Klassieker 15: P. C. Boutens – De maan is al boven de seringen

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 15

‘De maan is al boven de seringen’ klinkt bijzonder idyllisch. Schotelt Boutens de lezer slechts een ultieme romantische ervaring voor? Joop Leibbrand laat zien, dat er veel meer speelt in dit gedicht.

De maan is al boven de seringen
—-
De maan is al boven de seringen;
—-De stralen hellen de kruinen langs…
De nachtegaal houdt zich stil van zingen
—-Tot de hof verlucht staat van haar glans.

Tot de donkere tuin als een ijle beker
—-Tintelt vol licht, dofgouden wijn,
En als slaapwandelaars onzeker
—-De rozen ontwaken in den schijn…

Ik weet niet wat ik meer moet vreezen,
—-De nachtegaal met haar luide klacht,
Of de stille maan die droomt volrezen
—-Over de witte rozenpracht…

Laat doof en blind mij – ik kan niet dragen
—-Den telkens valschen dageraad…
Wanneer zal eindlijk mijn zon weêr dagen,
—-Die alle schemerschoon verslaat?


P.C. Boutens (1870 – 1943)

Uit: Liederen van Isoude (1921)
Uitgever: Van Dishoeck

Twee strofen lang lijken de versregels met elkaar te wedijveren in het oproepen van een opperste schoonheidservaring. De lezer is maar al te zeer geneigd daarin mee te gaan, want wat is er mooier dan in de beslotenheid van een fraaie tuin te genieten van het licht van de volle maan, rozen en seringen te zien (en de geur ervan te ruiken) en te luisteren naar de zang van de nachtegaal.

Het moet een diep doorleefd, romantisch geluksgevoel geven dat je met alle zintuigen lijfelijk ervaart en gulzig wilt indrinken om het voor altijd te behouden. En de beelden geven daarbij zoveel meerwaarde: de maan, die o.a. geassocieerd wordt met het vrouwelijke in de ruimste zin, de seringen, die, paars of wit, kunnen staan voor onschuld en ongerepte eerste liefde, de nachtegaal, die het lied zingt dat als het ware de poëzie zelf is, de witte roos, die ons waarheid, liefde en reinheid toont en de wijn, die als godendrank bepaalde gebeurtenissen kan verheffen tot een geestrijk, feestelijk ritueel.

Als de lezer de eerste betovering heeft afgeschud, stelt hij vast dat de dichter niet het moment beschrijft op zijn hoogtepunt, maar dat deze in feite niet meer doet dan het aankondigen; hij kent de plaats, hij heeft deze situatie al vele malen meegemaakt, hij weet: nu verlicht de maan nog slechts een gedeelte, straks is de gehele tuin verlicht, dán zal de nachtegaal zingen en dán ook zullen de rozen zich in de overvloed van licht openen. Hij beschrijft dus niet het toppunt zelf, maar – in de zekerheid van de vervulling – de verwachting ervan. Nog mooier!

Maar alsof het een sonnet is, komt na het tweede kwatrijn een onverwachte wending. De dichter zegt dit moment suprême te vrezen en hij gaat daarbij zelfs zo ver, dat hij- in gebedsvorm! – hoopt er ‘doof en blind’ voor te mogen blijven, omdat hij de ervaring niet kan (ver)dragen.

De schoonheid waarvoor hij bang zegt te zijn, noemt hij ‘schemerschoon’ en het licht waarin zij zich toont een ‘valschen dageraad’; het zijn termen die met terugwerkende kracht schijn in r.8 tot de as van het gedicht maken, omdat het de betekenisovergang van “uitstralend licht” naar “bedrieglijk, niet werkelijk voorkomen” in zich vertegenwoordigt. Als evenwel de zon zal dagen (“opkomen” en “dag worden” in één woord), verslaat (“overwint”) dat alles wat onecht is. En daarbij hoort ook de witte rozenpracht, want de witte roos is eigenlijk een afwijkende, onnatuurlijke variant!

