LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Rob Theys – In het grote meer

26 okt 2026

‘Dichten blijft half werk’

door Jac. Janssen


–
Ongeveer halverwege Theys’ bundel staat ‘Kort humanistisch manifest’. Het thema is de poëzie zelf, het gedicht; een meta-vers zo je wil. De ‘ik’ en het gedicht wandelen samen door een ‘smoorheet’, ‘duister’ en ‘ondoordringbaar’ woud. Ik citeer: ‘Tijd voor een pauze. / “Dat portret van me, lukt het wat?” / vraag ik het gedicht. Het vers staat op. / Het kucht.’ Het gedicht antwoordt in dichterlijke taal: ‘Sparren wegen tonnen. / Schaduwen vreten brokken uit het licht. / De muggen drinken je op.’ Enzovoort. Het lijkt niet echt goed te gaan met de ‘ik’. ‘Dichten blijft half werk’, bekent hij (over de dubbelzinnigheid van dat zinnetje is een interessante verhandeling te schrijven). Dan kleedt het gedicht zich uit. Het lijkt alsof de ‘ik’, die we makkelijk willen vereenzelvigen met de dichter, het over zichzelf heeft, zo schamel is ook hij in naakte toestand. De dichter (vooruit) raakt gepikeerd: ‘Had je nog wat?’ Vervolgens wijst het gedicht op diens spillebenen en ‘melkbleke vel’. ‘Dit heb ik voor je’, repliceert de dichter. ‘En of het me niet wervel voor wervel een rug wil schrijven. Dan loop ik rechtop (…) / (…) door straten met het licht van een getrokken sabel.’ Het gedicht maant hem stil te staan, blijkbaar poseert de ‘ik’. Maar erg lukken wil het allemaal niet. De rollen zijn omgekeerd: het gedicht schrijft de dichter. Maar waarom dit gedicht heet zoals het heet, ik kom er vooralsnog niet uit. Vragen zijn doorgaans interessanter dan antwoorden in de poëzie, zo houd ik mezelf voor.
–
Op de volgende pagina staan twee klapstoeltjes afgebeeld, de een net niet helemaal en half afgewend. De achterzijde van die pagina is leeg. Op de rechterpagina start het gedicht ‘Naar de natuur’. Daarin onder meer: ‘Wat je krijgt, zijn kale muren.’ Strofe drie opent zo: ‘Ik ben portrettist, ik schilder naar de natuur. / Het genre stelt hoge eisen (…)’. Er lijkt een verband te bestaan met het vorige gedicht. Sowieso zijn het beide poëticale gedichten, waarin de dichter iets uitdrukt van zijn opvattingen over de dichtkunst. Voor mij als poëziefreak en neerlandicus smakelijke kost. Mede omdat ik er niet echt uitkom, blijven sommige fragmenten door mijn hoofd spoken. Is dat ook zo als je ‘gewoon’ graag gedichten leest? Er is genoeg te beleven in deze bundel, dat vooropgesteld. Alledaagse taferelen in schijnbaar alledaagse taal die net genoeg afslagen neemt waardoor die tekst poëtisch interessant wordt.
–
Even terug naar het begin: de titel van de bundel. Nergens gaat het over een ‘meer’ in de zin van een grote plas zoet water, een binnenzee. Ik speculeer dat het misschien gaat om ‘meer’ als versterkende trap van ‘veel’. En dat de dichter hier misschien iets over de tijd poneert. Als dichten al half werk blijft, Rob Theys, hoeveel blijft er dan nog over bij het recenseren ervan?
–
Aan de vormgeving is aandacht geschonken. De opmaak haalt geregeld visuele trucjes uit met lettergrootte en -afstand, regelafstand, schuin aflopende regels enzovoort. Opmaker Emma Vanhille verzorgde eveneens de illustraties, pasteuze schilderingen die in een vreemd contrast staan met de verzen die eerder een zekere magerte ademen. Uitgegeven via SKRIBIS, een ‘onafhankelijk publicatieplatform’. In eigen beheer dus, maar vanwaar dan dit platform? Dat terzijde.

Boven een citaat van Captain Beefheart, een illustratie die lijkt op twee muzieknoten wegdrijvend op een stroom. Dan de volle titel over twee pagina’s, met aan de achterzijde de subtitel ‘(conversaties)’. Het gedicht ‘Klokkenmaker’ vormt de prelude, gevolgd door de inhoudsopgave (die ook enigszins leest als een gedicht).

Op een monochroom nachtblauwe pagina volgt het openingsgedicht ‘Een man, stilstaand en op het punt om iets te zeggen’. (Inderdaad: poëticaal). ‘Naar Bernardo Giacometti’ staat erbij. Ik dacht aan beeldhouwer en tekenaar Giacometti, de Italiaanse kunstenaar die beroemd werd met zijn zeer dunne en langgerekte mensfiguren. Maar helaas, dat was Alberto Giacometti. Wie deze Bernardo is blijft gissen, een korte zoektocht leverde niets op. Zet de dichter ons bewust op het verkeerde been? Of is er sprake van een vergissing?

