‘We zijn allemaal zoogdieren met een toetsenbord.’
door Alja Spaan
Bernadette Stom (1964) schrijft, speelt en simuleert.
foto © Brecht Rutgers van der Loeff
Gefeliciteerd met je debuutbundel. Je bent duidelijk geen beginnende dichter staat er in de recensie van Meander. Kun je vertellen hoe de bundel tot stand kwam?
Tijdens corona dacht ik: laat ik een verzameling samenstellen. Mustafa Stitou had gezegd: ‘Niet haasten, zo’n eerste’. Ik ben 61 en dat bleek de tijd voor Heimweecafé, een mix van kladbundel 1 en 2. Geen dag te snel.
Via Margriet van Bebber kwam ik binnen bij poëziefonds open/Uitgeverij U2pi. Daar zochten ze een specifiek soort dichter: niet per se senior, niet per se wit. Fijn dat ze me uitgaven. Want uiteindelijk gaat het om wát en niet om wie. We zijn allemaal zoogdieren met een toetsenbord.
–
ik ben de krolse vijgenboom
die overdaad van groen velours
ik ben de sloerse groene knoest
geplooid gewelfd een buik een mond
ik ben de vingers van het blad
de tak het gulle bladerdak
en ringeloor de lucht
en ringeloor de lucht
zo grillig grijp ik in het rond
ik slurp de lucht
ik zuig de grond
en gloei en groei en bloei
Hoe belangrijk is daarbij de studie aan de Schrijversacademie geweest? Is een dergelijke opleiding nodig? Wat heb je geleerd?
Ik wist niet dat ik een dichter was. Het eerste blok (‘95) was poëzie bij Gerry van der Linden. In de eerste les schreef ik: ‘de codes zijn me niet verteld/hoe weet ik dat ik veilig ben?’ (Hé, veilig.) Ik viel voor het beknopte.
In het tweede jaar koos ik voor proza en poëzie. Maar toen was ik al zes maanden zwanger. Na mijn verlof kwam ik niet terug en bleef ik wel schrijven. Van Bert Jansen heb ik in Amsterdam en later aan de SKVR in Rotterdam het meest geleerd: helderheid, volgorde. Natuurlijk kan alles zonder opleiding, maar met gaat sneller. Meer blikken op mijn tekst; meer collega-tekst om van te leren.
Had je op de middelbare school een favoriete leraar Nederlands die ook aandacht schonk aan poëzie?
Ze waren alle drie mijn favoriet: de heren Lansdaal, Van Steijn en Van der Made. Ik was een lam; bij deze drie dan. Van Steijn was een geweldige verteller met de handen van een bootwerker. Van der Made, kaal, één krul, was de enige die praatte in de les. Vriendin M. vroeg of ze zijn krul mocht kammen. Hij liet haar leven. Lansdaal bleef ik zo nu en dan ontmoeten. Lichtblauwe ogen in een aquarelgezicht. Hij haalde schrijvers naar school. Er ging een onbetaalbare rust van hem uit. Poëzie kwam vooral aan bod bij oudere letterkunde. Proza won.
Gaf je zelf aandacht aan poëzie binnen het Nederlands onderwijs?
Wat dachie?
Groeide je op in een literaire wereld?
Zeker in een talige wereld. Iedereen las en schreef en de vrouwen deden dat het meest. Mijn ouders waren taalwezens. Ik ben blij met dat nest van verhalen en persoonlijk idioom. Als je Stom heet, heb je alleen daarom al twee opdrachten: denk na, vind een stem. Een kind dat ondergedompeld wordt in rijke taal krijgt een cadeau dat nooit slijt. Ik vergeet nog te zeggen, dat mijn tweede broer onze meesterverteller was. Alles wat ik daaraan toelicht, valt in het niet bij hoe het was.
Kun je over alles schrijven?
Ja, mits ik een verbinding leg met levend goed.
Familie komt dichtbij, is er een moment van gêne geweest? Moest je toestemming krijgen?
