door Rogier de Jong
–
Nu in Oost-Europa een vernietigingsoorlog woedt waarin over en weer met dodelijke projectielen wordt geschoten, is het of de klok tachtig jaar wordt teruggedraaid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog regende het bommen op Coventry en Dresden en in ons land op Nijmegen, Den Haag, Den Helder, Middelburg en Rotterdam. Mijn vader vertelde dat hij, schuilend in een greppel aan de andere kant van de Maas, het bombardement op Rotterdam had meegemaakt. De brand moet verschrikkelijk zijn geweest en kostte aan 700 tot 900 inwoners het leven. Het historische centrum werd volledig verwoest. Het bombardement staat in de ziel van de stad – en van veel Rotterdammers, neem ik aan – gegrift. Ter nagedachtenis aan de ramp verrees op Plein 1940 het iconische beeld ‘De verwoeste stad’ van Ossip Zadkine.
Bij het beeld is een gedicht te vinden van de oud-stadsdichter van Rotterdam Jana Beranová:
Ze verbrandden steden als grofvuil.
Hun handen hingen schuil achter helse
machines. Rouwnagels zonder rouw.Geen graven. Alleen raven als roet.
En rook voor de zon.
Pijn verdicht tot een stille schreeuw
blijft voorgoed in ons haken.
Ik ken die schreeuw. Wie zijn
verleden niet kent,
begrijpt de toekomst niet.
Glimlachend ademt de stad.
Bij het slaande hart waar ooit een gat was,
bij deze smekende armen, zweren we nu.
De woorden zijn gloeiende
gloeiende kooltjes in ons oog:
nooit meer haat
Een vers dat de stad als onderwerp heeft, op een klein interludium van de dichteres – ‘Ik ken die schreeuw’ – na. De regels ‘De woorden zijn gloeiende / gloeiende kooltjes in ons oog: / nooit meer haat’ komen flink binnen. Let op de spatiëring tussen de laatste drie woorden: je kunt ze scanderen.
De stad als personage, als lichaam, als slachtoffer. Het lichaam dat weer een slaand hart heeft en uit zijn as mocht herrijzen.
In die stad lieten zoals gezegd 700 tot 900 mensen het leven. Al die inwoners hadden ook een lichaam, een fysiek lichaam, dat bezweek bij de explosies of in de vuurzee.
Behalve het beeld van Zadkine staat er nog een standbeeld in Rotterdam, tussen het oude Stadhuis en de vernieuwde Lijnbaan. Het heet ‘Monument voor alle gevallenen 1940-1945’ en is gemaakt door Mari Andriessen, de beeldend kunstenaar die in 1952 ook de Amsterdamse ‘Dokwerker’ vervaardigde. Het is gewijd aan de menselijke slachtoffers. Op het beeld is een gedicht van Clara Eggink (1906-1991) te vinden:
Het werk des daags vraagt om een gave mens. Men moet de ramp om zijn herstel vergeten. Zoals de zwerm der meeuwen op uw havens, onafwendbaar keert de levensdrift. Toch stoelt uw welvaart tevens ’t ontijdig graf van die nu van geen opbouw weten. Gedenk dees onherstelbaarheid – dan zal uw nageslacht zijn brood in vrijheid eten.
Een erg mooi gedicht, dat oproept om niet eeuwig bij de onherstelbaarheid van de oude stad stil te staan, maar de onherstelbaarheid van de verloren levens wel te gedenken.
Nieuwsgierig geworden naar meer werk van Clara Eggink, ging ik op zoek en vond in de bloemlezing Spiegel van de Nederlandse poëzie – dichters van de twintigste eeuw, samengesteld door Hans Warren, het gedicht ‘Dodenmarsch voor Rotterdam’ (opgedragen aan een zekere Gerard Zalsman) waarin de verwoesting dichter bij de menselijke slachtoffers wordt gebracht. Het is een picturaal gedicht, een (inktzwart) schilderij. De dichteres verwoordt in schokkende maar goedgekozen beelden de verwoesting: ‘een schelle vlam schiet suizend op, / belichtend als in spotternij, / de resten van wat huisgerei’:
DODENMARSCH VOOR ROTTERDAM (Aan Gerard Zalsman)
Ik waag mij haast niet in die straat
waar gloeiend puin in ’t donker staat.
De wind loeit om een bouwvaltop,
een schelle vlam schiet suizend op,
belichtend als in spotternij,
de resten van wat huisgerei.
Hier vond wie daaglijks nam en gaf
een ruw en eindloos massagraf.
Het werk van hersens, hand en lust
is even grondig uitgeblust.
Ik wend mij naar de waterkant.
De schepen liggen leeggebrand.
Het water, d’ eeuwenoude baan,
voert bloed en roet naar d’ oceaan.
