door Hans Franse
We worden overdonderd met veel, vaak vervuilde, niet zorgvuldige taal. Zonder blikken of blozen worden leugens of onzinverhalen verteld met een air en zekerheid of we met orakels van doen hebben. Ook de politiek is er niet vies van; terwijl de kwantiteit van het geruis stijgt, neemt het aantal woorden af: taalgrens heeft bij mij een andere betekenis gekregen dan een grens waar twee talen aan elkaar raken. Dat op deze anti-taal een reactie komt is logisch. Maar het overschreeuwen bepaalt toch de toon. Het doet me denken aan een grap die ik ooit vond in het boekje Links lachen, waarin zinloze taal uit het Oostblok ontmaskerd werd. Een Russische vakbondsleider spreekt het personeel van een fabriek in China toe. Na een half uur gesproken te hebben met stemverheffing, drinkt de Rus wat, de tolk vat het betoog samen met één woord: er barst een groot applaus los. Geïnspireerd gaat de vakbondsleider verder. Wanneer hij weer een slokje water neemt, vat de tolk het betoog in twee woorden samen: donderend applaus. Daarna spreekt de vakbondsleider nog anderhalf uur. De tolk vat dit lange betoog in drie woorden samen. Het applaus is overweldigend. Als de Rus vraagt hoe hij dit lange betoog zo bondig kon samenvatten, is het antwoord ontluisterend. ‘De eerste keer zei ik ‘flauwekul’, de tweede keer ‘meer flauwekul’. En tenslotte ‘Einde van flauwekul’. Iedereen was gelukkig’.
Door die vervuiling devalueren ook woorden als kunst, acteur, kunstenaar, held, leider, genie. Je laat een kaartje drukken met ‘beeldend kunstenaar’ en je onderscheidt je van alle anderen. Ik wens daarom geen ‘dichter’ genoemd te worden: wat ik wil zijn, ben ik nog niet, misschien is het onbereikbaar.
Na de oorlog bezonnen vooral jonge Duitse kunstenaars zich op kunstuitingen en taal: het was immers die taal die de wereld in het verderf had gestort; de oude muziek had het regime ondersteund. Men zocht naar een nieuwe muzikale taal, die vrij was van smetten uit het verleden. De reeds sinds 1921 bestaande Donaueschinger Musiktagen waarop eigentijdse muziek gepresenteerd werd werden de hefboom voor die totaal nieuwe muzikale grammatica. De eerste naoorlogse editie leverde Pierre Boulez, Luigi Nono, Karlheinz Stockhausen en Iannis Xenakis op.
Er was veel aandacht van kenners en muziekjournalisten (bij ons Ton Hartsuiker), maar het bleef een waagstuk die nieuwe muzikale idiomen te presenteren in de concertzalen: het duurde lang voor dit nieuwe idioom zijn intrede deed in het reguliere concertleven. Zelfs nu lopen weinigen warm voor Stockhausens helicopter-strijkkwartett voor vier strijkers, elk in een andere helicopter en vier helicopterpiloten uit 1995. Wat er in Donaueschingen gebeurde was een vernieuwing, zelfs een politieke vernieuwing. Wat daar wat kinderlijk bij afsteekt is het monument voor de Donaueschinger muziekdagen: een beetje Beierse ledepopachtige structuur die niet lijkt te passen bij die grootse opgave.
Bij ons waren het natuurlijk de vijftigers die radicaal met de taal aan de haal gingen. Hoewel de bloemlezing van Paul Rodenko Nieuwe griffels, schone leien al een aantal voorgangers benoemt, waaronder Guido Gezelle en Paul van Ostaijen, klinkt de bomontploffing rond Lucebert en de zijnen nog steeds na.
In Duitsland probeerde o.a. Heinrich Böll tot inhoudelijke vernieuwing te komen, al kon hij slechts de taal gebruiken die er al was. In zijn verhalen en romans vind je politiek en maatschappelijk engagement en ontmaskering. Böll had bij alles de tweede wereldoorlog op zijn schouders. Alles wat zweemde naar fascisme en discriminatie kon op zijn kritiek rekenen. Ook deed hij mee aan de zogenaamde Frankfurter Vorlesungen: alles in een sober Duits, dat niet vervuild was.
Ik vind zijn verhaal over taalvervuiling en stilte kenmerkend. Het is te vinden in deel 3 van zijn Erzählungen 1937 – 1983- . Vier delen met al zijn verhalen, die ik ooit kocht in Regensburg toen je nog van die kleine geëngageerde boekhandels had. Ik bedoel het verhaal: Doktor Murkes gesammeltes Schweigen. Het speelt zich af in een omroepstudio waar Murke werkzaam is op de afdeling ‘Kulturword’ Hij moet een op de band opgenomen beschouwing over kunst redigeren , uitgesproken door de grote kunstfilosoof Bur-Malotke, die in 1945 tot het christendom bekeerd is en sinds die tijd God in zijn beschouwingen over het wezen der kunst veelvuldig laat opdraven.
Maar Bur-Malotke is sinds de laatste bandopname existentieel veranderd. Hij wil in plaats van over ‘God’ spreken over ‘jenes höhere Wesen dasz wir verehren’, maar wil de twee lezingen niet opnieuw uitspreken. Hij wil het woord voor de microfoon zoveel keer herhalen als het woord ‘God’ voorkomt in zijn beschouwing; daarvoor trekt de drukke kunstpaus een kwartier uit. En Murke moet dan monteren. Deze herkent herin de ideeën van Bur Malotke van vòòr 1945.
Burke haat de taal en de beschouwingen die dit soort lieden als de kunstfilosoof uitslaan.
Bur-Malotke komt binnen, gaat zitten en zegt ’Na, dan loss’. Burke zegt: ‘Het woord God komt zevenentwintig maal voor in beide voordrachten. Als u het 35 maal zou willen voorlezen, dan hebben we wat reserve’. Bur-Malotke knikt en wil beginnen. Dan zegt Burke: ‘Afgezien van het feit dat bij het woord God het causale verband ontbreekt, moet dat bij ‘das höhere Wesen das wir verehren’ wel duidelijk zijn.’ ‘Wir haben’, er lächelte liebenswürdig zu Bur-Malorke, ‘ins gesamt nötig: zehn Nominative und fünf Akkusative, fünfzehn Mahl also: jenes höhere Wesen das wir verehren’ – dan sieben Genitive, also: ‘jenes höheren Wesens, das wir verehren’ – funf Dative: ‘Jenem höheren Wesen das wir verehren’- es bleibt noch ein Vokatif, die Stelle, wo Sie ‘O Gott’ sagen. Ich erlaube mir Ihnen vorzuschlagen dasz wir es beim Vokatif belassen und sie sprechen: du höheres Wesen, das wir verehren!’. En dat nog verdubbeld. Er blijft noch van het woord noch van de spreker iets over.
Als Burke de band monteert met een technicus legt hij stukjes tape opzij. Andere technici brengen ook kleine stukjes tape. Hij plakt die aan elkaar. Thuis draait hij de band af: het zijn uitgeknipte fragmenten stilte uit de praatprogramma’s van die dag.
Lees dit meesterlijke verhaal!
Misschien is het antwoord op vervuilende, maskerende taal: stilte. Ik wou dat we daar meer van hadden.
foto Stockhausen © Spotify
foto’s van het monument in Donaueschingen, voor het huis der muziek © Hans Franse
foto Heinrich Böll © Britannica
–





