door Rogier de Jong
Toen ik nog in Zwolle woonde, ging ik weleens naar literair café ‘In de Sinnepoppen’, fraai gelegen aan de stadsgracht, naast de eveneens iconische bar ‘De Tagrijn’.
‘In de Sinnepoppen’ bestond van 1984 tot 1998 en werd door de fine fleur van de Zwolse letteren bezocht, onder wie Kader Abdolah, Igor Cornelissen en Paul Gellings. Veel landelijke grootheden droegen er hun poëzie voor. Paul Gellings heeft smakelijke herinneringen aan deze periode overgehouden.
De ziel en de spil van de kroeg was Ton Jonkers († 2010), de kastelein, die een warm hart had voor zijn (stam)gasten en gehaktballen bereidde waarover de meningen verdeeld waren. Daarnaast bezat hij een grote voorliefde voor de schrijver F. Bordewijk. Zo groot, dat hij zijn kat naar deze auteur had vernoemd. Op rustige tijdstippen zat hij achter de toog zijn favoriete romancier te herlezen.
Zelf kende ik het proza van Bordewijk, waaronder de trilogie Blokken, Knorrende Beesten en Bint en ook de roman Karakter, in 1977 verfilmd door Mike van Diem, die er een Oscar mee won – met in de hoofdrollen onder anderen Hans Kesting en Jan Decleir die de vertolking van deurwaarder Dreverhaven op zich nam (in de toneelbewerking gespeeld door wijlen Joost Prinsen).
Bordewijks korte, afgemeten stijl, gelardeerd met surrealistische beelden en vreemde namen voor zijn personages, brachten hem in verband met de ‘Nieuwe Zakelijkheid’, een literaire stroming die in het interbellum ontstond. Hoewel de vaderlandse kritiek tot de Tweede Wereldoorlog weinig belangstelling had voor Bordewijks werk, werd de interesse na de oorlog steeds groter. Google meldt: ‘In de literaire kritiek is het oordeel over Ferdinand Bordewijk vrijwel unaniem lovend: hij wordt gezien als een van de markantste vernieuwers van de 20e-eeuwse Nederlandse literatuur. Critici prijzen met name zijn bondige, zakelijke stijl, die hem tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nieuwe Zakelijkheid maakt. Zijn werk werd door de jaren heen opvallend positief ontvangen, al botsten zijn harde, intellectuele toon en maatschappijkritische thema’s soms met de meer romantische tijdsgeest’.
‘De Bree deed zijn ogen van het papier gaan. Hij keek tegen de klas. Hij grijnsde, zonder lach, zijn mond stond vol sterke bruine tanden. Hij wachtte wel een minuut. Hij liet de deur open. Toen ging hij lezen.
Whimpysinger – de Moraatz – Neutebeum – Nittikson – Surdie Finnis – te Wigchel – Kiekertak – Taas Daamde…
Wat een namen, dacht hij. Het antwoord: Ja, present, kwam aarzelend.
Peert – Punselie – Bolmikolke – Klotterbooke…’
Uit: Bint
– Wat, riep hij, nu ik ondanks al uw pogingen er toch ben gekomen, nu zou ik nog een hand van u aannemen en worden gefeliciteerd? Nooit. Nooit van een vader die mij mijn heele leven heeft tegengewerkt.
Dreverhaven was achter zijn bureau gaan staan. Zijn vuisten met het grijze haar steunden op het blad, het
volle gewicht van zijn zware bovenlijf drukte op zijn vuisten, ze kregen een lomp vlechtwerk van aderen. Hij leek een als mensch verkleed monster, een vergrijsde gorilla. Zijn mond opende zich als om een gebrul uit te stooten … en evenwel … en evenwel:
– Of méégewerkt, zei hij langzaam, èn duidelijk, èn schor, maar zacht.
En het klonk zoo geheimzinnig, deze mensch werd op slag een raadsel.
En Katadreuffe, bevangen in boosheid en schrik, maar strak van trekken, keerde zich af en ging zonder een woord.
Uit: Karakter
Als scholier las ik Bordewijk graag, en trouwens ook Elsschot en Nescio, die er net als Bordewijk een allerminst bloemrijke schrijftrant op nahielden. Hun soms telegrafische teksten brachten een wereld tot leven die door het ontbreken van beschrijvingen en stijlmiddelen veel aan de verbeelding van de lezer overliet. Bordewijk lezen was dus eigenlijk een klein beetje schrijven – voor mij als ontvankelijke adolescent een bron van genoegen en inspiratie. Dat de auteur Bordewijk niet echt een bohemientype was, maar in zijn kostuum het ‘establishment’ vertegenwoordigde – hij was advocaat – versterkte in mijn ogen het mysterieuze van zijn schrijverschap, alsof achter die keurigheid een duivelskunstenaar schuilging die onkeurige dingen verzon in een universum waarin je liever niet zou willen vertoeven.