Daar staat de dood nog op de brug,
een zwarte schaduw, recht van rug.
Och broeders, hij bleef ongedeerd
terwijl uw schim hier langs marcheert.
Links, rechts…
Maar als die stad weer is herbouwd
van staal en glas en steen en hout,
die kleine wereld is hersteld,
bolwerk van koopwaar, zee en geld,
als er gewerkt weer wordt op de as
Mooi van wie voor kort hier werkend was –
Dan zullen nog bij nieuwe maan
uw schimmen door de straten gaan.
Links, rechts…
De slachtoffers in dit gedicht komen tot leven, maar als schimmen, evenals de dood zelf: ‘Och broeders, hij bleef ongedeerd / terwijl uw schim hier langs marcheert. / Links, rechts…’
Maar als de stad weer is herbouwd […] dan zullen nog bij nieuwe maan / uw schimmen door de straten gaan. / Links, rechts…’ De dodenmars zeer letterlijk uitgebeeld, als een installatie van William Kentridge.
Hoewel haar werk op een monument prijkt en in bovengenoemde Spiegel van de Nederlandse poëzie is opgenomen (al ontbreekt ze weer in Komrij’s Canon), lijkt Clara Eggink als dichteres in het collectieve literaire geheugen op de achtergrond geraakt. Ik zoek even verder. Minder vlammend en veel archaïscher, maar zeker zo krachtig, is haar vers ‘Gebonden’, dat gelezen kan worden als een gebed:
Gebonden
Laat het niet uit zijn, God, na deze dood
in leven en ellende om wat dagelijks brood.
Want waartoe gaaft gij dan uw bossen, heiden,
uw luchten, wateren en ruime weiden
den mens als lokaas van zijn plichten weg?
Het is het woord van velen dat ik zeg.
Er zijn er meer die snakken naar ontkomen,
wier hart uw zeeën meedraagt in hun dromen.
Maar gij geeft traag getob en kleine strijd
en waait er over met een wind van eeuwigheid.
Wat valt er te weten over Clara Eggink? Vooral dat ze haar leven ‘in het gezelschap van dichters’ doorbracht, in het bijzonder J.C. Bloem – met wie ze trouwde en van wie ze weer scheidde – en later Jan Campert. Op deze site is relevantere informatie te vinden. Zoals het feit dat haar oeuvre veelzijdig was: dat ze in de eerste plaats dichteres was, maar ook proza schreef, essays en honderden literaire kritieken produceerde en het nodige vertaalwerk.
Dat haar gedichten door sommigen een vrouwelijke variant op Bloems werk worden genoemd, is een kwalificatie die, misschien los van de traditionele vorm, geen recht doet aan de eigen toon van haar werk, die zich kenmerkt door eenvoud, bondigheid en helderheid. Ik citeer: ‘Haar poëzie, die ze in die tijd tekende met Cl. Bloem, was tegelijk romantisch, persoonlijk en zakelijk. Eggink publiceerde vanaf 1930 regelmatig gedichten in De Gids, Forum, Helikon en de Nieuwe Rotterdamse Courant.
In 1934 verscheen de bundel Schaduw en water, in 1938 de bundel Schiereiland. Vanaf 1934 schreef Eggink recensies voor het maandblad Critisch Bulletin en – vanaf 1937 – voor De Gulden Winckel, waar ze van Bloem de rubriek ‘Kroniek der poëzie’ had overgenomen. Al waren dit prestigieuze posities, zeker voor een vrouw, toch bleef haar rol te midden van de literatoren van die tijd bescheiden’.
Eggink stond bekend als een eigenzinnige vrouw met een ‘mannelijk’ geluid. In de mannenwereld van de literaire kritiek bleef ze niettemin lange tijd de ‘Claartje’ van de grote Bloem. Een curieus en ergerlijk gegeven, dat tegenwoordig niet meer zou worden geaccepteerd.
Haar gedicht ‘Dodenmarsch voor Rotterdam’ zou je als een poëtische pendant van Picasso’s ‘Guernica’ kunnen beschouwen. De onmenselijkheid van oorlog wordt haarscherp en confronterend uitgebeeld en alleen al om dit feit verdient Clara Eggink een prominentere plaats in het collectieve literaire geheugen.
Bronvermeldingen:
- Spiegel van de Nederlandse poëzie – dichters van de twintigste eeuw (Meulenhoff, 1979)
- Huygens instituut
Foto’s:
- Zadkine: Door RogierBos, CC BY-SA 3.0, Wikimedia Commons
- Andriessen: Door Wikifrits – Eigen werk, Publiek domein, Wikimedia Commons
- Eggink: Door Joop van Bilsen voor Anefo – GaHetNa (Nationaal Archief NL) 917-4255, CC0, Wikimedia Commons


