LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 32: Ed Leeflang – Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten

22 mei, 2002
door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 32

Twee maanden na de analyse van het op Vondel geïnspireerde gedicht ‘De vader van de baby Constantijn, wat hem’ neemt Joop Leibbrand opnieuw een gedicht van Ed Leeflang onder de loep. Dit keer laat de dichter zich door Prediker inspireren, om een niet al te rooskleurig beeld over de condition humaine te schetsen. Of zou Leeflang het specifiek over het lot van de leraar hebben?

*

Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
gaat onze zon op en de dood
veegt in zijn zeeën straks
weer achteloos hun woordenschatten.

Medische muizen zijn al ongelijk.
Hele families snappen niet, andere raden
hoe de verborgen kaas het snelste wordt bereikt.

Ze zijn naar huis.

En ook vandaag heb ik getornd aan fatum
en ben ik opgestaan, zoals het hoort,
tegen gemakzucht van de erfelijkheid.


Ed Leeflang (1929 – 2008)

Uit: Op Pennewips plek (1982)
Uitgever: De Arbeiderspers

Voordat Ed Leeflang met Op Pennewips plek met een hele bundel onderwijsgedichten kwam, had hij al in De hazen en andere gedichten (zijn debuut) en Bewoond als ik ben met gedichten als Aardige leerlingen en Les getoond zijn achtergrond als onderwijsman niet te willen verloochenen. Leeflang was gedurende lange tijd o.a. leraar Nederlands in het middelbaar onderwijs en aan een pedagogische academie en als zodanig is de plaats waar Pennewip thuishoort, de legendarisch geworden schoolmeester uit Multatuli’s Woutertje Pieterse, hem dus vertrouwd.
Op Pennewips plek bestaat uit 44 titelloze gedichten, waarin vanuit het wisselend perspectief van verschillend getalenteerde meesters en juffen en van even ongelijke kinderen, zicht gegeven wordt op tal van facetten van de dagelijkse onderwijspraktijk, vooral die in de basisschool, waar het minstens zozeer om opvoeding als om kennisoverdracht gaat. Centraal staat steeds de haast onvoorwaardelijke toewijding die voor het lesgeven vereist is en die zich uit in de liefde voor het vak en voor het kind.

In Hoor Prediker geeft de ikfiguur, duidelijk een onderwijsgevende – en de lezer is geneigd er Leeflang zelf in te zien, in ieder geval iemand met wie hij zich sterk identificeert -, zich aan het eind van de lesdag rekenschap van zijn dagelijkse taak. Als laatste gedicht van de bundel is het tevens te beschouwen als een soort evaluatie van wat dat nu eigenlijk inhoudt, dat lesgeven, dat vormen van kinderen. En vooral: wat het betekent.

Opvallend is het begin: ‘Hoor Prediker’. Leeflang verwijst hier naar het Bijbelboek Prediker, het boek waarin de vergeefsheid van alle menselijk streven zo indringend wordt verwoord: IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid! Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon? Waarom zou je je altijd maar weer, iedere dag opnieuw en jaar in jaar uit moeten uitsloven om kinderen iets te leren, ‘woordenschatten’ bijvoorbeeld (let op de intrinsieke betekenis van het woord), als alles toch voorbijgaat? Die kinderen gaan dood, je gaat zelf dood; het is zoals Prediker zegt: Dit is het ergste, dat onder de zon geschiedt: dat allen eenzelfde lot treft. En wat heb je er trouwens aan de dommen wat minder dom en de gevatten nog slimmer te maken? De zon schijnt voor iedereen en maakt geen onderscheid…
’Prediker’ staat er natuurlijk ook nog om een andere reden: een schoolmeester, een frik, heeft natuurlijk wel iets van een dominee, dus een prediker (hier nog wel met een hoofdletter geschreven), en de onderwijsman kan zich met een flinke portie zelfspot best als zodanig zien. Dat ‘onze zon’ opgaat past in dat zelfde ironiserende beeld: de schoolmeester laat – in de pluralis majestatis nog wel! – zijn grote licht schijnen over de dommen en gevatten. Maar een spottend gedicht is dit niet, integendeel: het is vervuld van grote ernst, die door dit relativerende begin des te sterker overkomt.

’Ze zijn naar huis’, verzucht de ik-figuur in de derde strofe, nadat hij voor de zoveelste keer heeft moeten vaststellen hoe verschillend getalenteerd zijn leerlingen zijn en hoe moeilijk dat zijn werk maakt. ‘Medische muizen’, proefdieren die er d.m.v. speciale voortplantingsprogramma’s natuurlijk op geselecteerd zijn zo gelijk mogelijk te zijn, blijken zich in allerlei leer- en geheugentests toch sterk van elkaar te onderscheiden. Leeflang beschrijft in de tweede strofe de bekende doolhoftest: leg in het hart ervan een stukje kaas, laat muis of rat los en klok hoeveel tijd hij de eerste keer nodig heeft om door trial and error het begeerde te bereiken. Daarna wordt het interessant, want door te meten hoeveel het de volgende keren sneller gaat, kan worden vastgesteld wat de leercapaciteit van het beestje is en – maar dat valt buiten het kader van dit gedicht – hoe die kan worden beïnvloed (omgevingsfactoren wijzigen, leefomstandigheden veranderen, training, andere voeding geven, bepaalde drugs toedienen etc.).
Dat er onder de door selectie verkregen zó gelijke muizen zijn die het nóóit leren of die het stadium van blind blijven proberen niet weten te passeren, past de ik toe op zijn leerlingen, die níet op gelijkheid geselecteerd zijn en allerlei gradaties van ‘domheid’ zullen vertonen, maar die hij toch naar de ‘verborgen kaas’, de schat van kennis en inzicht, moet brengen.

Wat is dat een moeilijk werk, stelt hij in de vierde strofe; het is ‘tornen’ aan het ‘fatum’, proberen aan wat door het levenslot lijkt te zijn voorbestemd iets te veranderen. Het is de ‘gemakzucht van de erfelijkheid’ zegt Leeflang, die ouders en al heel snel ook hun kinderen doet denken dat bepaalde kennis en kunde voor hen niet is weggelegd, omdat wie een bepaalde afkomst heeft of uit een bepaald milieu komt, dat nu eenmaal niet kan leren.
De ik wil zich hier niet bij neerleggen en komt tegen die zelf opgelegde lotsbestemming in opstand. Hij heeft ook geen keus, hij dient het onderwijs, dus zo ‘hoort’ het ook. Maar wat is het soms zwaar, want behalve tegen vermeend onvermogen en gemakzuchtige onwil moet hij opboksen tegen een addertje dat in hemzelf zit en dat hem soms toesist dat het eigenlijk allemaal zinloos is wat hij doet: Hoor Prediker… Vandaar dat ‘En ook vandaag … ben ik opgestaan’ ook letterlijk genomen moet worden, want soms is er de verleiding niet naar het werk te gaan, in bed te blijven liggen, het op te geven.
Gelukkig heeft Prediker ook daarvoor een woord: Zo heb ik ingezien, dat er niets beters is dan dat de mens zich verheugt in zijn werken, want dat is zijn deel.

 

     Andere berichten