Klassieker 72: Neeltje Maria Min – mijn moeder is mijn naam vergeten

door Inge Boulonois

Meander Klassieker 72

Met het gedicht ‘mijn moeder is mijn naam vergeten’ verwierf Neeltje Maria Min in één klap een sterrenstatus in de Nederlandse letteren. Inge Boulonois was op jonge leeftijd al getroffen door dit gedicht, en probeert veertig jaar later te achterhalen waar de kracht ligt van dit op het oog zo eenvoudige vers.


mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
hoe moet ik mij geborgen weten?

noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

voor wie ik liefheb, wil ik heten.



Neeltje Maria Min (1944)

Uit: voor wie ik liefheb wil ik heten (1966)
Uitgever: Bakker|Daamen

Zelden is een gedicht uit een debuut zo ingeslagen. De poëzie van Neeltje Maria Min (1944) beleefde indertijd herdruk op herdruk, maar liefst 80.000 exemplaren zijn verkocht (met een eerste druk van meteen al 7000 ex.). De bundel prijkte op mijn bescheiden boekenplank naast Toi et moi en Vous et moi van Paul Géraldy, zoete brave liefdespoëzie waar je heerlijk bij weg kon zwijmelen. Het titelgedicht ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ had in mijn omgeving de bekendheid van een Schlager. Journalisten reisden en masse naar Mins woonplaats Bergen, waar ze niet veel wijzer werden van het weinig mededeelzame talent dat met haar kind van anderhalf bij haar ouders inwoonde.

In de bestseller dichtte zij op vrijwel onbeïnvloede wijze over de verhoudingen binnen het gezin, de relatie tot haar ouders die haar vreemd bleven en over de onvindbare liefde. De tweede bundel, Een vrouw bezoeken (Bert Bakker, 1985), kon in het licht van het succes van de eerste alleen maar tegenvallen en dat gebeurde dan ook. Voor Kindsbeen (De Bezige Bij, 1996), de derde en tot nu toe laatste bundel, ontving ze de Pico Belloprijs 1996. De recensenten prezen deze nieuwe gedichten om hun heldere gekkigheden; tegelijk werd haar tweede bundel met terugwerkende kracht gewaardeerd. In Komrij’s tweedelige bloemlezing van de 19e t/m de 21e eeuw (2004) staan zes gedichten van Neeltje Maria Min, waaronder dit legendarische exemplaar.

Zo populair als het was, zo weinig begreep ik als twintigjarige van de inhoud. Reden genoeg om het gedicht, bijna vier decennia later, eens onder de loep te leggen.
Het meeslepende karakter zit hem voor een groot deel in de vorm: kort, metrisch, heldere structuur bestaande uit terzine, Perzisch kwatrijn en slotregel. De eerste drie en de laatste twee regels zijn viervoetig jambisch, regel vijf en zes viervoetig trocheïsch. Het wemelt van gelijkluidende klanken. De ij-klank komt maar liefst dertien keer in het gedicht voor, vooral door ‘mij’ en ‘mijn’. Het eindrijm bevat óf de ee- óf de aa-klank. De zin die met ‘o’ begint vormt een exclamatie, de hele tweede strofe, waarin zo duidelijk tot anderen het woord gericht wordt, is een zogenaamde apostrof.

Het lyrisch-ik, tegelijk kind en moeder, vraagt zich in de terzine af hoe ze zich geborgen kan weten, terwijl haar kind nog niet eens weet hoe zij heet en haar moeder haar naam is ‘vergeten’. Na een blanco regel spreekt zij zich uit: ze wil dat iemand haar bij de naam noemt, zodat haar bestaan bevestigd wordt, haar naam ‘als een keten’ wordt; ze wil genoemd worden bij haar ‘diepste naam’. De functioneel eenzaam gepositioneerde slotregel laat zich lezen als de gevolgtrekking die de ik-figuur maakt: ze wil, voor wie zij liefheeft, bij haar diepste naam genoemd worden. Hier, in tegenstelling tot de ‘snelle’ titel van de bundel, mét komma.
Kennelijk is het kind te klein om haar naam te kennen. Haar moeder zou haar naam moeten weten, maar is die vergeten. Dat er sprake is van amnesie ligt niet voor de hand, dus zal bedoeld worden dat de moeder de dochter ‘ont-kent’ omdat bijvoorbeeld de identiteit haar vreemd is, of omdat de moeder-dochterrelatie slecht is, waardoor ze zich unheimisch, niet geborgen voelt.

