‘Over schrappen en opnieuw beginnen’
door Wim Vandeleene
Tania Verhelst debuteerde in 2020 met de poëziebundel Twee Helften bij uitgeverij De Zeef, waarin ze meteen haar eigenzinnige stem liet horen. Sindsdien heeft ze haar werk gestaag verder uitgebouwd met bundels als U kunt uw lichaam hier achterlaten (2022) en dit jaar nog In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen.
Daarnaast verscheen haar werk geregeld in literaire tijdschriften zoals Het Liegend Konijn en De Gids. Herkenbaar en trefzeker weet Tania absurde humor te verzoenen met diepere lagen. Daarnaast is ze actief als klinisch psycholoog, een achtergrond die subtiel weerklinkt in haar taal, met oog voor menselijke verhoudingen en de kwetsbare geest.
Welkom Tania. Sylvia Plath en Ted Hughes waren imkers in hun vrije tijd. Emily Dickinson was vaak bezig in haar plantentuin en Lorca trad regelmatig op in een poppentheater. Wat houdt jou zoal bezig als je niet aan de schrijftafel zit?
Zonder het te willen: de organisatie van het dagelijks leven in al haar onoverkomelijkheden (tiens, de koffie is op, ik moet nog die verkeersboete betalen, hoe krijg ik die vlekken uit mijn broek?). Als kind won ik ooit een tekenwedstrijd met een tekening van vijf vissen tussen drie (ongewilde) vlekken. Als er een rode draad in mijn leven zit, bestaat deze deels zeker en helaas uit een vlekkenparcours…
Vóór ik schreef, tekende ik vaak. Nu speel ik eerder piano, klassiek. Het is voor mij getuige worden van de nonverbale gedachten die anderen over hun dood heen met mij delen. Heel bijzonder hoe elke componist zijn eigen stijl heeft. Brahms lijkt mij passioneel, Schubert teder, poëtisch, Prokofiev eigenzinnig, spitsvondig. Helaas schieten mijn vingers voor hem te vaak tekort.
In de reeks onmogelijke vragen. Hoe zou je jezelf in drie (kern)woorden omschrijven?
Lanterfanterolifant – zonevreemde suikerspin.
Treffend. Dat vat jou mooi samen. Hoewel ik jouw raakvlak met de lanterfanterolifant ook niet wil overschatten.
Welke regel volg jij bijna altijd, ook als je hem straffeloos kan overtreden?
Verzet.
Verzet?
Poëzie is op zich een daad van verzet is: je tijd claimen om verdichte zinnen te schrijven die -behalve een kluitje verlichte geesten- niemand leest.
“Een goede zin is als een vioolnoot die resoneert lang nadat de strijkstok is gestopt.”, zei Sebald. Wat betekent schrijven voor jou?
Een manier van denken. Sowieso wordt ons dagelijkse taal ‘aan banden gelegd’ door grammatica, conventie, sociale wenselijkheid, rede, …. . Schrijven is voor mij de teugels vieren, taal een beetje losmaken van alle kaders en korsetten waarin het zich geregeld vastsnoert.
Welke vonk heeft bij jou het vuur voor de taal ontstoken?
Lezen (andere schrijvers dus) en spoken word dichters.
In het begin van vorige eeuw was er een Roemeense dichter, een zekere Tristan Tzara. Die knipte woorden uit de krant, deed die in een tas en schudde de knipsels door elkaar. Daarna legde hij die woorden naast elkaar zo ontstond een totaal toevallig en onbegrijpelijk gedicht. Misschien verklaart dat ook waarom niemand deze dichter kent. Heb jij een speciale methode of schrijf je in een opwelling?
Ik schrijf enkel als ik zin heb of mij geïnspireerd voel, wat inhoudt dat er lange periodes zijn waarin ik niet schrijf. Als ik een methode heb, is het vooral schrappen en opnieuw beginnen. Ik houd daar ook van. Misschien omdat het mij de gelegenheid geeft om datgene te doen wat ik in het ‘echte’ leven niet kan; oneindig polijsten aan een frase, blijven proeven en proberen tot ‘het juist zit’. Dit in tegenstelling tot de ‘onafgebroken improvisatie’ die het leven van mij vraagt.
Over mijn laatste bundel In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen heb ik een kleine vijf jaar gedaan. Elk gedicht heb ik een – ruwe schatting – twintig – tot zestigtal keer herschreven. Ook de samenstelling van de bundel, de onderlinge verhouding van de gedichten tot elkaar had zijn tijd nodig; een sterrenstelsel pruts je ook niet in een paar dagen samen.
Wat is voor jou het ideale recept voor een goed boek?
Stijl. Die mag nooit ‘afzwakken’ maar moet als een grondtoon in het hele boek doorklinken.
Veel dichters hebben voorbeelden, geestelijke vaders of moeders, iconen, idolen zelfs, die hen gevormd hebben. Voor Elizabeth Bishop bijvoorbeeld was dat Marianne Moore. Heb jij ook zo een voorbeeld?
