door Jan Loogman
In zijn essay Why I write onderscheidt George Orwell vier motieven om te schrijven. Het eerste daarvan is volgens hem puur egoïsme, de drang om in de schijnwerpers te staan. Dat motief ziet hij ook wel bij mensen die andere beroepen uitoefenen, maar schrijvers blijven volgens hem anders dan de meeste mensen hun leven lang overwegend op zichzelf gericht. Volg ik Orwell, dan is een schrijver iemand die er alles voor doet om het onderwerp van gesprek te zijn.
In die zin is Michael Vonk, wiens gedichten Meander kortgeleden van de site haalde, recent doorgebroken als schrijver. De 34-jarige Vonk heeft in de loop van de jaren hier en daar een essay en wat gedichten gepubliceerd, maar pas in oktober van dit jaar kwam hij echt in het licht te staan. Nadat uit een AI-scan gebleken was dat zijn inzending voor de Joost Zwagerman Essayprijs met stevige hulp van AI geschreven was, werd bekendgemaakt dat hij de inzending terugtrok. Vervolgens haalde literair blog Tzum zijn op Meander gepubliceerde gedichten door een AI-scan en bleek ook daaruit AI-hulp. Daarop verwijderde Meander de gedichten van de site. Vonk verklaarde ‘op zijn ziel getrapt te zijn.’ Enkele dagen later plaatste dagblad Trouw een interview waarin Vonk uiteenzette hoe het Zwagerman-essay tot stand was gekomen. Ook relateerde hij zijn handelen aan de schrijver Joost Zwagerman: ‘Ik beschouw de fouten die ik heb gemaakt als een regelrechte belediging van de goed gebekte schrijver met de gouden pen die hij was.’
Al met al stond Vonk eventjes in het middelpunt van de belangstelling. In het interview met Trouw deed hij zijn best om de aandacht vast te houden, door een sneer uit te delen naar de jury van de Zwagermanprijs: ‘Als dit broddelwerkje [hier doelt hij op zijn teruggetrokken essay] de shortlist van de prijs kan halen, zegt dat ook wel wat over de jury.’ Wie weet is dat zo, maar mensen zullen allicht vinden dat Vonk niet de aangewezen persoon is om iets te zeggen over de kwaliteit van de jury.
Verbazend lijkt het dat Vonk zegt ‘op zijn ziel getrapt te zijn.’ Die woorden zijn begrijpelijk als Vonk zijn ziel en zaligheid in zijn essay en/of zijn gedichten heeft gelegd. Schrijven, noteerde Jamal Ouariachi vorige week, ‘is hondsmoeilijk, maar als het lukt, is de extase er een van kosmische omvang.’ Als een schrijver na die hondsmoeilijke inspanning meemaakt dat zijn werk in de prullenbak wordt gegooid, dan kan dat hard aankomen. Dan begrijpen we hem als hij verklaart op zijn ziel getrapt te zijn. Maar Vonk? Aan de vaststelling van AI-gebruik verbinden velen nu juist de gedachte dat hij de inspanning niet zelf heeft geleverd. Hoe kan hij dan ‘op zijn ziel getrapt zijn’?
Niettemin, laten we hem serieus nemen. Dat kan als we ons het eerste motief van Orwell in herinnering brengen. Egoïsme, zegt Orwell, de behoefte om in de schijnwerpers te staan. Liever zeg ik: de behoefte om gezien te worden. Als we ons realiseren hoe dwingend deze behoefte in ons aanwezig is, valt heel goed te begrijpen dat Michael Vonk zich op zijn ziel getrapt voelt. Juist nu het hem gelukt was genomineerd te worden voor een belangrijke essayprijs, niet lang nadat een poëtisch E-zine gedichten van hem had opgenomen, verdwijnt zijn werk in de prullenbak. Precies op het moment dat hij in het licht kwam te staan, moet hij weer in de duisternis verdwijnen. Dat is een hard gelag. In plaats van hard te oordelen over de schrijver Michael Vonk, kunnen we beter een regel van Adriaan Roland Holst aanhalen: ‘Laten wij zacht zijn voor elkander, kind – want, o de maatloze verlatenheden, …’
afbeeldingen:
Beeldje schrijver © Rijksmuseum van Oudheden
Gouden pen © Sriveiner
Ongezien kind © De leukste kinderen
–



