Klassieker 77: Herman Gorter – Zie je ik hou van je

door Joris Lenstra

Meander Klassieker 77

Joris Lenstra is een beetje verliefd op ‘Zie je ik hou van je’ van Herman Gorter: “een versje (…) dat uitblinkt in zijn eenvoud. Het is eerder een gedicht dat je kleine zusje of je dochter had kunnen schrijven dan een serieuze dichter.”

*

Zie je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht –
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou zo graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen.


Herman Gorter (1864-1927)

Uit: Verzen (1890)
Uitgever: W. Versluys – 4e dr. 1916

Soms kom je in het Stedelijk Museum een schilderij tegen dat eruit ziet alsof je het zelf had kunnen maken. Je hebt er alleen niet de theorieën voor bedacht. Hetzelfde geldt voor de poëzie. Soms sla je een bundel open en stuit je op een versje dat je zelf had kunnen schrijven, zoals dit gedicht van Gorter, dat uitblinkt in zijn eenvoud. Het is eerder een gedicht dat je kleine zusje of je dochter had kunnen schrijven dan een serieuze dichter.

Gorter is bekend om zijn muzikale en melodieuze taalgebruik: Een nieuwe lente en een nieuw geluid: / Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, / Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht. Wie kent niet de eerste regels van Mei. Het bovenstaande gedicht, dat hij op een mooie zondagmiddag geschreven moet hebben, kent ook veel muzikaliteit. Het heeft veel weg van een liedje met als refrein het herhaalde ‘ik hou van je’; een herhaling die met de klank het gedicht bij elkaar houdt.
Mooi is het volle eindrijm van ‘licht’ in de tweede en derde regel. Vol rijm is als rijmvorm vaak te zwaar. Het is niet harmonieus, maar weet juist daardoor interessante effecten teweeg te brengen. Hier wordt het ‘licht’ zodanig benadrukt, dat het, als dit gedicht plechtiger van toon geweest was, bijna teveel zou zijn geworden. Gorter kan er hier mee wegkomen, het draagt zelfs bij aan het emotionele karakter van het gedicht. Het benadrukt de onmacht van de spreker om een ander woord te vinden om zijn geliefde te omschrijven.

Want het is opvallend dat de geliefde niet benoemd wordt. Zij is louter ‘licht’, en wel drie keer (r. 2, 3, 11). In de tweede strofe wordt alleen gezegd, in een gejaagde opsomming, dat zij menselijke uiterlijke kenmerken bezit. Er wordt niet bij gezegd hoe mooi die zijn, welke kleur of vorm ze hebben. Gorter vermijdt hier de weg die vele schrijvers van liefdesgedichten wel afgelegd hebben: hun geliefde vastleggen in poëzie. Zoals Petrarca met zijn Laura. Maar daar is het Gorter ook niet om te doen.
Mooi in deze strofe is het achteloze eindrijm van alle regels. Het heeft een nonchalance die sommige gedichten van Verlaine ook kenmerkt. Niet toevallig is Verlaine ook een uitermate muzikale dichter, met regels als: ‘Ô triste, triste était mon âme / A cause, à cause d’une femme.’ (uit: Romances sans Paroles). Een regel als: ‘… en je oor / met je haar er voor.’ is door zijn eenvoud in dit gedicht op zijn plaats, terwijl eenzelfde regel elders jammerlijk zou kunnen mislukken.

De emotionele apotheose van dit gedicht vindt plaats in de derde strofe. De eerste twee regels zijn gekunsteld en benadrukken zo het verstorende effect van de emotie. Hij is zo overmand door emoties, dat hij niet meer goed uit zijn woorden kan komen.
Het hoogtepunt van het besef van zijn gevoelens komt vervolgens in de omschrijving: ‘het licht is om je’, als ware zij een engel. Niet alleen geeft hij hiermee de verafgoding weer die hij voor haar koestert, ook schept hij, onbedoeld, een afstand tussen hen. Zij straalt voor hem, terwijl hij toekijkt. Niet toevallig is de hierop volgende zin meteen een bevestiging van die afstand: ‘… je bent / nu toch wat je eenmaal bent.’ De ratio heeft weer vat op de spreker gekregen.

Als toegift komt dan nog de laatste strofe. Eigenlijk is het de conclusie van de voorafgaande emotionele achtbaan. Eerst herhaalt hij de intentie: ‘ik hou zo vrees’lijk veel van je, / ik wou het helemaal zeggen – ‘, om vervolgens tot de slotsom te komen die iedereen die eens verliefd is geweest wel kan beamen: ‘Maar ik kan het toch niet zeggen.’ Wat je ook zegt, het haalt het niet bij wat je voelt. En doet het dat wel, dan brengt het nog niet over wat je eigenlijk wilt zeggen.

Het mooie van dit versje is dat het zo simpel geschreven is. Het heeft veel herhalingen en alles richt zich op het enkele onderwerp: het vluchtige gevoel van de euforie van verliefdheid. Met een roze bril op wordt alles een stuk eenvoudiger.
Daarnaast is het muzikale karakter van het gedicht een toegevoegde waarde. Regels worden herhaald, er wordt soepel gerijmd, en het geheel is geschreven in een gemakkelijke parlando met als resultaat een leuk, zelfs kinderlijk eenvoudig versje. Vervang bijvoorbeeld de eerste twee woorden maar eens door ‘Mama’: verrassend hoe toepasbaar het ineens in een totaal andere betekenis wordt!

Dit gedicht weet iets te doen wat poëzie niet vaak doet, maar muziek wel: het evoceert een gevoel. Poëzie werkt eerder op betekenisniveau, omdat er taal gebruikt wordt en woorden betekenissen in zich hebben. Muziek dringt echter sneller door naar een ander, meer abstract niveau van het gevoel. Gorter weet hier, door het kinderlijke taalgebruik, de volle rijmen en vele zin- en woordherhaling, de taal een groot deel van haar betekenis te ontnemen. Het gedicht kent geen abstracte begrippen en nauwelijks bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. Wat overblijft is een tekst van enkel actie en emotie. Dezelfde eigenschappen die ook een muziekstuk heeft.

Hierin ligt de verborgen kracht van dit gedicht. Het weet een herkenbaar gevoel op te wekken, ondanks de beperkingen van de taal. En het is wellicht deze paradox die Gorter duidde met zijn laatste regel: ‘Maar ik kan het toch niet zeggen.’
Hij kon het gevoel niet in woorden uitdrukken, maar wel uitstekend in een gedicht weergeven.

En wie Gorter zelf was? Tijdgenoot Aegidius Timmerman (1858-1941) beschreef hem in Tim’s herinneringen zo:

O, hee! Daar stond hij op zijn sterke gespreide benen, vast als ijzer, een glimlach om zijn dikke lippen, een blos op zijn frisse wangen, alles open, zijn ogen, zijn hele ziel, zijn blauwe colbertje. ‘Heerlijk’, zei zijn mond. ‘Heerlijk’, zeiden zijn stralende ogen. ‘Heerlijk’ zijn zijn jonge sterke lichaam. Eén stuk hartstochtelijk leven en blijheid en genieten, alles frisheid en koelte en vrolijkheid. Zijn gele strooien hoedje woei af van zijn kortgeknipte haren. Hij keek er niet naar om, hij lachte.

Om verliefd op te worden!
____

Joris Lenstra

 

Naschrift juni 2019 – EvL

Ingmar Heytze wist ook wel raad met dit gedicht van Gorter. Zijn bewerking ‘Hoor eens ik haat je’ is terug te lezen als Klassieker 171.

Geplaatst in Klassiekers.