Nachoem Wijnberg omwille van het geheel eigen universum dat hij creëert vanuit een juridisch en ‘banaal’ jargon. Verder lees ik vooral Amerikaanse auteurs (deels uit noodzaak: behalve Nederlands ben ik helaas niet zoveel talen machtig). Ik denk aan Rosemarie Waldrop, Ashbury, Louise Glück (ook haar proza!), Elisabeth Willis en de bevreemdende kortverhalen van Lydia Davis en Diane Williams. Ook origineel: Vivian Lamarque, Laura Accerboni of de albanese Luljeta Lleshanaku…
Kan je van die namen ook één werk noemen dat je heel erg bewondert.
‘Liontaming in America’ van Elisabeth Willis. In deze bundel combineert zij poëzie met journalistiek en historisch onderzoek. Liontaming is een aanklacht tegen al wat maar al te makkelijk onder de matten van geschiedenis wordt weggeveegd (slavernij om er een te noemen) maar ook een onderzoek naar de dynamiek van macht (wie bepaalt het narratief?) en dat op een originele en poëtische manier. Ik vond dit werk zo knap dat ik een half jaar niet meer kon schrijven.
Over naar jouw werk en jouw jongste bundel In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen.
–
heb ik je al verteld dat vader
uit een oud en adellijk geslacht van herten komt?
ze hebben een dambord als wapenschild
en een stamboom die teruggaat tot de ijstijd
sinds eonen zit het hoofd met kerst aan het hoofd van de tafel
zijn gewei steekt ver boven ons uit, doopt ons in zijn schaduw
de hindes en reeën van de familie zetten er kaarsen op
tot het vet op de schouders van het hoofd drupt
als zijn gewei vuur vat mag je een wens doen
–
moeder komt uit een lange wolkentraditie
haar vader is een cirrus, haar moeder een cumulus
het zijn handelsreizigers. ze verkopen stroom en regen
hebben vooral succes met masterclasses van en over vers gebakken lucht
Dit absurde gedicht schetst een soort familieportret, waarin enige ironie doorklinkt. Vader komt uit een geslacht van herten en moeder uit een luchtige wolkenfamilie.
Het komt uit de eerste cyclus van de bundel. Voor zijn openingsrede maakte Jan Ducheyne een passend beeld. Het is geïnspireerd op een still uit de film Fallen Leaves van Ari Kaurismäki. Om hun dynamiek te begrijpen kan het helpen om de volledige cyclus te lezen, waar dit gedicht uit is geplukt.
–
lucy heet het eerste lief van julian
hij is drie als hij vijf cirkels op papier zet
en uitroept that’s lucy in the sky with diamonds
–
lucy noemen twee mannen het skelet
dat ze opgraven in de hoogvlakte van afrika
na drie miljoen jaar zetten ze haar botten in elkaar
en helpen haar recht
–
lucy is een vrouw die sterft op een podium
aan haar voeten dansen mannen
ze zingen lacrimosa dies irae
Een gelaagd gedicht dat drie elementen verbindt, een kindertekening, het beroemde skelet uit de preshistorie en een stervende artiest op een podium.
Dit gedicht komt uit de cyclus Requiem pour L, geïnspireerd op de gelijknamige opera van Alain Platel en Fabrizio Cassol. Ik vind het sowieso intrigerend om ‘lijnen’ te trekken doorheen de geschiedenis, van de ene gebeurtenis naar de andere om dan vanop een kruispunt/afstand over de vlakte heen te kijken zoals Maria Reich naar de tekeningen van aboriginals kijkt, wetende dat ze wellicht nooit zal begrijpen wat ze ziet.
–
wees blij dat jij je geen zorgen hoeft te maken zegt vader
wat is een zorg? ik ken het agnus dei en peccati mundi
maar over zorgen weet ik niets
–
hoe maak je een zorg?
moet je haar zaaien of baren?
wat er ook van zij, de zorg heeft mij gevonden
en laat mij niet meer los
Dit hoofdstuk komt uit een cyclus (de dag dat god zijn tape verloor) waarin ik autobiografische elementen verwerk met fictie én waarin ik mezelf verplicht bepaalde thema’s op een eenvoudige manier aan te kaarten (bv. de vormende rol van taal). Het perspectief van het jonge kind helpt daarbij.
In de voorbereiding voor dit gesprek, zond je ons een veelzeggend citaat: werkelijkheid is ‘fictie die werkt’.
Nog niet zo lang geleden las ik de extase van de jagers van Kris Pint, over hoe de (religieuze) verbeelding door de eeuwen heen vorm krijgt. Hij breekt een lans voor fictie, meer bepaald de mythen en oude verhalen. We meten ze in ere houden door ze opnieuw te vertellen op onze eigen manier, opdat ze niet verloren gaan, blijvend deel kunnen uitmaken van onze levens, cultuur. Ze maken ons menselijk en vertrouwd met de grote levensvragen van leven, dood, geluk en lijden – wat een eenzijdige kijk van rede of wetenschap niet kan.
Tot slot. Keuzevraag. Stel dat je één versregel van jezelf of een andere dichter mag bewaren voor een lezer in de verre toekomst. Welke zou dat zijn?
‘Vergis je roekeloos voorbij dit ogenblik dat hooguit wij maar is’ (Ruth Lasters, gedicht Minst).




