Klassieker 78: Judith Herzberg – Een kinderspiegel

door Inge Boulonois

Meander Klassieker 78

Met ‘Een kinderspiegel’ schreef Judith Herzberg een absolute klassieker. Zelf pas een dertiger schreef zij dit gedicht over de ouderdom vanuit het perspectief van een kind. In haar analyse laat Inge Boulonois zien, hoe knap dit eenvoudig ogende gedicht in elkaar steekt. En dat het –met het steeds gangbaarder worden van cosmetische chirurgie–meer dan ooit actueel is.

Een kinderspiegel

‘Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.

Ik neem een hond, drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.

Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij alsmaar bij elkaar.’


Judith Herzberg (1934)

Uit: Beemdgras (1968)
Uitgever: Van Oorschot

Van de hand van Judith Frieda Lina Herzberg, geboren in 1934 te Amsterdam, verschenen gedichten, essays, toneelstukken, televisiespelen, filmscenario’s en reisverslagen. In de tijd dat zij als dichteres debuteerde met de bundel Zeepost (Van Oorschot, A’dam 1963) waren de experimentele Vijftigers uitgeraasd en was het neorealisme van de Zestigers en vogue.
‘Intelligente eenvoud’, zo laat haar vaak verrassende manier van dichten zich typeren. Centraal staan de verwondering over het vanzelfsprekende, het menselijk dualisme en de liefdevolle beschouwing van het alledaagse leven. Door haar benadering wordt het alledaagse van de alledaagsheid ontdaan. Binnen het oeuvre neemt het Hooglied voor kinderen een bijzondere plaats in (27 Liefdesliedjes, De Harmonie, A’dam 1971). Veel waardering kreeg haar scenario voor Charlotte, de film van Frans Weisz over het leven van de in Auschwitz vermoorde schilderes Charlotte Salomon. De door een groot publiek gelezen dichteres ontving veel prijzen, waaronder in 1997 de P.C. Hooftprijs, een eer die precies een kwart eeuw daarvoor haar vader, de schrijver en journalist Abel J. Herzberg, te beurt viel. Meer informatie over haar vindt u op de site van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

‘Een kinderspiegel’ staat samen met zeven andere van haar gedichten in de bekende dikke Komrij (editie 2004). Titel en eerste regel verraden direct het gekozen perspectief. Hoewel geschreven toen de dichteres ruimschoots de dertig gepasseerd was, is hier een kind aan het woord. Tussen aanhalingstekens en in parlando kruipt Judith Herzberg in de huid van een jong meisje dat naar haar toekomstige leven kijkt.

De spiegel vormt in de muzen een geliefd thema met een rijke symboliek. Het woord betekent zowel voorbeeld als schijnbeeld en in sprookjes kunnen spiegels waarzeggen en wensen vervullen. De oudste spiegel was natuurlijk de waterspiegel die de wereld omgekeerd en ietwat wazig weergaf zodat men daarin een andere wereld meende te zien. In de loop der tijd groeide de spiegel uit tot drager van ambivalente betekenissen. Enerzijds een attribuut van de gepersonifieerde Luxuria, de ijdelheid, anderzijds van Veritas, de deugd der zelfkennis. Als alledaags gebruiksvoorwerp verschaft de spiegel de toeschouwer niet alleen een visueel beeld van zichzelf in zijn of haar omgeving, maar weerkaatst tegelijk de innerlijke mens met zijn gevoelens, verwachtingen, wensen, het zelfbeeld, het ik-ideaal, de mate van zelfwaardering enzovoorts. M.a.w. het spiegelbeeld is veel meer dan een neutrale, optische weerkaatsing.

Het sprekend subject ziet door de kinderspiegel een ‘voor-beeld’ van haar toekomst. Daar wenst het meisje zich echter niet aan te spiegelen, ze wil niet opgenomen worden in dat continue proces van groei, bloei en verval dat inherent aan het leven is. Haar wereld moet maakbaar zijn: leuk, speels en eerlijk. Wat leeft moet bloeien, mag niet verdorren, geen nare ziektes krijgen. Wat je wilt, kun je ‘nemen’ en wat je niet wilt, neem je gewoon niet. Dus wel blonde krullen maar geen spataders en onderkin. En als er dan toch rimpels moeten komen, dan alleen enkele vrolijke kraaienpootjes rond de ogen. Bovendien, dat kan niet uitblijven: een hele lieve man die tamelijk beroemd is/ de hele dag en ook de hele nacht/ blijven wij alsmaar bij elkaar. Het kinderlijke droombeeld van liefde met sprookjesachtige, niet te vervullen wensen.

