebben gereageerd, zal blij verrast zijn. Zij hebben zich er niet met een Jantje van Leiden van afgemaakt, maar hun beste poëzie ingezet.

Maar er is meer. Ik denk dat ik toen al van je hield is niet alleen een bundel vol bewijzen van liefdevolle vriendschap, maar ook een, gortdroog gezegd, leerboek voor samenspraak. De reagerende dichter belicht vaak iets in het gedicht van Pinnoo dat mij als lezer niet meteen was opgevallen, voegt er een persoonlijke blik aan toe die verrast. Daarin zit de rijkdom van de bundel, de lezer wordt meegenomen in de talloos vele manieren om met elkaar in gesprek te zijn. Dat gaat van heel dicht bij het oorspronkelijke gedicht blijven, zoals Iven doet, via doorborduren op het gedicht van Pinnoo, naar ogenschijnlijk over iets heel anders beginnen. Soms moet je dus meerdere keren lezen om de samenspraak te herkennen. Een voorbeeld daarvan vind ik de dialoog tussen Pinnoo en Hedwig Du Jardin, waarvan de titels hetzelfde zijn:

Aan het water

Er was iemand
die iets zei en wij,
die niet hoefden
te horen, met deuren

sloegen en lachend verder
gingen. De hoek om,
de weg kwijt, het open
raam voorbij, naar wat

we niet wilden
weten, en toch. Tot ik
aan het water stond,
alleen, mijn hand

nog warm van je
blos, mijn oren
nog vol van wat
niemand zei.

Hilde Pinnoo [20]

Een brokkelig beschreven, maar herkenbare situatie, waarin wij woorden horen die niet voor onze oren bestemd zijn, of toch? Het heen en weer geslingerd worden tussen nieuwsgierigheid en discreet willen zijn. En elkaar daarin een beetje kwijtraken, want aan het slot staat de ik alleen aan het water. Daarop reageert Hedwig Du Jardin als volgt:

Aan het water

Doe maar, koel de gloed in jouw hand,
was niet de zijne. Wis elk spoor van spijt.
Ga maar, het water wijkt pijnloos,

het diepe hoort bij jou, kent jou.
De hele zee fluistert je dit suizend in.
Wijd als jij, past ze je als gegoten.

Leg je maar en geef je over.
De zee neemt wat je haar geeft,
kabbelt het losser, maakt het lichter.

Zij blijft altijd, vindt je
mooi, neemt je trouw
op in zichzelf.

Hedwig Du Jardin [pag. 21]

Aan de ongemakkelijke gebeurtenis in het eerste gedicht geeft Du Jardin een grenzeloze wijdheid en ze verandert die in heel persoonlijke woorden vol troost voor Pinnoo. Daarmee is het meteen ook een voorbeeld van hoe uit de dialogen niet alleen bemoediging te halen valt voor de gesprekspartners, maar ook voor de lezers. Dat zit trouwens niet alleen in troostende en positieve woorden, maar juist ook in het uitspreken van de rottige kanten van de ziekte van Parkinson, de angst, het afscheid, het verdwijnen. Daarom eindig ik met de laatste strofe uit het enige gedicht dat niet is gekoppeld aan een gedicht van Pinnoo, het heet, toepasselijk, Los:

angst
om het niet verwachte
snoert de adem af
ontneemt de toekomst
steelt jou
van ons

Chris Perdieus [pag. 5]

Warm aanbevolen dit kleinood, dat je zou kunnen beschouwen als de vijfde dichtbundel van Hilde Pinnoo.

____

Hilde Pinnoo & vrienden (2026) Ik denk dat ik toen al van je hield. Uitgeverij P, 72 blz. € 19,50. ISBN 9789073214002

     Andere berichten

Annika Cannaerts – Pasvormen

Annika Cannaerts – Pasvormen

Haar zin geven door Peter Vermaat - - De titel Pasvormen van Annika Cannaerts’ debuutbundel wekte bij mij in eerste instantie de...

Josse Kok – Schulp

Josse Kok – Schulp

Omdenken in poëzie door Tom Veys - - Op één of andere manier doen veel gedichten van Josse Kok denken aan ‘Omdenken’, de website die je...