Is het Boutens hierom te doen? Dat in het maanlicht alles wel heel mooi is, maar toch “echt” niet zo mooi als wanneer de zon schijnt? In dat geval is het eigenaardig dat hij zich afvraagt wanneer de zon weer op zal komen. Dat is toch wel bekend…

Veel opvallender is, dat gesproken wordt over ‘mijn zon’. Beschikt de dichter soms over een eigen, particuliere lichtbron? In zeker opzicht is dat inderdaad het geval. Dr. P. C. Boutens, classicus uit roeping en van professie, was de Platonische gedachtewereld toegedaan. A. Reichling (Het Platonisch Denken bij P. C. Boutens, 1925) schreef daarover het volgende:

In zijn Phaidros verhaalt Plato ons hoe de ziel, ongeschapen en onsterfelijk, eens in het oord der hoogste zaligheid, aan de hand der goden en demonen, genoot van de heerlijkheid der kennis en liefde van het hoogste Schoon. Maar, haar natuurlijke zwakheid niet overwinnend, zonk zij al lager en lager, tot zij belandde in het rijk der schaduwen, waar de werkelijkheid van alles wat is, verzwakte tot het onbestendig zijn der materie.
Eens kende de ziel […] vele der onvergankelijke ideeën; […] in haar aards bestaan is elke zinnelijke indruk een gelegenheid, waarbij de herinnering […] aan wat eens werd gekend, terugkeert. Ons kennen is dus een herdenken der eeuwige waarheid. Maar in deze wetenschap wordt ook het geheim der Schoonheid ons ontsluierd. Zij is de hoogst-verhevene, die alle andere ideeën bestraalt. Haar kennen is de hoogste wijsheid, háár bestreven de volmaaktheid der liefde. Wat wij schoon noemen is slechts haar schaduw. De levenstaak der ziel is het nu haar te zoeken in al haar zwakke, zinnelijke beelden, om van deze uit op te stijgen tot het meest volmaakte beeld dier schoonheid dat in haar geest is achtergebleven.
Wanneer de ziel dit doet, is haar lot verzekerd: haar wacht de hemel, de onbeschrijflijke verrukking van het aanschouwen der eeuwige schoonheid, die God is.

De dichter ziet de aardse schoonheid, maar weet – en daartoe is hij uitverkoren! – dat deze niet meer is dan een flauwe afspiegeling van de sublieme, superieure Schoonheid die hiernámaals zal zijn als hiervóór.

Het is deze geestelijk gekende schoonheid die hij metaforisch aanduidt met ‘mijn zon’, waarmee hij dus het goddelijke licht van de échte realiteit bedoelt, zoals hij dat in zichzelf ervaart. Veeleer dan over een door ieder gekende buitenwereld, gaat dit gedicht dus over de strikt particuliere binnenwereld van Boutens en dat zal voor diegenen die met zijn werk niet vertrouwd zijn, een verrassende uitkomst zijn!

Tot slot enige losse opmerkingen over de verstechniek. Opvallend is in de eerste plaats de klankschoonheid van dit gedicht, waaraan rijm en metrum in gelijke mate bijdragen. Boutens bouwt zijn gedicht op met gekruist rijm, waarbij de vrouwelijke en mannelijke rijmklanken elkaar niet alleen afwisselen, maar onderling ook regelmatig assoneren. Bij het frequente gebruik van assonantie (‘stil van zingen’, ‘Tintelt vol licht’) zijn de vele a- en aa-klanken (resp. 15 en 17 keer) opvallend: je hoort er de klagende klacht in. Tot aan het begin van r. 4 en 5 is als voorrijm een mooi voorbeeld van rime riche en in combinatie met Tintelt van een betekenisvolle alliteratie. Het beletselteken dat in iedere strofe een keer voorkomt, is niet alleen inhoudelijk van belang (het is telkens of een bepaalde gedachte niet wordt uitgesproken, misschien wel wordt teruggedrongen), maar heeft als pauzemoment natuurlijk ook een muzikale functie. Metrisch is het gedicht zeer gevarieerd. Sommige regels zijn zuiver jambisch (r. 9 en 16), in andere overheerst de trochee (r. 4) of de spondeus (r. 6), maar we herkennen ook de anapest (r. 5) en de amfibrachys (r. 8).

Ook qua beeldspraak is het gedicht rijk: we zien vergelijkingen met als (o.a. de tuin als een ijle beker), een asyndetische vergelijking (‘licht, dofgouden wijn’), vele personificaties (‘rozen ontwaken’; ‘de stille maan die droomt’) en tenslotte de metaforen ‘mijn zon’ en ‘schemerschoon’ die Boutens’ wereldbeeld bondig weergeven.

Zoveel schoonheid verdient liefdevolle aandacht!

Geplaatst in Klassiekers.