Het gedicht bestaat uit vier strofen van elk vijf regels zonder eindrijm. De jambe overheerst maar in de beginregel valt de lezer direct met een beklemtoonde lettergreep binnen, even ‘ogenblikkelijk’ als een spiegel beelden weerkaatst. In de eerste strofe zien we hier en daar klinkerrijm binnen de zinnen, zoals in ‘neem geen’, ‘kraaie(n)pootjes om mijn ogen’. ‘Neem’ komt hier drie keer voor – omne trinum perfectum – waarmee de kinderlijke naïviteit goed aangezet wordt. Deze strofe geeft aan wat het meisje wel en niet wenst. In de tweede strofe wordt uitsluitend verteld wat zij níet wil. Frappant is de frequentie van de ie-klank: liegen, niet, bedriegen, niemand, vieze, pieken. De articulatiestand bij de ie heeft een nauwe mondspleet en enigszins in de breedte teruggetrokken lippen wat aan afkeuring doet denken. De ‘vieze vette grijze pieken’ klinken door de assonantie van de ‘ie’ en de alliteratie van de ‘v’ optimaal vet en vies. De volgende strofe gaat helemaal over wat ze wèl wil: allerlei dieren in huis, want dat is gezellig; zelfs de geit mag binnen. De vierde strofe beschrijft de laatste verlangens: ‘hele’ leuke bloeiende planten en een ‘hele’ lieve man. Maar liefst vier maal komt hier het woord ‘hele’ voor; gewoon leuk en gewoon lief zijn kennelijk niet goed genoeg. De laatste regel is antimetrisch. De eerste lettergreep – blijven – krijgt een door het enjambement versterkte klemtoon waardoor de aangenaam voortkabbelende versvoet hapert en ‘alsmaar bij elkaar’ onrustig en onzuiver klinkt. In deze strofe lonkt ‘elkaar‘ nog wat van verre naar ‘zoiets raars’ in de tweede regel. Door de onmogelijke wensen, de kinderlijke zinswendingen en tenslotte de antimetrie in de laatste regel begrijpt de lezer dat de houding van de schrijfster een ironische is.

Het vertellende ‘ik’ gebruikt eenvoudige termen, op ‘tamelijk’ na. Het gebruik van dit woord stoort niet: kinderen larderen hun taal nu eenmaal met volwassen ‘leenwoorden’. Zou haar man, de sprookjesprins, ‘heel’ beroemd zijn, dan is hij te weinig thuis en dat past niet bij het plaatje van de superromantische liefde. Alles staat in de egocentrische, voor kinderen geëigende ik-vorm. Ook de overdaad doet pueriel aan. Zoals van de eerder aangestipte frequentie van het woord ‘hele’. Het meisje wil niet alleen een hond, maar er moeten drie poezen bij plus een geit. Een kind weet geen maat te houden en is evenmin consequent: de geit mag zijn keutels overal rondstrooien – de gevaren van vervuiling realiseert zij zich niet – maar de hond moet netjes op een kleedje liggen.

Van de meervoudige en ambivalente betekenis van de spiegel maakt Judith Herzberg fraai gebruik; in het gedicht krijgen Luxuria en Veritas een plaats. Blikkend naar het voorbeeld in de spiegel, maakt het meisje haar eigen wensen, een schijnbeeld, bekend. De dichteres laat zien dat een gemaakte voorstelling nooit een afspiegeling van de werkelijkheid wordt. Twee versregels van Raymond Herreman schieten mij te binnen: Van het leven dat zij droomden/ is dit leven de weerglans niet. Tegelijk houdt ze de lezer een spiegel voor, laat ze ons ‘reflecteren’ over hoe wij tegen het leven, inclusief de lichamelijke teloorgang, aankijken. Het kind, en hier spreekt ook de onschuldige eigen wijsheid mee, wil nog niet geconfronteerd worden met het ‘volwassen’ menselijk bedrijf van list en bedrog. Noch met de onvermijdelijke ouderdomsverschijnselen want het heeft niet de gevoelsrijpheid om ontroerd te worden bij het zien van aderen, onderkinnen en wat dies meer zij. Maar hoe eerlijk, hoe wijs, hoe ijdel zijn wij? Vanwaar de hedendaagse run op facelifts, cosmetische chirurgie, liposculptuur en ooglidcorrecties? Wil ons ouder wordende oog ook nog wat, of ‘heel’ veel?
‘Een kinderspiegel’ is meer dan ooit actueel.

Geplaatst in Klassiekers.