De algehele structuur komt in eerste instantie rommelig over, terwijl er juist terdege over blijkt te zijn nagedacht. Het gestoei met typografie leidt mij vooral af. Eerst schrijven: ‘ik zet de fragmenten als dominostenen rechtop op een rij’ en dit vervolgens ook typografisch doen in de volgende regel (p. 16). Verderop in de bundel zien we dominostenen ook in verf afgebeeld: dubbelop wat mij betreft.
–
Wel tref ik op vrijwel elke pagina zinnen en beelden die me prikkelen. Zoals: ‘het licht flikkert met zijn messen’ (p. 9) of ‘Inmiddels ben ik onbruikbaar voor toespraken’ (p. 15). Deze zin deed me zijdelings denken aan een uitspraak van Paul van Ostaijen, die de dichter typeerde als ‘iemand die zeer moeilijk spreekt’. Ook Theys relativeert hier en elders wat hij met poëzie vermag, wat poëzie überhaupt kan zeggen over de werkelijkheid. Dit doet hij op speelse en intelligente wijze.

In het al genoemde gedicht ‘Klokkenmaker’ duikt voor het eerst de ‘tuinvrouw’ op die we vaker tegenkomen in deze verzen. Ze lijkt te staan voor iets breders, de natuur, de seizoenen, de tijd die voorbijgaat en die wij proberen bij te benen, maar tevergeefs. Er zijn fraaie beelden voor tijd in relatie tot licht, zoals op pagina 21: ‘Als een man die zijn gezicht verbergt, komt de schemer / in de tuin (…)’.
–
Wat ook opvalt is het expliciete gebruik van witruimtes. ‘Ik hou van onderbrekingen’ staat onderaan pagina 15. De dichter onderbreekt zich, kijkt naar zichzelf en wat er aan taal uit zijn handen komt. De ene keer werkt dat voor mij, de volgende keer is hij me kwijt met zijn spielerei.
–
De bundel sluit af met een ‘Kortfilm in tien scènes’, zoals de ondertitel van deze afdeling luidt. De gedichten hebben een prettig ritme. Onderwerp is de (overleden) moeder, waar de dichter behoedzaam omheen beweegt: ‘wat moet je met me aan nu ik een gedachte ben’, zegt ze onder meer. Wat mag de dichter prijsgeven van haar leven? ‘Ze zegt: ‘schrijf een gelukkig gedicht / een waarin je langskomt, zo nu en dan.’ Het is onsentimenteel en tegelijk is er meer urgentie, iets wat ik in de voorgaande verzen soms mis. Ik meen een echo te horen van Gerrit Kouwenaar, in gedichten die nadrukkelijk niet het sentiment opzoeken maar de emotie omcirkelen en de dingen, het lichaam en het licht opvoeren om iets van een kern te benaderen. Die afstand tot het sentiment werkt verfrissend en schept ademruimte. Het wat formele spel met woorden, typografie, interpunctie en witregels versterkt dit en zet mij geregeld op afstand als lezer. Hierdoor blijf ik op twee gedachten hinken wat ik vind van deze bundel. Laat ik zeggen dat hij me niet heeft verveeld, maar ook zelden echt bij de strot gegrepen.
–
Geheel in stijl sluit de bundel af, na opnieuw een nachtblauwe pagina, met een moeilijk anders dan poëticaal op te vatten gedicht getiteld ‘Voor en na taal’. Het lichaam is vermoeid, wil rusten en ontdoet zich daarom van de taal:
–

Voor en na taal
–
Zomer houdt geen maat en stinkt naar kruidnoot.
Wat wordt het, lichaam? Herrie of rust?
Het lichaam kiest voor de slome passage door de dag.
Het hapt naar lucht, voelt zich vuil. Water
–
zuivert. Het lichaam stapt op koel tegels, eet een druif.
Kamt de natte haren.
–
Taal hangt bij de jurk op de stoel, naast de makkelijke schoenen
en de tas met de honderd nuttige dingen.
Het lichaam zit alleen met zichzelf op het bed.
Het legt zich neer
het lijf
het hoofd met koude haren
de zware armen.
–
Taal hangt te glimmen en te raden: wat
maalt er door het hoofd? Welke woorden?
–
Het lichaam weet zeker dat
het wil slapen, geen getater nu, het wil alleen zijn.
Het is gewend voor zichzelf te zorgen –
–
wat taal achteraf ook mag beweren.

____

Rob Theys (2026). In het grote meer. Uitgeverij SKRIBIS, 94 blz. € 22,00. ISBN 9789493529052

     Andere berichten

Annemie Deckmyn – Mal

Annemie Deckmyn – Mal

Wie bepaalt de vorm waarin we passen? door Yolandi de Beer - - Annemie Deckmyn is een Vlaamse dichter die met Mal haar derde dichtbundel...