Wie met de, als een bezweringsformule klinkende, tweede strofe aangesproken wordt, is niet meteen duidelijk. Deze staat in de imperatief. Meteen na het werkwoord ‘noem’ volgt het persoonlijke voornaamwoord ‘mij’, – ‘noem mij’ is hier bovendien een repetitio – in de laatste regel ook nog eens voorafgegaan door de uitroep ‘o’, d.w.z. het gaat om een zeer dringend verzoek: de ik-figuur verlangt intens dat iemand haar bij haar naam noemt. Wordt hier misschien bedoeld dat de naam de mensen als een keten met elkaar verbindt? Met een naam geeft men elkaar bestaan, ontstijgt men aan de anonimiteit, word je gekend, ken je elkaar. Een beetje tenminste: slechts een ‘kennen van naam’. Dat klinkt heel anders dan een naam ‘als een keten’. Verlangt ze misschien naar een geliefde zoals de vader van haar kind? In het kwatrijn staat eerst ‘naam’ en daarna ‘diepste’ naam, als opvallend enig adjectief in het hele vers. Het lijkt erop dat het lyrisch-ik daar al dichtend meer over te weten komt. Het zal dus niet om de oppervlakkige naam volgens de burgerlijke stand gaan.

Volgens de concluderende slotregel heeft de diepste naam alles met liefde te maken. Dat verband zit ook in de klinkerrijm van ‘wie’ en ‘liefheb’ met ‘diepste’ uit de voorlaatste regel. Bij een naam ‘als een keten ‘ denk ik niet zozeer aan een of andere interpersoonlijke verbintenis en evenmin aan een trouwring die je desgewenst zo af kunt doen. Eerder aan een bovenpersoonlijke relatie. Eenmaal deze gedachtesprong gemaakt, duikt bij mij ogenblikkelijk een ‘verlossende’ interpretatie op. Het dringende verzoek in de tweede strofe is een smeekgebed. Daarmee roept ze het Opperwezen aan. Van hem verlangt ze bevestiging van haar bestaan in de vorm van een teken, een stem. De beide witregels en de korte metrische breking tussen ‘noem mij’ en ‘bevestig’ in de vierde regel fungeren in dit kader als stiltes waarin de ik-figuur wacht, hoopt op zo’n teken. Verwijzingen naar God en gebed duiken ook regelmatig in Mins laatste bundel Kindsbeen op: God maak dat/ het vier uur wordt, bad ik breng/ mij veilig thuis’, ‘gegromd gebed’ en ‘God wacht zijn trage ziel’.

De diepste naam roept associaties op met Efeziërs (3:17-19), waar Paulus bidt dat de gelovigen verankerd mogen worden in de diepe liefde die Christus is. ‘Verankerd’ sluit mooi aan bij een keten, de ketting van een anker. Ook denk ik aan Jesaja (62:2) waar de profeet tegen Gods lieveling zegt: ‘U krijgt een nieuwe naam,/ een naam door God zelf gekozen.’ De nieuwe naam doet weer sterk denken aan de ene, diepste naam, de stem van het levend hart, van die liefde die mensen ‘als een keten’, dus ijzersterk met elkaar verbindt, hechter dan via bloedbanden, krachtiger dan enig bureaucratisch trouwboekje. Geborgenheid spreekt ook uit het bekende, prachtige beeld van onze namen die geschreven staan in de palm van Gods hand.

De ik-figuur wil er zijn voor wie haar geschapen heeft, die heeft zij lief, slechts voor hem wil ze heten. Alleen zo zal ze zich geborgen en met anderen verbonden weten; zonder diepe naam, zonder die liefde geen geborgenheid. Dat lees ik zo’n veertig jaar later in het gedicht.

Geplaatst in Klassiekers.