Toen mijn dochter naar de kleinkunstacademie ging, dacht ik: ze mag alles over me schrijven, zondermeer. Dat verbaasde me, want zelf was ik zo’n schijtluis tegenover onze clan. Daar wou ik wat aan doen. Maar niet teveel. Om die reden heb ik een paar gedichten niet opgenomen in Heimweecafé, die wel erin zouden hebben gepast, maar waarvan ik wist dat de bundel er buiten kon.
Het is een oude discussie: gaat de tekst boven de relatie of de relatie boven de tekst? Eigenlijk is deze gesloten tegenstelling niet legitiem en moet de vraag open zijn: welke zorgvuldigheid wil ik in acht nemen, als ik over herkenbare mensen schrijf? Wat daarvan de uitkomst is, kan per situatie verschillen.
–
zij is de stilste vrouw met platte haren waar
de eigen kam al weken aan ontbreekt
met man en dochter sta ik aan haar bed op de ic
–
we zingen that’s an Irish lullaby voor haar dat
zij op zolder voor mij zong als ik niet slapen wou
de warmste zangstem van de polder naast mijn wang
–
mijn man vult onze haperingen aan en redt
ons koor, wij zijn een moedig koor dat heel
beslist haar hersenstam bereiken wil
–
dan gaan haar ogen open, onwaarschijnlijk
blauw en nat, we kijken recht haar stilte in
–
wijd opent zich haar mond, zonder geluid beweegt
de mond, die gulle mond, haar tomeloze wijdte
zingt zich voor ons uit
Een ‘enigszins veilig debuut’ noemt de Meanderrecensent je eersteling. Is dat zo?
Gezien het bovenstaande: zeker. Werk ik aan.
‘Juist niet’, zei Sasja Janssen toen we hierover spraken in de Poëziewerkplaats.
Op een ander niveau heeft taal sowieso met veiligheid te maken. In die veiligheid ben ik graag een expert.
In de beschrijving van je bundel in de webshop van de uitgever staat ‘Ze redden het toch maar, de gasten in Heimweecafé. Hoe bouwen ze een wereld, een eigen wereld?’ Is het schrijven een bewijs daarvan? Voor jezelf?
Natuurlijk heb ik een belang. Iedereen hoort erbij, zelfs ik. En nu ben ik ook te koop. Maar ik ben al groot, hè?
–
er hangt een affiche naast mijn kast
van een artiest in bontjas die ontroert
met laktas, pumps en operettepruik
–
hij kleurt bij wie ik ben, wat ik niet kan
artiest in bontjas achter glas
voor wie ik – als hij aan mijn tafel zat
–
een vlek zou zijn, beweging tussen stoel
en raam, een trilling in zijn tegenlicht
betonnen onrust die ik ken
Heb je een schrijfritueel? Voorwaarden om te komen tot?
Ik sta vroeg op: buiten zijn en wandelen. Ik lummel en ik lanterfant. Lapzwansen, nooit overslaan. Ik dwaal wat rond met papier en een verdwijnpen in mijn tas. Wat weegt het? Maar ik kijk goed rond, daar ben ik stipt in. En alles wat ik zie, hoor en ruik, drijft door dat gek-blije fantasiehoofd van mij. Er komen zinnen en ritmes en als het later wordt, hoor ik flarden van een conversatie die ik inpik, zonder pardon.
Als ik er afstand van neem, is het de afwisseling van kalmerende chaos en scherpe beheersing die mij in beslag neemt, alsof er niets belangrijker is dan dat. Ik ben mild en vindingrijk in het zoeken naar kansen en daarna word ik streng en volhardend in de herschrijfrondes. En dat zijn er veel, niets liever dan zo.
Je deed mee met de ILFU poëzietoer. Hoe moeilijk is het om een eigen publiek op te bouwen?
‘Een eigen publiek opbouwen’ klinkt verontrustend. Ik wil geen baal op mijn nek. Wel wil ik voordragen en spelen. Boek me gerust. En verder: gewoon doorschrijven. Menno Wigman schreef: ‘… en wel door blijven dichten – dit is een bevel …’
En nu de wereld voor je open ligt, wat ga je doen?
Elke dag opnieuw beginnen.
–



