Op afstand gehouden
door Jaap Bos
Je hebt poëzie die je de adem beneemt, je naar de strot vliegt en je aangrijpt: rauw en woest, vol zinnen die je niet meer loslaten. En dan heb je poëzie die met woorden strooit alsof het blaadjes van klaprozen zijn die in de zomer van hun steeltjes vallen, die je een glimlach van herkenning opleveren.
De 62 gedichten in Aangevlogen uit het schaduwloze, de vierde bundel van Gerrit Massier, behoren tot de laatste categorie. De dichter moet het hebben van landerige beelden, huiselijke scenes, ingehouden emoties, klein leed, woordspelingen. De taal van Massier is nooit complex, soms bijna verstild, en zijn toon is volgens de uitgever ‘eerder helder dan hermetisch en niet zelden licht.’
Dat laatste klopt in ieder geval, maar de vraag is wel wat dat betekent. Een paar voorbeelden. Uit een serie van vier gedichten getiteld ‘Koopman’ gaat het een over een buurman die iedere ochtend exact om half acht een knetterende scheet laat, en aan zijn slechte eetgewoonten ten onder gaat. Ook in de dood lijkt de man nog aan winderigheid te lijden want zijn grafsteen blijkt scheef weggezakt te zijn. In een ander gedicht, getiteld ‘Het witte zakdoekje’, ligt de moeder van de dichter opgebaard in haar kist. Iemand heeft een wit zakdoekje in haar hand gestopt. ‘Je zou toch eens verkouden worden,’ merkt Massier gevat op.
De komisch bedoelde gedichten zijn wat mij betreft het zwakst. Ze hebben naar mijn smaak niet voldoende meerwaarde om opname in een bundel te rechtvaardigen. Het meest duidelijk blijkt dat uit ‘Bean’, waarin een gag van het bekende komische karakter van Rowan Atkinson wordt naverteld. Bean zit een geelgroene mini, wil een Porsche uitdagen voor een wedstrijdje, wordt flux voorbijgereden, en ziet even later dat de Porsche door de politie aan de kant is gezet: ‘de mini rijdt voorbij / grommend van de pret.’
Dat gedicht kan niet zonder het typetje ‘Mr. Bean’, terwijl het andersom aan dat typetje niets toevoegt; in de twaalf korte regels die het gedicht telt komt geen enkel poëtisch beeld voor.
Daar staan gedichten tegenover in deze bundel die kunnen ontroeren. ‘Mantelzorg’, bijvoorbeeld, gaat over de oud geworden vader of moeder van de dichter die zich al op de rand van de dood bevindt. Ik citeer het gedicht integraal: ‘gelanceerd door je stoel tot voetstand / op defecte hartklep laatste kraakbeen naar de deur // verhalen oud en krom, chaos van geld / en goed, pil en paperas, vlees dat aanbrandt // gele vlekken die nog troebel werden / turen door je ooghoeken naar mij, je eigen bloed // een knipoog brengt een sprankje / lente in een winter die geen cyclus kent.’
Hier word je meegenomen naar een intiem, breekbaar moment tussen ouder en kind, en is de balans tussen afstand en nabijheid precies goed. De laatste drie strofen zijn bijzonder raak en leveren een invoelbaar moment op. Ik herinner mij de laatste keren dat ik mijn vader zag, ook zo kwetsbaar, met nog een klein sprankje hoop in de ogen, nog niet helemaal verslagen.
Andere gedichten in de bundel drukken meer een uitgesproken romantisch gevoel uit, zoals ‘Veldpracticum’, waarin de dichter zich verbeeldt op de hei te zitten met een kudde schapen, die hij toespreekt: ‘kijk eens om je heen, zie / de horizon zo schoon nog / van fabriekspijp flat silo, zie / de berken en jeneverbessen’.
Dit gedicht bevat overigens ook een van de weinige momenten dat het luchtige wel min of meer werkt: ‘ik zei: ga eens liggen op de rug / ogen dicht, snuif de paarse hei / en hoor (koppen dicht) / de negentiende eeuw / in een onzichtbaar spoor.’ Dat beeld van op hun rug liggende schapen is onweerstaanbaar, en ook hoe de dichter/herder hen toespreekt heeft iets vertederends, al vind ik dat de laatste twee regels, over het horen van de negentiende eeuw in een onzichtbaar spoor, het net iets te zwaar maken.
Wat mij verder opvalt is dat Massier af en toe nogal nadrukkelijk gebruikmaakt van gezegdes en uitdrukkingen, die dan in een iets andere context een ietwat nieuwe betekenis moeten krijgen. Er is iemand die voor kanker wordt behandeld en met moeite een boek uitleest, en dat heet dan ‘geluk / dat in een hoekje zit’. Er is iemand die zich ‘eeuwig omdraait in zijn rijtjesgraf’, en er zijn vogels die in de bomen ‘op hoge toon’ zitten te zingen. Als een kerkklok slaat weet de dichter ‘hoe laat het is’. Enzovoorts.
In poëzie krijgt de dichter een licentie om de taal naar zijn hand te zetten, en kan het gebruik van standaarduitdrukkingen op een ‘niet passende manier’ bij uitstek geschikt zijn om een vervreemdend effect op te roepen, maar dat gebeurt hier niet echt. De gebruikswaarde van de uitdrukkingen zet de lezer te weinig op het verkeerde been om te verrassen en dan slaan die taalgrapjes soms een beetje dood.
Ik eindig deze bespreking met het openingsgedicht ‘Wilde lijsterbes’, waarin de titel van de bundel wordt aangeduid.
in schemering van beukenwoud
gedropt: een kiempje een
toekomst een
–
schraal gebogen besje
uit haar zomerdepressie omhoog-
spiralend naar het plafond, het
luchtgaatje daarin –
–
terwijl over het strooisel glijdt
een plasje zon (maan / mag ook), al nader schrijdt
–
het moment
–
dat het langzaam volloopt
met bodem, het straalbezopen
gelukkig even
zich getild voelt
tot in het schaduwloze.
In deze, laten we zeggen fenomenologie van de lijsterbes, worden we meegenomen in de belevingswereld van een eenvoudig besje dat in een bos optast naar het licht. De dichter, die aan de Wageningen Universiteit heeft gestudeerd en jarenlang op het Ministerie van Landbouw en Visserij heeft gewerkt, weet iets van de betovering over te brengen van dat heel geheimzinnige wat je de ‘wil tot leven’ kunt noemen.
Mijn oordeel over deze bundel moet gemengd zijn. Sommige gedichten spreken aan, nemen de lezer mee, geven momentjes van herkenning – maar in andere gedichten blijft de dichter te dicht bij zichzelf en houdt hij de lezer te veel op afstand om te overtuigen.
____
Gerrit Massier (2026). Aangevlogen uit het schaduwloze. Uitgeverij IJzer, 91 blz. € 20,00. ISBN 9789086843336