Aan succes heeft het Bordewijk (1884-1965) niet ontbroken. Ik citeer: ‘In 1953 ontving hij de P.C. Hooftprijs voor zijn verhalenbundel Studiën in volksstructuur (1951) en de roman De doopvont (1952), en in 1957 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 1978 werd door de Jan Campertstichting, waarvan hij van 1947 tot 1952 voorzitter was, de F. Bordewijkprijs voor proza ingesteld. De roman Karakter werd niet alleen verfilmd maar ook voor televisie bewerkt’.
Ruim een halve eeuw later, op 4 juli 2026, op weg in de trein van Alkmaar naar Vlissingen, met ruim voldoende tijd voor overdenkingen, rees bij mij de vraag of de meester van het hoekige proza ook poëzie had geschreven. Dankzij het wonder van wifi op het spoor, vond ik met mijn iPad inderdaad gedichten, en geen slechte ook. Disclaimer: de tijd tot de deadline van deze column was te kort om de dichtbundels van Bordewijk te bestellen, dus moest ik het doen met wat ik op diverse websites aantrof. De titels die ik vond, zijn de vroege bundel Paddestoelen – onder het pseudoniem Ton Ven – en De korenharp, een bundel met prozagedichten (poèmes en prose), geschreven, aldus alweer Google, in ‘een strakke, zakelijke stijl en sombere en vervreemdende sferen’.
Ik geef graag een voorbeeld:
De stad Schiedam
(…)
Aldus ging de poort open toen de stad Schiedam gestorven was. Men vroeg haar wat ze het liefst deed. Maar een stad kan niet kuieren, dat weet u ook, zelfs niet op poten, lange of korte; ze ligt, of liever nog ze staat.
De stad Schiedam antwoordde:
– Branden.
Ze kreeg een standplaats op de velden waar nectar wordt gewonnen. De branderspatroons en de brandersknechts, reeds eeuwen dood en zalig, maar het vak niet verleerd, stroomden aan.
En omdat men op één been niet kan staan, nog eentje:
Noord en Zuid
(…)
Twee werelden, van rust en opstand, daartussen tikt de klokkeslinger van mijn zwervershart. Wie zal mijn uitverkiezing gelden, is ‘t Karin, is het Marianne? Ik weet het niet, slechts dit: met Karin wil ik minnekozen in ‘t priëel, maar naast, neen als een schild vóór Marianne, zo wil ik sterven op de barricaden.
En nog één:
De Haven
Wat wij zagen:
de vlakke meetkunde der kraanfiguren met zwart pijpkrijt getrokken op het
kardoespapier van de januarihemel –
de kuipen vol drijvend kleursel van schepen en hoger het zwevend gesnipper
van doek –
de stijf gesteven manchetten der bootschoorstenen, soms met een schuchter
handje erbuiten, soms met een zwaargebald dreigende vuist –
(…)
Uit: De korenharp
Het ontbreekt in deze prozagedichten niet aan kleurrijke beelden. Vooral in het derde gedicht – ‘De Haven’ – lijkt het of Bordewijk geëxperimenteerd heeft met metaforen, alsof hij de zakelijkheid van zijn poëtica wat poëtische glans wilde geven. Het resultaat is een proeve van behendigheid, die het gedicht mijns inziens niet ten goede komt, al is het beeld ‘de stijf gesteven manchetten der bootschoorstenen’ verrassend en zeer goed getroffen.
Al met al is het voorstelbaar, maar niet vanzelfsprekend, dat Bordewijk als prozaïst en niet als schrijver-dichter de literatuurgeschiedenis is ingegaan. Dat komt niet alleen door de bondige stijl van zijn romans en verhalen, maar ook omdat zijn prozagedichten in de schaduw van zijn andere werk stonden. De literaire wereld – waaronder de kritiek – heeft behoefte aan duidelijkheid, en aan dichotomie. Maak een keuze: schrijf poëzie of proza maar niet allebei. Dat is een vreemde tweedeling, want er zijn vele poëtica’s, en wie bepaalt in welke kamer van de literatuur wát thuishoort?
Bordewijk – ik hoor hem zachtjes spinnen op de schoot van Ton Jonkers, de kastelein die eeuwig het oeuvre van zijn favoriete auteur zal blijven herlezen.
Bronvermeldingen/rechten:
- Paul Gellings
- digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren
- Blokken, Knorrende beesten, Bint (Nijgh & Van Ditmar, 1949)
- Karakter (Nijgh & Van Ditmar, 1938)
- KAF
- De korenharp (Nijgh & Van Ditmar, 1946)
Beeldrechten:
- Foto Bordewijk: Wim van Rossem voor Anefo – Cropped from GaHetNa (Nationaal Archief) / CC0
- Foto omslag Blokken, Knorrende beesten, Bint © Rogier de Jong
- Foto omslag Karakter © Wikipedia / publiek domein
–


